Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7277
2026-02-10
Strafrecht
25-029041
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gehele toewijzing.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:1056 Hoge Raad 16-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.665 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-124215-25
raadkamernummer : 25-029041
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W. van Nunen, advocaat te Breda (Stationslaan 1a2, 4815 GW Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 10 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 565,68, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving inbeslagneming van 18 april 2025;
het klaagschrift ingediend op 16 mei 2025;
de beslissing tot teruggave van het in beslag genomen goed van 29 augustus 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. W. van Nunen als gemachtigd advocaat van verzoeker.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
Daartoe is aangevoerd dat tegen het voortduren van het beslag op 16 mei 2025 een klaagschrift is ingediend, nadat eerst namens klager op 12 mei 2025 schriftelijk is verzocht om teruggave van de in beslag genomen telefoon en vervolgens op 14 mei 2025 door het Openbaar Ministerie per mail aan de advocaat kenbaar is gemaakt dat zij vooralsnog niet voornemens is om de telefoon terug te geven aan klager (waarbij tevens te kennen is gegeven dat een klaagschrift kan worden ingediend bij de rechtbank). Bij e-mail van 29 augustus 2025 heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat er alsnog beslist is tot teruggave van de telefoon, waarna deze aan klager is geretourneerd. Om die reden is het klaagschrift ingetrokken. Verzoeker heeft kosten gemaakt voor de verleende rechtsbijstand en acht het billijk dat aan hem de verzochte vergoeding wordt toegekend.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van het primaire standpunt van het Openbaar Ministerie in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek voldoende is onderbouwd en geheel toewijsbaar is.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift, nadat het in beslag genomen goed was teruggegeven.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek deugdelijk door de advocaat is onderbouwd en ziet in hetgeen in het verzoekschrift naar voren is gebracht gronden van billijkheid om een vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 565,68 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.245,68, bestaande uit:
- € 565,68 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.245,68 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] , onder vermelding van “de heer [verzoeker] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
ECLI:NL:HR:2020:1056
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-124215-25
raadkamernummer : 25-029041
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W. van Nunen, advocaat te Breda (Stationslaan 1a2, 4815 GW Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 10 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 565,68, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving inbeslagneming van 18 april 2025;
het klaagschrift ingediend op 16 mei 2025;
de beslissing tot teruggave van het in beslag genomen goed van 29 augustus 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. W. van Nunen als gemachtigd advocaat van verzoeker.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
Daartoe is aangevoerd dat tegen het voortduren van het beslag op 16 mei 2025 een klaagschrift is ingediend, nadat eerst namens klager op 12 mei 2025 schriftelijk is verzocht om teruggave van de in beslag genomen telefoon en vervolgens op 14 mei 2025 door het Openbaar Ministerie per mail aan de advocaat kenbaar is gemaakt dat zij vooralsnog niet voornemens is om de telefoon terug te geven aan klager (waarbij tevens te kennen is gegeven dat een klaagschrift kan worden ingediend bij de rechtbank). Bij e-mail van 29 augustus 2025 heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat er alsnog beslist is tot teruggave van de telefoon, waarna deze aan klager is geretourneerd. Om die reden is het klaagschrift ingetrokken. Verzoeker heeft kosten gemaakt voor de verleende rechtsbijstand en acht het billijk dat aan hem de verzochte vergoeding wordt toegekend.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van het primaire standpunt van het Openbaar Ministerie in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek voldoende is onderbouwd en geheel toewijsbaar is.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift, nadat het in beslag genomen goed was teruggegeven.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek deugdelijk door de advocaat is onderbouwd en ziet in hetgeen in het verzoekschrift naar voren is gebracht gronden van billijkheid om een vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 565,68 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.245,68, bestaande uit:
- € 565,68 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.245,68 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] , onder vermelding van “de heer [verzoeker] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
ECLI:NL:HR:2020:1056