Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7272
2026-02-10
Strafrecht
25-025000
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ongegrond. Klager is gene rechthebbende.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BL2823 Hoge Raad 28-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.796 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-039956-25
raadkamernummer : 25-025000
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Irak),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. van 't Land advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: klaagster.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 12 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 1 augustus 2023 onder klaagster in het strafvorderlijk onderzoek tegen [persoon] in beslag is genomen: een Rolex-horloge (hierna: de Rolex);
de machtiging tot het als conservatoir handhaven van het beslag van 22 augustus 2023;
de kennisgeving machtiging conservatoir beslag aan [persoon] van 23 augustus 2023;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 15 januari 2026 en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. R. van 't Land als gemachtigd advocaat van klaagster, gehoord.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [persoon] .
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat bij beslissing van 21 februari 2025 de onderliggende strafzaak tegen verzoekster met parketnummer 02-039956-25 is geseponeerd. In verband met dit sepot heeft zij alle onder haar en/of aan haar gerelateerde geld en goederen terug ontvangen, behalve de Rolex. De politie denkt echter dat het horloge toebehoort aan [persoon] , zodat dit horloge op enig moment onder het beslag van [persoon] is gaan vallen. Klaagster is echter eigenaresse van de Rolex. Zij heeft in december 2022 de Rolex voor een bedrag van
€ 12.818,00 gekocht van [persoon] . Hiertoe heeft zij in december 2022 een contante aanbetaling gedaan van € 4.000,00. Het overige bedrag heeft zij in termijnen betaald. Zoals uit de bankafschriften blijkt, heeft zij in totaal € 7.218,00 overgemaakt vanaf haar privérekening en € 1.600,00 vanaf haar zakelijke rekening naar die van [persoon] . Dat er meer geld aan [persoon] is overgemaakt dan dat klaagster hem was verschuldigd had te maken met een vakantie van beiden. Tijdens die vakantie heeft [persoon] ook - met goedvinden van klaagster - de Rolex gedragen. Inmiddels is de relatie voorbij. Klaagster heeft door dit alles genoeg problemen gekregen en wenst enkel nog teruggave van de Rolex.
Belanghebbende [persoon] heeft in een schriftelijke verklaring aangegeven dat hij klaagster geld verschuldigd was en om die reden de Rolex aan haar heeft verkocht. Klaagster heeft
€ 4.000,00 contant aanbetaald en zou het resterende bedrag in termijnen voldoen. Zolang het bedrag nog niet was afbetaald mocht [persoon] met toestemming van klaagster de Rolex incidenteel lenen. Zo ook voor een reis naar Dubai met een vriend in april 2023, waarbij klaagster zich later ook zou aansluiten. [persoon] voelt zich bezwaard naar klaagster toe, omdat de Rolex nu in beslag is genomen en [persoon] niet de mogelijkheid heeft om klaagster terug te betalen. Hij verzoekt dan ook om de Rolex terug te geven aan klaagster.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de inhoud van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het niet buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar van het horloge moet worden aangemerkt. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De schriftelijke verklaring van belanghebbende [persoon] brengt de officier van justitie niet tot een ander standpunt.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In verband met een verdenking tegen [persoon] is de Rolex op 1 augustus 2023 onder klaagster ex artikel 94 Sv in beslag genomen bij een doorzoeking van de woning van klaagster op die datum. Thans rust er in de zaak tegen [persoon] nog enkel conservatoir beslag op de Rolex ter voldoening van een eventueel op te leggen geldboete, schadevergoedingsmaatregel en/of ontnemingsmaatregel. Dat volgt uit de machtiging van de rechter-commissaris van 22 augustus 2023. De rechtbank begrijpt hieruit dat het beslag op de Rolex ex artikel 94 Sv daarmee is komen te vervallen.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Indien een derde onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - zoals in onderhavig geval - stelt eigenaar te zijn en om teruggave van een in beslag genomen goed vraagt, dient de rechter te beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.
De rechtbank is van oordeel dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 1 augustus 2023 heeft een doorzoeking in de woning van klaagster plaatsgevonden in het kader van verdenking van haar toenmalige partner [persoon] van deelname aan een criminele organisatie (grootschalige helpdeskfraude). Daarbij is ook de Rolex in beslag genomen. Volgens klaagster heeft ze deze in december 2022 van verdachte [persoon] heeft overgekocht. Ter onderbouwing heeft ze een aantal bankafschriften overgelegd, waaruit de betaling van het horloge aan [persoon] zou moet blijken. Bij deze betalingen zijn geen specificaties/omschrijvingen geplaatst. Ook zou klaagster een contante aanbetaling van
€ 4.000,00 hebben gedaan. Dit kan zij verder niet met stukken onderbouwen. Voorts is er meer geld naar [persoon] overgemaakt dan klaagster aan hem was verschuldigd. Volgens klaagster en [persoon] is dit geld gebruikt voor een gezamenlijk vakantie naar Dubai, maar ook dit is niet nader onderbouwd. Uit onderzoek aan de telefoon van [persoon] volgt bovendien dat hij de Rolex op 14 april 2023 nog draagt als ware het zijn Rolex. Gelet hierop is op dit moment niet buiten redelijke twijfel dat klaagster als eigenaar van de Rolex moet worden aangemerkt. Dat wordt niet anders door de kort voor de raadkamer ingebrachte schriftelijke verklaring van verdachte [persoon] dat hij de Rolex nog (incidenteel) mocht dragen zolang klaagster haar betalingsverplichtingen aan hem nog niet had voldaan.
