Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7261

2026-07-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/424462 / FA RK 24-3184 en C/02/445423 / FA RK 26-1002
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/424462 / FA RK 24-3184 en C/02/445423 / FA RK 26-1002
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding, vaststelling zorgregeling. Geschil over vervoer minderjarigen. Vaststelling kinderbijdrage. Geschil over al dan niet rekening houden met IKB en fictieve verdiencapaciteit.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.864 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Middelburg


Zaaknummers: C/02/424462 / FA RK 24-3184 (echtscheiding)
C/02/445423 / FA RK 26-1002 (verdeling)


datum uitspraak: 6 juli 2026



beschikking betreffende echtscheiding



in de zaak van




[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. van der Sande te Goes,


en




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.X. Scholten te Vlissingen.


Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 9 juli 2024 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met bijlagen;
- het op 17 januari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 19 februari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- het (verkort) proces-verbaal van de regiezitting van 13 maart 2025;
- de regiebrief van de griffier van deze rechtbank aan mrs. Van der Sande en Scholten
van 12 januari 2026;
- de brief van mr. Scholten van 10 februari 2026;
- de brief van mr. Van der Sande van 10 februari 2026;
- de F-formulieren van mr. Van der Sande van 9 en 16 maart 2026 met daarbij gevoegd het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant;
- de brief van mr. Scholten van 29 mei 2026 tevens houdende een wijziging c.q. aanvulling van de verzoeken, met bijlagen;
- de brief van mr. Van der Sande van 5 juni 2026, met bijlagen;
- de brief van mr. Scholten van 9 juni 2026, met bijlagen;
- de brief van mr. Scholten van 11 juni 2026.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 15 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.


1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.



2De feiten


2.1
Partijen zijn op [datum] 2010 te [woonplaats 1] met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen.



2.2.
Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2014;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016.



2.3.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.






3De verzoeken


3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:


tussen partijen, op [datum] 2010 te [woonplaats 1] met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;


het (door partijen nog op te stellen) ouderschapsplan te waarmerken en aan de beschikking te hechten en indien geen ouderschapsplan kon worden overgelegd conform artikel 815 lid 6 Rv in een ouderschapsplan te voorzien waarbij in ieder geval wordt bepaald:



a. dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2014, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016, hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
b. welke zorgregeling het meest in het belang van de minderjarigen wordt geacht;
c. welke bijdrage de man aan de vrouw dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;

3. de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen overeenkomstig artikel 3: 85 lid 1 BW.



3.2.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw nu - na wijziging c.q. aanvulling van haar eerdere verzoeken bij brief van 29 mei 2026 - om bij beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:


tussen partijen de echtscheiding uit te spreken in het huwelijk gesloten op [datum] 2010 te [woonplaats 1] ;


te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;


een zorgregeling te bepalen waarbij:



a. [minderjarige 1] één weekend per maand bij de man verblijft van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur;
b. de man de vrouw minimaal aan het einde van het jaar informeert over zijn rooster en concrete beschikbaarheid;
c. [minderjarige 1] de helft van de zomervakantie bij de man verblijft en de overige vakanties, alsmede de andere helft van de zomervakantie bij de vrouw;
d. [minderjarige 2] gedurende één dag(deel) per maand bij de man verblijft;
e. de man in de schoolvakanties dagdelen activiteiten met [minderjarige 2] zal ondernemen;
f. de man de kinderen haalt en brengt;


te bepalen dat de man maandelijks € 345,= bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en maandelijks € 427,= bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] ;
het reeds overgelegde convenant aan de beschikking te hechten.




3.3.
De man voert geen verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar en tot aanhechting van het convenant aan deze beschikking en vraagt de rechtbank deze verzoeken toe te wijzen. Hij voert - gedeeltelijk - verweer tegen de door de vrouw verzochte zorgregeling en kinderbijdrage.



3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.






4De beoordeling



In zaaknummer C/02/424462 / FA RK 24-3184





Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)




4.1.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.



4.2.
Geen van partijen heeft een ouderschapsplan ingediend.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. Partijen zijn bij proces-verbaal van de regiezitting van 13 maart 2025 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om alsnog een ouderschapsplan in te dienen, maar zijn het tot op heden ten aanzien van met name de zorgregeling en de kinderbijdrage niet (volledig) met elkaar eens.



