Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7274
2026-02-10
Strafrecht
25-026459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ongegrond. Klager geniet geen bescherming ogv art 3:86 lid 3 BW.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.586 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-026459
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1953,
wonende op het [woonadres] ,
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 14 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 18 september onder klager in beslag is genomen: een aanhanger voorzien van Belgische [kenteken] ( [VIN-nummer] ) (hierna: de aanhanger);
de reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager de in beslag genomen aanhanger op 3 december 2024 te goeder trouw heeft gekocht via [bedrijf] zonder wielen en verlichting. Na de aanhanger te hebben opgeknapt wilde klager deze laten keuren door de RDW voor aanvraag van een Nederlands kenteken. Na onderzoek bleek dat de aanhanger van diefstal afkomstig was. Klager was in de veronderstelling dat alles in orde was. Als hij had geweten dat de aanhanger gestolen was, had hij hem zeker niet gekocht. Mocht de aanhanger niet meer door de eigenaar worden opgehaald, dan wenst klager teruggave van de aanhanger dan wel de door hem aangebrachte onderdelen (4 wielen en verlichting).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert, maar dat teruggave niet aan klager, maar aan de redelijkerwijs als rechthebbende te beschouwen persoon terug moet worden gegeven, zijnde in dit geval de gemeente Essen. De aanhanger was gestolen in België en er bestaat een revindicatiemogelijkheid voor de (oorspronkelijke) eigenaar. De officier van justitie heeft begrip voor de situatie van klager, maar ziet geen andere mogelijkheid voor klager dan om zijn schade te verhalen bij de verkoper van de auto.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de aanhanger aan klager dient te worden teruggeven. Hoofdregel is immers dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Dat is slechts anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Uit het zich bij de stukken bevindende P-formulier volgt dat de aanhanger tussen 2 en 5 augustus 2024 is gestolen in Essen (België). Een eigenaar verliest zijn eigendomsrecht niet als zijn eigendom wordt gestolen. Op grond van artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan hij het gestolen goed gedurende drie jaren na de dag van de diefstal op te eisen van de persoon die het onder zich heeft. Dat geldt niet als er daarna sprake is geweest van een consumentenkoop. De aankoop via een veilinghouder, zoals klager heeft gedaan, valt daar niet onder. Nu klager niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-026459
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1953,
wonende op het [woonadres] ,
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 14 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 18 september onder klager in beslag is genomen: een aanhanger voorzien van Belgische [kenteken] ( [VIN-nummer] ) (hierna: de aanhanger);
de reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager de in beslag genomen aanhanger op 3 december 2024 te goeder trouw heeft gekocht via [bedrijf] zonder wielen en verlichting. Na de aanhanger te hebben opgeknapt wilde klager deze laten keuren door de RDW voor aanvraag van een Nederlands kenteken. Na onderzoek bleek dat de aanhanger van diefstal afkomstig was. Klager was in de veronderstelling dat alles in orde was. Als hij had geweten dat de aanhanger gestolen was, had hij hem zeker niet gekocht. Mocht de aanhanger niet meer door de eigenaar worden opgehaald, dan wenst klager teruggave van de aanhanger dan wel de door hem aangebrachte onderdelen (4 wielen en verlichting).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert, maar dat teruggave niet aan klager, maar aan de redelijkerwijs als rechthebbende te beschouwen persoon terug moet worden gegeven, zijnde in dit geval de gemeente Essen. De aanhanger was gestolen in België en er bestaat een revindicatiemogelijkheid voor de (oorspronkelijke) eigenaar. De officier van justitie heeft begrip voor de situatie van klager, maar ziet geen andere mogelijkheid voor klager dan om zijn schade te verhalen bij de verkoper van de auto.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de aanhanger aan klager dient te worden teruggeven. Hoofdregel is immers dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Dat is slechts anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Uit het zich bij de stukken bevindende P-formulier volgt dat de aanhanger tussen 2 en 5 augustus 2024 is gestolen in Essen (België). Een eigenaar verliest zijn eigendomsrecht niet als zijn eigendom wordt gestolen. Op grond van artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan hij het gestolen goed gedurende drie jaren na de dag van de diefstal op te eisen van de persoon die het onder zich heeft. Dat geldt niet als er daarna sprake is geweest van een consumentenkoop. De aankoop via een veilinghouder, zoals klager heeft gedaan, valt daar niet onder. Nu klager niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.