Het klaagschrift behoeft in het licht van het voorgaande geen verdere bespreking.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-039956-25
raadkamernummer : 25-025000
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Irak),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. van 't Land advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: klaagster.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 12 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 1 augustus 2023 onder klaagster in het strafvorderlijk onderzoek tegen [persoon] in beslag is genomen: een Rolex-horloge (hierna: de Rolex);
de machtiging tot het als conservatoir handhaven van het beslag van 22 augustus 2023;
de kennisgeving machtiging conservatoir beslag aan [persoon] van 23 augustus 2023;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 15 januari 2026 en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. R. van 't Land als gemachtigd advocaat van klaagster, gehoord.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [persoon] .
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat bij beslissing van 21 februari 2025 de onderliggende strafzaak tegen verzoekster met parketnummer 02-039956-25 is geseponeerd. In verband met dit sepot heeft zij alle onder haar en/of aan haar gerelateerde geld en goederen terug ontvangen, behalve de Rolex. De politie denkt echter dat het horloge toebehoort aan [persoon] , zodat dit horloge op enig moment onder het beslag van [persoon] is gaan vallen. Klaagster is echter eigenaresse van de Rolex. Zij heeft in december 2022 de Rolex voor een bedrag van
€ 12.818,00 gekocht van [persoon] . Hiertoe heeft zij in december 2022 een contante aanbetaling gedaan van € 4.000,00. Het overige bedrag heeft zij in termijnen betaald. Zoals uit de bankafschriften blijkt, heeft zij in totaal € 7.218,00 overgemaakt vanaf haar privérekening en € 1.600,00 vanaf haar zakelijke rekening naar die van [persoon] . Dat er meer geld aan [persoon] is overgemaakt dan dat klaagster hem was verschuldigd had te maken met een vakantie van beiden. Tijdens die vakantie heeft [persoon] ook - met goedvinden van klaagster - de Rolex gedragen. Inmiddels is de relatie voorbij. Klaagster heeft door dit alles genoeg problemen gekregen en wenst enkel nog teruggave van de Rolex.
Belanghebbende [persoon] heeft in een schriftelijke verklaring aangegeven dat hij klaagster geld verschuldigd was en om die reden de Rolex aan haar heeft verkocht. Klaagster heeft
€ 4.000,00 contant aanbetaald en zou het resterende bedrag in termijnen voldoen. Zolang het bedrag nog niet was afbetaald mocht [persoon] met toestemming van klaagster de Rolex incidenteel lenen. Zo ook voor een reis naar Dubai met een vriend in april 2023, waarbij klaagster zich later ook zou aansluiten. [persoon] voelt zich bezwaard naar klaagster toe, omdat de Rolex nu in beslag is genomen en [persoon] niet de mogelijkheid heeft om klaagster terug te betalen. Hij verzoekt dan ook om de Rolex terug te geven aan klaagster.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de inhoud van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het niet buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar van het horloge moet worden aangemerkt. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De schriftelijke verklaring van belanghebbende [persoon] brengt de officier van justitie niet tot een ander standpunt.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In verband met een verdenking tegen [persoon] is de Rolex op 1 augustus 2023 onder klaagster ex artikel 94 Sv in beslag genomen bij een doorzoeking van de woning van klaagster op die datum. Thans rust er in de zaak tegen [persoon] nog enkel conservatoir beslag op de Rolex ter voldoening van een eventueel op te leggen geldboete, schadevergoedingsmaatregel en/of ontnemingsmaatregel. Dat volgt uit de machtiging van de rechter-commissaris van 22 augustus 2023. De rechtbank begrijpt hieruit dat het beslag op de Rolex ex artikel 94 Sv daarmee is komen te vervallen.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Indien een derde onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - zoals in onderhavig geval - stelt eigenaar te zijn en om teruggave van een in beslag genomen goed vraagt, dient de rechter te beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.
De rechtbank is van oordeel dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 1 augustus 2023 heeft een doorzoeking in de woning van klaagster plaatsgevonden in het kader van verdenking van haar toenmalige partner [persoon] van deelname aan een criminele organisatie (grootschalige helpdeskfraude). Daarbij is ook de Rolex in beslag genomen. Volgens klaagster heeft ze deze in december 2022 van verdachte [persoon] heeft overgekocht. Ter onderbouwing heeft ze een aantal bankafschriften overgelegd, waaruit de betaling van het horloge aan [persoon] zou moet blijken. Bij deze betalingen zijn geen specificaties/omschrijvingen geplaatst. Ook zou klaagster een contante aanbetaling van
€ 4.000,00 hebben gedaan. Dit kan zij verder niet met stukken onderbouwen. Voorts is er meer geld naar [persoon] overgemaakt dan klaagster aan hem was verschuldigd. Volgens klaagster en [persoon] is dit geld gebruikt voor een gezamenlijk vakantie naar Dubai, maar ook dit is niet nader onderbouwd. Uit onderzoek aan de telefoon van [persoon] volgt bovendien dat hij de Rolex op 14 april 2023 nog draagt als ware het zijn Rolex. Gelet hierop is op dit moment niet buiten redelijke twijfel dat klaagster als eigenaar van de Rolex moet worden aangemerkt. Dat wordt niet anders door de kort voor de raadkamer ingebrachte schriftelijke verklaring van verdachte [persoon] dat hij de Rolex nog (incidenteel) mocht dragen zolang klaagster haar betalingsverplichtingen aan hem nog niet had voldaan.
Het klaagschrift behoeft in het licht van het voorgaande geen verdere bespreking.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.