Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7259

2026-07-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/440971 FA RK 25-5346
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/440971 FA RK 25-5346
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie; verdeling draagkracht over alle kinderen alimentatieplichtige.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.832 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/440971 FA RK 25-5346


datum uitspraak: 6 juli 2026



beschikking betreffende levensonderhoud



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Elias,


en




[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.M.M. Molkenboer.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 9;
- het op 22 december 2025 ontvangen verweerschrift met producties 1 en 2;
- het F9-formulier van 19 mei 2026 van mr. Elias met producties 10 tot en met 17;
- de brief van 22 mei 2026 van mr. Molkenboer met producties 3 tot en met 11;
- de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Elias overgelegde alimentatieberekeningen.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 4 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.



2De feiten


2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad van mei 2020 tot februari 2023. Partijen hebben met elkaar samengeleefd;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022;
- het hoofdverblijf van de kinderen is bij de vrouw;
- de kinderen zijn door de man erkend;
- de vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen;
- uit een latere relatie tussen de man en mevrouw [persoon 1] is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 te [geboorteplaats] .



2.2
Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen moet voldoen.





3Het verzoek van de vrouw


De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man voor de minderjarige kinderen te betalen onderhoudsbijdrage van € 385,00 per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 30 september 2025, althans per de datum van indiening van het verzoekschrift.





4De beoordeling



Grondslag verzoek vaststelling alimentatie




4.1
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarige kinderen van partijen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.



Ingangsdatum





4.2
De vrouw verzoekt de rechtbank primair om de onderhoudsbijdrage met ingang 30 september 2025 vast te leggen. Op deze datum ontving de man een brief van de vrouw waarin zij de man verzocht zijn inkomensgegevens te verstrekken om te kunnen onderzoeken of de man in staat is een onderhoudsbijdrage voor de kinderen te betalen. Subsidiair verzoekt de vrouw de onderhoudsbijdrage in te laten gaan per de datum van indiening van het verzoekschrift.



4.3
De man heeft ter zitting aangevoerd dat in de brief van 30 september 2025 enkel werd gevraagd om zijn financiële gegevens en dat hij op dat moment dus nog geen rekening kon houden met een substantiële kinderalimentatie. De man wil dat de kinderalimentatie ingaat op de datum van de beschikking en subsidiair op de datum van indiening van het verzoekschrift.



4.4

De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage laten ingaan op 18 oktober 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een onderhoudsbijdrage. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de man niet vanaf het moment van ontvangst van de brief van de advocaat al rekening te houden met een onderhoudsbijdrage omdat deze op dat moment eerst nog moest worden berekend. In de brief van 30 september 2025 wordt alleen gevraagd om inkomensgegevens te verstrekken zodat een berekening kon worden gemaakt. Niet blijkt dat de vrouw haar inkomensgegevens op dat moment ook heeft verstrekt zodat het voor de man zelf mogelijk was een berekening te maken.

Uitgangspunten





4.5
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.



Behoefte





Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]





4.6.

Tussen partijen staat vast dat de totale behoefte van de minderjarige kinderen in 2022, uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van € 4.719,00, een bedrag van € 1.065,00 per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 is dat (afgerond)
€ 1.245,00 per maand en geïndexeerd naar 2026 komt dat op een bedrag van (afgerond) €1.303,00 per maand.




Behoefte [minderjarige 3]





4.7.
Nu de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] , is het van belang dat ook zijn behoefte wordt vastgesteld om te kunnen bepalen hoe de draagkracht van de man moet worden verdeeld over de kinderen ten aanzien van wie hij onderhoudsplichtig is.



4.8.

Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 3] is het huidige netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en mevrouw [persoon 1] relevant. De man heeft een berekening overgelegd van het NBGI van de man en mevrouw [persoon 1] . Het NGBI is volgens de berekening € 5.643,00, bestaande uit een netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man van € 3.347,00 en een NBI van mevrouw [persoon 1] van € 2.296,00. De daaruit voorvloeiende behoefte van [minderjarige 3] is in 2025 € 764,00 per maand en in 2026 € 799,00 per
maand. De vrouw heeft het NBGI en de behoefte niet betwist, zodat de rechtbank van de berekening van de man uitgaat.




Draagkracht





4.9.
De rechtbank berekent de draagkracht van partijen over twee perioden. De periode van 18 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 en vanaf 1 januari 2026. De vrouw heeft sinds 1 januari 2026 een nieuwe baan met een aanzienlijk hoger inkomen. Deze wijziging in inkomen rechtvaardigt een nieuwe berekening voor de onderhoudsbijdrage vanaf 1 januari 2026.



Draagkracht vrouw - periode 18 oktober 2025 tot en met 31 december 2025





4.10.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de vrouw kan worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. Daaruit blijkt een bruto jaarinkomen van € 37.491,00, verminderd met een bedrag van € 6.301,00 in verband met de bijtelling van de auto van de zaak. Het inkomen van de vrouw waarmee in de alimentatieberekening rekening wordt gehouden is € 31.190,00. Het NBI van de vrouw komt dan uit op € 3.206,00 per maand. Hierin is ook een bedrag van € 7.766,00 per jaar aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop opgenomen.