Echtscheiding





4.4.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit, zoals door beide partijen verzocht. De man stelt daartoe dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten.



Hoofdverblijf minderjarigen





4.5.
Beide partijen verzoeken de rechtbank te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben.



4.6.
De rechtbank zal het gelijkluidend verzoek van partijen als op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.



Verdeling zorg- en opvoedingstaken





4.7.
De rechtbank constateert op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht dat partijen het eens zijn over de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling):
- [minderjarige 1] verblijft één weekend per maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft (dus drie weken) van de zomervakantie bij de man;
- [minderjarige 2] verblijft op dit moment één dagdeel per maand bij de man en de man zal in de schoolvakanties dagdelen activiteiten met [minderjarige 2] ondernemen. Deze regeling zal stapsgewijs worden uitgebreid naar de hiervoor weergegeven zorgregeling zoals die voor [minderjarige 1] geldt, waarbij steeds aansluiting zal worden gezocht bij het tempo en de draagkracht van [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in de kerstvakantie op de dagen dat de man vrij is bij de man;
- de man zal de vrouw minimaal aan het einde van elk jaar informeren over zijn rooster en concrete beschikbaarheid.



4.8.
De rechtbank zal, mede gelet op het door de Raad tijdens de zitting naar voren gebrachte advies, de hiervoor weergegeven door partijen overeengekomen zorgregeling vaststellen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.



Halen en brengen minderjarigen





4.9.
In geschil is tussen partijen wie van hen dient zorg te dragen voor het halen en brengen van de minderjarigen in het kader van de zorgregeling.



4.10.
De man verzoekt te bepalen dat hij de kinderen op vrijdag bij de vrouw in [woonplaats 2] ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag bij hem in [woonplaats 1] ophaalt. Hij is van mening dat de verantwoordelijkheid van het halen en brengen van de kinderen gelijkelijk tussen partijen moet worden verdeeld, temeer nu het een keuze van de vrouw is geweest om met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 2] .



4.11.
De vrouw is het daar niet mee eens en verzoekt te bepalen dat de man het ophalen en terugbrengen van de kinderen volledig voor zijn rekening dient te nemen. Zij stelt dat sinds het contactherstel tussen de man en de minderjarigen (in ieder geval [minderjarige 1] ) de afspraak tussen partijen bestaat dat de man de kinderen ophaalt en thuisbrengt. De man heeft deze afspraak volgens de vrouw zelf in het leven geroepen en dit is altijd de situatie geweest. De vrouw stelt bovendien alle zorgtaken op zich te nemen en tegemoet gekomen te zijn aan de wens van de man om voor wat betreft de zorgregeling aan te sluiten bij zijn werkrooster, dit terwijl zij eigenlijk een vaste en regelmatigere structuur meer in het belang van de kinderen acht.



4.12.
De rechtbank is van oordeel dat de man het halen en brengen van de minderjarigen in het kader van de zorgregeling voor zijn rekening dient te (blijven) nemen en overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige 1] en op termijn ook [minderjarige 2] één weekend per maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven. Gelet op de reisafstand tussen partijen (de vrouw woont in [woonplaats 2] en de man in [woonplaats 1] ) betekent dit dat het voor de vrouw praktisch onuitvoerbaar is om een deel van het vervoer van de minderjarigen voor haar rekening te nemen. Op vrijdagmiddag is het voor de vrouw niet haalbaar om de minderjarigen tijdig, dus om 16.00 uur, bij de man in [woonplaats 2] af te zetten, omdat de kinderen op vrijdagmiddag eerst naar school gaan en als de vrouw de kinderen op zondagavond 19.00 uur bij de man in [woonplaats 1] zou moeten ophalen, zou dit betekenen dat de kinderen laat terug zijn in [woonplaats 2] en dus pas laat kunnen gaan slapen. Dit wordt, gelet op hun leeftijd en het feit dat zij de volgende dag weer naar school moeten, niet in hun belang geacht. Dat de vrouw de keuze heeft gemaakt om met de minderjarigen te verhuizen maakt niet dat, zoals de man stelt, de vrouw daarom gehouden is om een aandeel te leveren in het halen en brengen van de kinderen. De vrouw heeft deze beslissing immers pas genomen nadat de man haar toestemming had verleend om met de minderjarigen te verhuizen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de vaststelling van de overeengekomen zorgregeling bepalen dat de man dient zorg te dragen voor het ophalen en terugbrengen van minderjarigen.



