Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7276
2026-02-10
Strafrecht
25-028522 en 25-028521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijke toewijzing. Geen sprake van ivs.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.600 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-118878-25
raadkamernummers : 25-028522 en 25-028521
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.B.M. Poppelaars advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt uit de volgende stukken:
het op 6 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 130,00, € 130,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
het op 6 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 697,73, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 21 augustus 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 27 januari 2026. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. T.C.M. Hendriks en mr. R.B.M. Poppelaars als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat de recente bestraffing van verzoeker hetzelfde feit betrof als waarvoor vervolging in de onderhavige zaak was ingesteld en er dus sprake was van ne bis in idem. Dit bleek eerst na bestudering van het onderhavige dossier. De rechtsbijstand heeft geleid tot het intrekken van de dagvaarding en seponeren van de zaak.
De officier van justitie heeft zich - gelet op de toelichting van de advocaat - ten aanzien van de verzochte vergoeding van de kosten rechtsbijstand op het standpunt gesteld dat deze geheel kan worden toegewezen. De verzochte vergoeding ex artikel 533 Sv dient te worden afgewezen nu verzoeker niet in verzekering is gesteld.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 21 augustus 2025 overgegaan tot een beleidssepot vanwege een recente bestraffing. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank maakt uit het raadkamerdossier op dat verzoeker op 30 okt 2024 te 13:32 uur is aangehouden, dat er om 14:30 uur een bevel ophouden is afgegeven en dat verzoeker vervolgens op 30 okt 2024 te 18:23 uur is heengezonden. Er is nimmer een bevel tot inverzekeringstelling gegeven en verzoeker heeft dus ook geen tijd in verzekering doorgebracht op het politiebureau. Nu er geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van schade als gevolg daarvan afwijzen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 697,73 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De advocaat heeft in raadkamer een nadere toelichting gegeven op de door hem geschreven tijd in verband met de strafzaak. De rechtbank acht het verzoek daarmee voldoende onderbouwd en zal de verzochte vergoeding toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv af;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.377,73, bestaande uit:
- € 697,73 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.377,73 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] , onder vermelding van “ [verzoeker] /OM vergoeding”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-118878-25
raadkamernummers : 25-028522 en 25-028521
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.B.M. Poppelaars advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt uit de volgende stukken:
het op 6 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 130,00, € 130,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
het op 6 november 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 697,73, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 21 augustus 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 27 januari 2026. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. T.C.M. Hendriks en mr. R.B.M. Poppelaars als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat de recente bestraffing van verzoeker hetzelfde feit betrof als waarvoor vervolging in de onderhavige zaak was ingesteld en er dus sprake was van ne bis in idem. Dit bleek eerst na bestudering van het onderhavige dossier. De rechtsbijstand heeft geleid tot het intrekken van de dagvaarding en seponeren van de zaak.
De officier van justitie heeft zich - gelet op de toelichting van de advocaat - ten aanzien van de verzochte vergoeding van de kosten rechtsbijstand op het standpunt gesteld dat deze geheel kan worden toegewezen. De verzochte vergoeding ex artikel 533 Sv dient te worden afgewezen nu verzoeker niet in verzekering is gesteld.
2De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 21 augustus 2025 overgegaan tot een beleidssepot vanwege een recente bestraffing. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank maakt uit het raadkamerdossier op dat verzoeker op 30 okt 2024 te 13:32 uur is aangehouden, dat er om 14:30 uur een bevel ophouden is afgegeven en dat verzoeker vervolgens op 30 okt 2024 te 18:23 uur is heengezonden. Er is nimmer een bevel tot inverzekeringstelling gegeven en verzoeker heeft dus ook geen tijd in verzekering doorgebracht op het politiebureau. Nu er geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank het verzoek tot vergoeding van schade als gevolg daarvan afwijzen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 697,73 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De advocaat heeft in raadkamer een nadere toelichting gegeven op de door hem geschreven tijd in verband met de strafzaak. De rechtbank acht het verzoek daarmee voldoende onderbouwd en zal de verzochte vergoeding toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv af;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.377,73, bestaande uit:
- € 697,73 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.377,73 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [stichting] , onder vermelding van “ [verzoeker] /OM vergoeding”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.