Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7278
2026-02-10
Strafrecht
25-029121
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1472 Hoge Raad 01-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.133 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169121-24
raadkamernummer : 25-029121
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonadres] Spanje,
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ex artikel 29f Sv ontvangen op de griffie op 13 oktober 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de aanvulling op het verzoekschrift van 27 januari 2026 en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het verzoek in besloten raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, mr. A. van Voorthuizen namens benadeelde mevr. [persoon] en benadeelden mevr. [benadeelde 1] en mevr. [benadeelde 2] .
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank zal verklaren dat de zaak is geëindigd. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd - kort samengevat - dat de handelswijze van het Openbaar Ministerie en het zeer onredelijk tijdsverloop in een zaak waarbij geen sprake is van verdenkingen van zware delicten rechtvaardigen dat de zaak met onmiddellijke ingang voor geëigend zal worden verklaard. De verwachting dat de officier van justitie alsnog tot vervolging overgaat, lijkt in deze zaak niet aan de orde te zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek beëindiging strafzaak dient te worden afgewezen. Verzoeker is inmiddels gedagvaard voor de meervoudige strafkamerzitting op 20 maart 2026 om 14:00 uur. Ten onrechte wordt gesteld dat er sprake is van een zeer onredelijk tijdsverloop. Dat de zaak pas nu op zitting is gepland, wijt de officier van justitie aan verzoeker zelf. Er zijn vele pogingen geweest om een zittingsdatum vast te stellen, maar verzoeker weigerde een naam van een advocaat door te geven om de inhoudelijke behandeling te plannen. Voorts heeft verzoeker geen medewerking willen verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek. Er was gezien de verdenking tegen verzoeker op geen enkel moment redelijkerwijs te verwachten dat het Openbaar Ministerie geen verdere strafvervolging zou instellen of voortzetten.
Standpunt belanghebbenden
De belanghebbenden willen - kort samengevat - dat de vervolging wordt voorgezet.
2De beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen.
Als een vervolging niet wordt voortgezet, kan de verdachte de rechtbank verzoeken de zaak tegen hem geëindigd te verklaren. Daarbij staat het belang van de verdachte om duidelijkheid te krijgen over de tegen hem aangevangen en nog niet beëindigde vervolging voorop.
Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het Openbaar Ministerie tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten (ECLI:NL:HR:2019:1472).
Een verzoek om een zaak geëindigd te verklaren dient terughoudend te worden getoetst vanwege de verstrekkende gevolgen ingeval van een toewijzing. Het is aan het Openbaar Ministerie om aannemelijk te maken dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden.
Verzoeker is op 22 mei 2024 aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van bedreigingen, belaging en smaad. De zaak is gedagvaard voor de meervoudige strafkamerzitting op 20 maart 2026 om 14:00 uur. Gelet op de aard van de verdenkingen is de rechtbank van oordeel dat bij verzoeker niet de redelijke verwachting heeft kunnen ontstaan dat er geen strafvervolging meer zou worden ingezet. Het tijdsverloop geeft daartoe ook geen aanleiding, mede gezien de toelichting door de officier van justitie. Daarom zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van de strafzaak afwijzen.
3De beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-169121-24
raadkamernummer : 25-029121
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonadres] Spanje,
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ex artikel 29f Sv ontvangen op de griffie op 13 oktober 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de aanvulling op het verzoekschrift van 27 januari 2026 en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het verzoek in besloten raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, mr. A. van Voorthuizen namens benadeelde mevr. [persoon] en benadeelden mevr. [benadeelde 1] en mevr. [benadeelde 2] .
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank zal verklaren dat de zaak is geëindigd. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd - kort samengevat - dat de handelswijze van het Openbaar Ministerie en het zeer onredelijk tijdsverloop in een zaak waarbij geen sprake is van verdenkingen van zware delicten rechtvaardigen dat de zaak met onmiddellijke ingang voor geëigend zal worden verklaard. De verwachting dat de officier van justitie alsnog tot vervolging overgaat, lijkt in deze zaak niet aan de orde te zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek beëindiging strafzaak dient te worden afgewezen. Verzoeker is inmiddels gedagvaard voor de meervoudige strafkamerzitting op 20 maart 2026 om 14:00 uur. Ten onrechte wordt gesteld dat er sprake is van een zeer onredelijk tijdsverloop. Dat de zaak pas nu op zitting is gepland, wijt de officier van justitie aan verzoeker zelf. Er zijn vele pogingen geweest om een zittingsdatum vast te stellen, maar verzoeker weigerde een naam van een advocaat door te geven om de inhoudelijke behandeling te plannen. Voorts heeft verzoeker geen medewerking willen verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek. Er was gezien de verdenking tegen verzoeker op geen enkel moment redelijkerwijs te verwachten dat het Openbaar Ministerie geen verdere strafvervolging zou instellen of voortzetten.
Standpunt belanghebbenden
De belanghebbenden willen - kort samengevat - dat de vervolging wordt voorgezet.
2De beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen.
Als een vervolging niet wordt voortgezet, kan de verdachte de rechtbank verzoeken de zaak tegen hem geëindigd te verklaren. Daarbij staat het belang van de verdachte om duidelijkheid te krijgen over de tegen hem aangevangen en nog niet beëindigde vervolging voorop.
Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het Openbaar Ministerie tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten (ECLI:NL:HR:2019:1472).
Een verzoek om een zaak geëindigd te verklaren dient terughoudend te worden getoetst vanwege de verstrekkende gevolgen ingeval van een toewijzing. Het is aan het Openbaar Ministerie om aannemelijk te maken dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden.
Verzoeker is op 22 mei 2024 aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van bedreigingen, belaging en smaad. De zaak is gedagvaard voor de meervoudige strafkamerzitting op 20 maart 2026 om 14:00 uur. Gelet op de aard van de verdenkingen is de rechtbank van oordeel dat bij verzoeker niet de redelijke verwachting heeft kunnen ontstaan dat er geen strafvervolging meer zou worden ingezet. Het tijdsverloop geeft daartoe ook geen aanleiding, mede gezien de toelichting door de officier van justitie. Daarom zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van de strafzaak afwijzen.
3De beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.