Ouderschapsbemiddeling





4.13.
Het is de rechtbank op basis van de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken gebleken dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen dringend verbetering behoeft. De Raad heeft partijen tijdens de zitting geadviseerd Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) te vragen om de inzet van een ouderschapsbemiddelingstraject. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat partijen gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en verstandhouding. Tijdens de zitting hebben partijen zich daartoe, desgevraagd, ook bereid verklaard. De rechtbank verwacht dan ook van partijen dat zij hier gehoor aan zullen geven in die zin dat de vrouw (nu de kinderen op haar adres staan ingeschreven) zich zal wenden tot het CJG in haar woongemeente en dat ook de man zijn medewerking zal verlenen aan het door het CJG in te zetten hulpverleningstraject.



Kinderbijdrage





4.14.
De man verzoekt de rechtbank bij inleidend verzoekschrift te bepalen welke bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen hij aan de vrouw moet voldoen en concludeert nadien op basis van de door hem gemaakte draagkrachtberekeningen dat dit een bedrag van € 252,= per kind per maand dient te zijn. Dit bedrag sluit volgens de man ook aan bij de door partijen overeengekomen voorlopige kinderbijdrage.



4.15.
De vrouw verzoekt bij wege van zelfstandig verzoek te bepalen dat de man € 345,= per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en € 427,= per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] .



4.16.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van de verzoeken van partijen uit van de uitgangspunten zoals deze door de Expertgroep Alimentatienormen zijn geformuleerd in het zogenoemde Tremarapport. Daarbij wordt uitgegaan van afgeronde bedragen, tenzij anders aangegeven.



Ingangsdatum





4.17.
Partijen zijn het erover eens dat als ingangsdatum van de vast te stellen (definitieve) kinderbijdrage de datum van deze beschikking heeft te gelden, omdat zij in onderling overleg een voorlopige kinderbijdrage zijn overeengekomen en deze bijdrage tot op heden door de man aan de vrouw wordt betaald.



Behoefte minderjarigen





4.18.

Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen in 2024, zijnde het
jaar waarin partijen uit elkaar zijn gegaan, € 735,= per kind per maand bedroeg en dat deze
behoefte nu, na wettelijke indexeringen, € 819,= per kind per maand bedraagt. De rechtbank
zal hiervan uitgaan.




Draagkracht(-vergelijking) onderhoudsplichtigen





4.19.

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de
minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt
in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte
van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.
Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te
worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per
maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor
de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per
categorie van toepassing.




Draagkracht vrouw





4.20.
Voor de becijfering van het huidige NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van haar huidige lagere inkomen gebaseerd op een parttime factor van 66,67%. De vrouw werkte tijdens de samenleving van partijen nog 88,89%, maar stelt na het uiteengaan van partijen in overleg met de man minder te zijn gaan werken, omdat zij sindsdien alle zorg voor de kinderen draagt.



4.21.
De man stelt daarentegen dat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van een fictieve verdiencapaciteit van ten minste € 60.000,= per jaar, zijnde een bedrag gelijk aan het inkomen dat de vrouw volgens de jaaropgave in het jaar 2024 had. Volgens de man kunnen de financiële gevolgen van de vrijwillige keuze van de vrouw om minder te gaan werken niet ten laste van hem worden gebracht. De man begrijpt dat de vrouw haar werk volledig, dan wel grotendeels vanuit huis verricht. Daarnaast zijn de kinderen schoolgaand. De man ziet dan ook geen objectieve belemmeringen die een vermindering van haar arbeidsomvang noodzakelijk maken.



