Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7264
2026-08-07
Strafrecht
02-280086-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Terwijl zij onder invloed was van alcohol heeft zij tijdens een ruzie een mes gepakt en gebruikt. Haar toenmalige partner heeft hierdoor snijwonden op zijn armen en een grote steekwond bij zijn oksel opgelopen. Beroep op noodweer wordt verworpen nu verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen omdat een hevige gemoedsbeweging die de overschrijding heeft veroorzaakt niet aannemelijk is geworden. Oplegging van een gevangenisstraf van 44 dagen met aftrek van voorarrest. Deze gevangenisstraf is gelijk aan de duur van het voorarrest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.714 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-280086-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes in zijn arm te snijden en in zijn oksel te steken. Subsidiair is dit tenlastegelegd als mishandeling.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op basis van de verklaringen van verdachte, de verklaringen van aangever, het geconstateerde letsel en de video uit het dossier kan niet met zekerheid kan worden gezegd dat er sprake is van wettig en overtuigend bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Primair: poging zware mishandeling
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Aangever en verdachte zijn na een verbale ruzie in een fysieke worsteling terechtgekomen, waarbij aangever uiteindelijk verdachte bij haar haren heeft vastgepakt. Het dossier bevat een video waarop de verbale ruzie en een gedeelte van de worsteling is te zien en te horen. Verdachte verklaart dat zij, nadat aangever haar bij haar haren had gepakt, naar een mes op het aanrecht heeft gegrepen en aangever hiermee in de worsteling heeft geraakt. Door in die worsteling naar een mes te grijpen en dat te gebruiken om zich aan die worsteling te onttrekken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 september 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] meermalen met een mes in een arm heeft gesneden en met een mes in een oksel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, omdat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden wordt een beroep gedaan op noodweerexces.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie was er bij het vastpakken door aangever van het haar van verdachte inderdaad sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar lijf door aangever, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij heeft ze echter de grenzen van de proportionaliteit overschreden, zodat haar geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Die overschrijding is echter het gevolg geweest van een hevige gemoedstoestand, namelijk angst, die is veroorzaakt door de aanranding en eerder geweld van aangever tegen verdachte. Daardoor slaagt haar beroep op noodweerexces wel. De officier van justitie verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer?
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
Op zitting is het door verdachte gemaakte filmpje van de ruzie afgespeeld en daarbij heeft de tolk vertaald wat er wordt gezegd door verdachte en aangever. Verdachte heeft daarbij nadere vragen van de rechtbank beantwoord. Op basis van het filmpje en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte begint met schreeuwen tegen aangever en vervolgens een blikje naar hem gooit. Aangever zegt hierop meerdere keren: “kalm, kalm, blijf op afstand van mij”. Verdachte is degene die de eerste geweldshandeling verricht waarna de ruzie verder escaleert. Vervolgens mondt de ruzie uit in een fysieke worsteling, waarbij aangever verdachte bij haar haren vastpakt. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte waartegen zij zich mocht verdedigen. Aangever had deze handeling niet hoeven doen en had zich in de woning kunnen terugtrekken. Kennelijk ter verdediging grijpt verdachte naar een mes wat zich op het aanrecht bevindt en maakt hiermee zwaaiende bewegingen. Deze gekozen gedraging van verdachte – als verdedigingsmiddel – staat in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Door naar een mes te grijpen en hier zwaaiende bewegingen mee te maken heeft verdachte, gelet op de omstandigheden waarbinnen de worsteling plaatsvond, excessief gereageerd en de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Noodweerexces?
In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Ook dit beroep wordt verworpen.
Verdachte heeft verklaard dat zij angst had voor meer geweld van aangever. Op basis van het afgespeelde filmpje stelt de rechtbank vast dat aangever tot het moment dat hij de haren van verdachte vastpakt, geen fysiek geweld tegen haar heeft gebruikt. Daar kan haar angst voor meer geweld dan ook niet op gebaseerd zijn. Dat er in het verleden meer geweld heeft plaatsgevonden vanuit aangever is op basis van het dossier niet aannemelijk geworden. Dat betekent dat ook een hevige gemoedsbeweging die de overschrijding heeft veroorzaakt niet aannemelijk is geworden.
6De strafoplegging
6.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een straf conform voorarrest. Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie, heeft openheid van zaken gegeven, is in een veilig huis geplaatst in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en loopt bijna twee jaar later nog steeds in deze schorsing.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Terwijl zij onder invloed was van alcohol heeft zij tijdens een ruzie een mes gepakt en gebruikt. Haar toenmalige partner heeft hierdoor snijwonden op zijn armen en een grote steekwond bij zijn oksel opgelopen. Er kan van geluk worden gesproken dat het handelen van verdachte niet tot blijvend letsel heeft geleid. Volgens de verklaring van aangever zijn de wonden na een aantal weken genezen en was wat hem betreft vervolging van verdachte niet nodig. Hoewel de rechtbank daar begrip voor wil hebben, kan het handelen van verdachte niet straffeloos blijven.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarbij heeft verdachte twee jaar in een schorsingstoezicht gelopen en zich aan alle voorwaarden gehouden. Uit het reclasseringsrapport van 10 juli 2026 komt naar voren dat zij haar leven goed op orde heeft. Het risico op recidive wordt laag ingeschat en er worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Alles afwegende, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Hierdoor hoeft verdachte feitelijk niet meer naar de gevangenis.
7Wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 44 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter,
en mrs. L.W. Louwerse en C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-280086-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes in zijn arm te snijden en in zijn oksel te steken. Subsidiair is dit tenlastegelegd als mishandeling.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op basis van de verklaringen van verdachte, de verklaringen van aangever, het geconstateerde letsel en de video uit het dossier kan niet met zekerheid kan worden gezegd dat er sprake is van wettig en overtuigend bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Primair: poging zware mishandeling
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Aangever en verdachte zijn na een verbale ruzie in een fysieke worsteling terechtgekomen, waarbij aangever uiteindelijk verdachte bij haar haren heeft vastgepakt. Het dossier bevat een video waarop de verbale ruzie en een gedeelte van de worsteling is te zien en te horen. Verdachte verklaart dat zij, nadat aangever haar bij haar haren had gepakt, naar een mes op het aanrecht heeft gegrepen en aangever hiermee in de worsteling heeft geraakt. Door in die worsteling naar een mes te grijpen en dat te gebruiken om zich aan die worsteling te onttrekken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 september 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] meermalen met een mes in een arm heeft gesneden en met een mes in een oksel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, omdat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden wordt een beroep gedaan op noodweerexces.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie was er bij het vastpakken door aangever van het haar van verdachte inderdaad sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van haar lijf door aangever, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij heeft ze echter de grenzen van de proportionaliteit overschreden, zodat haar geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Die overschrijding is echter het gevolg geweest van een hevige gemoedstoestand, namelijk angst, die is veroorzaakt door de aanranding en eerder geweld van aangever tegen verdachte. Daardoor slaagt haar beroep op noodweerexces wel. De officier van justitie verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer?
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
Op zitting is het door verdachte gemaakte filmpje van de ruzie afgespeeld en daarbij heeft de tolk vertaald wat er wordt gezegd door verdachte en aangever. Verdachte heeft daarbij nadere vragen van de rechtbank beantwoord. Op basis van het filmpje en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte begint met schreeuwen tegen aangever en vervolgens een blikje naar hem gooit. Aangever zegt hierop meerdere keren: “kalm, kalm, blijf op afstand van mij”. Verdachte is degene die de eerste geweldshandeling verricht waarna de ruzie verder escaleert. Vervolgens mondt de ruzie uit in een fysieke worsteling, waarbij aangever verdachte bij haar haren vastpakt. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte waartegen zij zich mocht verdedigen. Aangever had deze handeling niet hoeven doen en had zich in de woning kunnen terugtrekken. Kennelijk ter verdediging grijpt verdachte naar een mes wat zich op het aanrecht bevindt en maakt hiermee zwaaiende bewegingen. Deze gekozen gedraging van verdachte – als verdedigingsmiddel – staat in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Door naar een mes te grijpen en hier zwaaiende bewegingen mee te maken heeft verdachte, gelet op de omstandigheden waarbinnen de worsteling plaatsvond, excessief gereageerd en de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Noodweerexces?
In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Ook dit beroep wordt verworpen.
Verdachte heeft verklaard dat zij angst had voor meer geweld van aangever. Op basis van het afgespeelde filmpje stelt de rechtbank vast dat aangever tot het moment dat hij de haren van verdachte vastpakt, geen fysiek geweld tegen haar heeft gebruikt. Daar kan haar angst voor meer geweld dan ook niet op gebaseerd zijn. Dat er in het verleden meer geweld heeft plaatsgevonden vanuit aangever is op basis van het dossier niet aannemelijk geworden. Dat betekent dat ook een hevige gemoedsbeweging die de overschrijding heeft veroorzaakt niet aannemelijk is geworden.
6De strafoplegging
6.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een straf conform voorarrest. Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie, heeft openheid van zaken gegeven, is in een veilig huis geplaatst in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en loopt bijna twee jaar later nog steeds in deze schorsing.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Terwijl zij onder invloed was van alcohol heeft zij tijdens een ruzie een mes gepakt en gebruikt. Haar toenmalige partner heeft hierdoor snijwonden op zijn armen en een grote steekwond bij zijn oksel opgelopen. Er kan van geluk worden gesproken dat het handelen van verdachte niet tot blijvend letsel heeft geleid. Volgens de verklaring van aangever zijn de wonden na een aantal weken genezen en was wat hem betreft vervolging van verdachte niet nodig. Hoewel de rechtbank daar begrip voor wil hebben, kan het handelen van verdachte niet straffeloos blijven.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarbij heeft verdachte twee jaar in een schorsingstoezicht gelopen en zich aan alle voorwaarden gehouden. Uit het reclasseringsrapport van 10 juli 2026 komt naar voren dat zij haar leven goed op orde heeft. Het risico op recidive wordt laag ingeschat en er worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Alles afwegende, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Hierdoor hoeft verdachte feitelijk niet meer naar de gevangenis.
7Wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 44 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter,
en mrs. L.W. Louwerse en C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2026.