4.22.
Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank niet alleen in aanmerking wat zij feitelijk verdient, maar ook wat zij redelijkerwijs zou kunnen verdienen. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw geen hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend dan het inkomen dat zij op dit moment daadwerkelijk verwerft op basis van haar parttime dienstverband van 24 uur per week (parttime factor 66,67%). Dat de vrouw na het feitelijk uiteengaan van partijen minder is gaan werken is een gevolg van de manier waarop partijen sinds hun feitelijk uiteengaan invulling geven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De verzorging en opvoeding van de minderjarigen rust op dit moment op doordeweekse dagen volledig op de schouders van de vrouw. Dit betekent dat de vrouw op die dagen zorg draagt voor alle schoolse én buitenschoolse activiteiten van de kinderen. Daarbij komt dat de vrouw nog steeds werkzaam is in [woonplaats 1] en, anders dan door de man gesteld, maar een halve dag per week mag thuiswerken. De rechtbank acht het dan ook voorstelbaar dat de vrouw in verband met de opvang van de minderjarigen structureel een beroep moet doen op derden. Zij kan vanwege de reisafstand tussen partijen immers niet meer terugvallen op de man. De rechtbank is van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij, zoals zij voor het feitelijk uiteengaan van partijen deed, weer 88,89% gaat werken. Wellicht is dit anders op het moment dat de vrouw, zoals zij wenst, een baan heeft gevonden in haar huidige woonomgeving. Mocht de situatie van de vrouw in dat geval zodanig wijzigen dat zij weer meer uren kan werken dan is het aan (de advocaten van) partijen om te zijner tijd aan de hand van de overige in deze beschikking neergelegde financiële uitgangspunten een herberekening te maken van de draagkracht van de vrouw.



4.23.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van haar huidige inkomen gebaseerd op haar dienstverband met een parttime factor van 66,67%, zijnde blijkens de overgelegde salarisstroken over de maanden januari t/m maart 2026, € 3.702,85 bruto per maand.



4.24.

Ook over de wijze waarop het Individueel Keuzebudget (IKB) in relatie tot de vakantietoeslag in de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden betrokken zijn partijen het niet eens. De man stelt dat uit de loonstroken blijkt dat het opgebouwde IKB aan de vrouw wordt uitbetaald en het inkomen van de vrouw daarom moet worden opgehoogd met het door de vrouw volledige en daadwerkelijk ontvangen IKB. Verder maakt volgens de man de vakantietoeslag onderdeel uit van het IKB, met welke inkomenscomponent volgens hem in ieder geval rekening moet worden gehouden.
De vrouw stelt daarentegen dat bij de vaststelling van haar draagkracht geen rekening moet worden gehouden met het IKB, omdat zij van het door haar opgebouwde IKB verlofdagen koopt.




4.25.

De rechtbank overweegt als volgt. Het IKB is een percentage van het salaris en wordt iedere salarisperiode opgebouwd. De werknemer kan min of meer vrij over dit budget beschikken. Een deel van het budget kan worden gebruikt voor bijvoorbeeld extra vrije dagen of het budget wordt uitgekeerd als extra loon. Het (deel van het) budget wat als loon wordt uitbetaald wordt in principe als bruto inkomen meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat zij het volledig bedrag aan opgebouwde IKB besteed aan het kopen van verlofdagen. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank dan ook rekening houden met het bedrag aan IKB dat aan de vrouw is uitgekeerd als extra loon. Blijkens de overgelegde salarisstroken heeft de vrouw in januari 2026 geen bedrag aan IKB ontvangen, is er aan haar in februari 2026 een bedrag van
€ 1.149,= aan IKB uitgekeerd en heeft zij in maart 2026 voor een bedrag van € 708,39 aan IKB besteed aan het kopen van verlofdagen. Dit betekent dat de vrouw in het eerste kwartaal van 2026 een bedrag van € 1.049,= aan IKB uitgekeerd heeft gekregen. De rechtbank zal dit bedrag, bij gebrek aan verdere stukken over de besteding van het IKB, extrapoleren naar een heel jaar. Dit resulteert er in dat rekening wordt gehouden met een bedrag aan uitgekeerde IKB van € 4.196,= bruto per jaar. Blijkens de salarisstroken is de (opbouw van de) vakantietoeslag, zoals doorgaans gebruikelijk, inbegrepen bij het IKB. Het bruto maandinkomen wordt dan ook niet opgehoogd met de vakantietoeslag zoals - naar de rechtbank begrijpt - door de advocaat van de man is betoogd, omdat er dan een dubbeltelling zou ontstaan.




4.26.

De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.115,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.996,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule
€ 1.002,= per maand.




Draagkracht man





4.27.
In geschil is tussen partijen op basis van welke stukken de draagkracht van de man moet worden berekend. De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de overgelegde salarisstroken over de maanden april en mei 2026, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat de jaaropgave 2025 een beter beeld geeft van zijn volledige jaarinkomen.



4.28.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man - gelet op het feit dat hij in ploegendienst werkt en blijkens de salarisstroken soms ook overuren maakt waardoor zijn inkomen maandelijks fluctueert - uitgaan van de jaaropgave 2025, nu dit een volledig(er) beeld geeft van het jaarinkomen van de man. Volgens de jaaropgave 2025 bedraagt het bruto jaarsalaris van de man € 69.292,=. Voor het overige zal de rechtbank de door de man bij brief van 5 juni 2026 als bijlage C overgelegde draagkrachtberekening volgen, omdat de vrouw deze berekening verder niet heeft weersproken. Uit deze berekening volgt een NBI van € 4.058,= per maand en een draagkracht van 1.033,= per maand. De rechtbank constateert overigens dat deze uitkomst niet veel verschilt van de door de vrouw aan de hand van de recente salarisstroken berekende draagkracht van de man.



4.29.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de man het halen en
brengen van de minderjarigen in het kader van de zorgregeling voor zijn rekening dient te
(blijven) nemen. De man is van mening dat er bij het bepalen van zijn draagkracht daarom rekening moet worden gehouden met een deel van de reiskosten, namelijk de kosten van een retour [woonplaats 1] - [woonplaats 2] per omgangsweekend, nu dat het aandeel is dat de vrouw zou moeten dragen. De vrouw betwist dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met een deel van de reiskosten. De man heeft volgens de vrouw een royaal inkomen, maakt amper kosten voor de kinderen en de zorgkorting waarop de man aanspraak kan maken ten opzichte van het minimale contact dient voldoende te zijn om de kosten te dekken. De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening moet worden gehouden met een deel van de reiskosten die de man maakt in verband met het ophalen en terugbrengen van de minderjarigen in het kader van de
zorgregeling. De vrouw is met toestemming van de man met de minderjarigen verhuisd van

[woonplaats 1] naar [woonplaats 2] . Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij meerdere pogingen heeft
gedaan om de man ook na de verhuizing meer betrokken te laten zijn bij en een grotere rol te
laten vervullen in het leven van de kinderen, hetgeen op een of andere manier niet is gelukt.
Dat dit niet is gelukt is een verantwoordelijkheid van beide ouders en kan niet alleen de
vrouw worden verweten. Omdat de vrouw de kinderen niet brengt naar of ophaalt bij de man
door een omstandigheid die in de risicosfeer van beide ouders ligt, zal de rechtbank bij de
berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met (een deel van) de
reiskosten die de man maakt.




Draagkrachtvergelijking





4.30.

De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan
berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht
vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.033 / € 2.035 x € 1.638 = € 831,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.002 / € 2.035 x € 1.638 = € 807,=




Zorgkorting





4.31.
De man maakt voor beide kinderen aanspraak op een zorgkorting van 15% op de door hem verschuldigde kinderbijdrage, omdat volgens hem voor beide kinderen als uitgangspunt geldt een zorgregeling van één weekend per maand. Dat deze regeling ten aanzien van [minderjarige 2] in de praktijk niet volledig kan worden gerealiseerd, kan hem - zo stelt de man - niet worden aangerekend. De man stelt voor beide kinderen zijn woning, voorzieningen en beschikbaarheid in stand te houden en ook kosten te maken die samenhangen met de overeengekomen zorgregeling.



4.32.
De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar. Zij kan zich vinden in een zorgkorting van 15% ten behoeve van [minderjarige 1] , maar vindt dat er ten behoeve van [minderjarige 2] rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 5%, omdat [minderjarige 2] maar één dagdeel per maand met de man doorbrengt. Volgens de vrouw onderbouwt de man niet welke kosten hij voor [minderjarige 2] heeft, nu zij nooit bij hem overnacht en nooit in zijn woning verblijft.



4.33.
De rechtbank overweegt als volgt. Het zorgkortingspercentage waarop een onderhoudsplichtige aanspraak kan maken is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn/haar hoofdverblijf heeft. Voor wat betreft [minderjarige 1] zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 15% nu partijen het daarover eens zijn gezien de voor hem overeengekomen zorgregeling. Omdat [minderjarige 2] op dit moment maar één dagdeel per maand met de man doorbrengt, niet bij de man overnacht, niet in zijn woning verblijft en op dit moment nog niet valt te voorzien op welke termijn de voor [minderjarige 1] geldende zorgregeling ook voor haar zal gelden, zal de rechtbank voor wat betreft [minderjarige 2] op dit moment uitgaan van een zorgkorting van 5%. Het is aan (de advocaten van) partijen om in geval van structurele uitbreiding van de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] te zijner tijd aan de hand van de overige in deze beschikking neergelegde financiële uitgangspunten een herberekening te maken van de door de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderbijdrage.



4.34.

Nu de behoefte van de minderjarigen € 819,= per kind per maand bedraagt, beloopt
de zorgkorting ten behoeve van [minderjarige 1] een bedrag van € 123,= en de zorgkorting ten behoeve
van [minderjarige 2] een bedrag van € 41,= per maand.




Conclusie





4.35.

Het aandeel van de man wordt verminderd met deze bedragen, zodat de man ten
behoeve van [minderjarige 1] € 292,50 per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] € 374,50 per maand als
kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank zal deze bijdragen vaststellen
met ingang van de datum van deze beschikking, dit onder afwijzing van het meer of anders
verzochte.




Aanhechten berekening





4.36.

De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een
gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en
maakt daarvan deel uit.




In zaaknummer C/02/ 445423 / FA RK 26-1002





Verdeling





4.37.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de door hen in onderling overleg gemaakte afspraken vastgelegd in een door de vrouw op 5 maart 2026 en een door de man op 9 maart 2026 ondertekend convenant. Partijen hebben, zo hebben zij tijdens de zitting verklaard, inmiddels ook al uitvoering gegeven aan de door hen in het convenant opgenomen onderlinge regelingen.



4.38.
Gelet op het voorgaande heeft de man naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij zijn verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.



Aanhechten convenant





4.39.
De vrouw verzoekt het door partijen overeengekomen convenant aan de beschikking te hechten. De man heeft ingestemd met dit verzoek.



4.40.
De rechtbank zal overeenkomstig het niet weersproken verzoek van de vrouw het convenant aan de beschikking hechten.






5De beslissing


De rechtbank:




in zaaknummer C/02/ 424462 / FA RK 24-3184:




5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2010 te [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;



5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2014, en
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;



5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- [minderjarige 1] verblijft één weekend per maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft (dus drie weken) van de zomervakantie bij de man;
- [minderjarige 2] verblijft op dit moment één dagdeel per maand bij de man en de man zal in de schoolvakanties dagdelen activiteiten met [minderjarige 2] ondernemen. Deze regeling zal stapsgewijs worden uitgebreid naar de hiervoor weergegeven zorgregeling zoals die voor [minderjarige 1] geldt, waarbij steeds aansluiting zal worden gezocht bij het tempo en de draagkracht van [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in de kerstvakantie op de dagen dat de man vrij is bij de man;
- de man zal de vrouw minimaal aan het einde van elk jaar informeren over zijn rooster en concrete beschikbaarheid;
- de man zal de minderjarigen bij de vrouw ophalen en naar haar terugbrengen;



5.4.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2014, een bedrag van € 292,50 per maand en ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016, een bedrag van € 374,50 per maand;



5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.



in zaaknummer C/02/ 445423 / FA RK 26-1002:





5.6.
wijst het verzoek van de man tot verdeling van de huwelijksgemeenschap af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.




Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.