4.11.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 654,00 per maand.



Draagkracht vrouw - vanaf 1 januari 2026





4.12.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de vrouw kan worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties februari en maart 2026. De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties een inkomen van € 3.148,71 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een dertiende maand van € 262,29 per maand. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 7.812,00 op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 3.703,00 per maand.



4.13.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 859,00 per maand.



Draagkracht man - periode 18 oktober 2025 tot en met 31 december 2025





4.14.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de man kan worden uitgegaan van de door de man overgelegde jaaropgave 2025. Daaruit blijkt een bruto jaarinkomen van € 52.845,00. Rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen komt het NBI dan uit op € 3.347,00 per maand.



4.15.
De man stelt dat daarop naast de woonlast ook een extra last van € 250,00 per maand in mindering moet worden gebracht. Deze last ziet op de aflossing van een tweetal schulden; een schuld bij mevrouw [persoon 2] en een schuld bij de Belastingdienst. De man licht toe dat hij geld heeft geleend bij mevrouw [persoon 2] om een aantal kleinere schulden ineens af te lossen. De man verwijst naar de leningsovereenkomst van 6 mei 2026 tussen hem en mevrouw [persoon 2] waaruit een aflossingsverplichting van € 150,00 per maand blijkt. Verder voert de man aan dat hij voor de schuld bij de Belastingdienst in overleg is over een betalingsregeling.



4.16.
De vrouw voert aan dat met de aflossing van de schulden van de man geen rekening gehouden moet worden in de alimentatieberekening. Ten tijde van het uiteengaan van partijen waren er geen schulden. De schulden zijn dus later ontstaan. Verder worden de schulden op geen enkele wijze onderbouwd. Er is enkel een lijstje overgelegd waarop een aantal schuldeisers staat vermeld. De onderbouwing van dit lijstje ontbreekt. Verder blijkt ook niet dat de gestelde kleinere schulden inderdaad zijn afgelost en dat de geldleningsovereenkomst met mevrouw [persoon 2] , volgens de vrouw de huidige partner van de man, daaruit is voortgekomen. Ook de schuld aan de Belastingdienst is niet onderbouwd. De man had deze gemakkelijk kunnen onderbouwen met bijvoorbeeld een aanslag en een bewijs dat die nog niet betaald is. Als laatste werpt de vrouw de vraag op of de schulden van de man prioriteit zouden moeten hebben boven het betalen van kinderalimentatie.



4.17.
De rechtbank oordeelt dat de man het bestaan van de schulden en een daaruit voortvloeiende aflossingsverplichting onvoldoende heeft onderbouwd en zal daarom geen rekening houden met een extra last van € 250,00 per maand. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt welke schulden met de geldlening bij mevrouw [persoon 2] zouden zijn afgelost. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van niet vermijdbare en niet verwijtbare schulden. De schuld bij de Belastingdienst is in het geheel niet onderbouwd, zodat ook daar geen rekening met mee gehouden zal worden.



4.18.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 723,00 per maand.



Draagkracht man – vanaf 1 januari 2026





4.19.

Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de man kan worden uitgegaan van de door de man overgelegde jaaropgave 2025, nu over 2026 geen gegevens bekend zijn. Zoals ook uit rechtsoverweging 4.14 volgt, betekent dit dat de rechtbank uitgaat van een bruto jaarinkomen in 2025 van € 52.845,00. Op de berekening worden wel de tarieven voor de eerste helft van 2026 toegepast. Rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen komt het NBI dan uit op
€ 3.379,00 per maand.




4.20.
Ook voor het jaar 2026 stelt de man zich op het standpunt dat rekening gehouden moet worden met een extra last van € 250,00 per maand. De rechtbank zal dan niet doen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daarover heeft opgemerkt onder rechtsoverwegingen 4.15 tot en met 4.17.



4.21.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 700,00 per maand.



Verdeling van de draagkracht





4.22.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht de draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen tussen de kinderen waarvoor hij draagplichtig is. De man heeft betoogd dat de verdeling naar rato van de behoefte van de kinderen moet omdat de behoefte van [minderjarige 3] aanzienlijk hoger is.



4.23.
De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven. Een van die bijzondere omstandigheden kan zijn dat er een duidelijk verschil in behoefte bestaat.



4.24.
De draagkracht van de man is onvoldoende om in de behoefte van de drie kinderen te voorzien. De behoefte van [minderjarige 3] is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk groter dan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Toch ziet de rechtbank daar in dit geval geen aanleiding in om af te wijken van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt van gelijke verdeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man namelijk verteld dat hij geen alimentatie betaalt voor [minderjarige 3] maar dat hij ongeveer € 150,00 à € 200,00 per maand aan kosten vergoedt. Een gelijke verdeling van de draagkracht leidt in 2025 tot een draagkracht per kind per maand van € 241,00 en in 2025 van € 233,33. Dat bedrag is hoog genoeg om de maandelijkse kosten die de man momenteel voor [minderjarige 3] bijdraagt, te blijven voldoen. De rechtbank zal dus uitgaan van een gelijke verdeling van de draagkracht van de man over de drie kinderen.



Draagkrachtvergelijking





Periode 18 oktober 2025 tot en met 31 december 2025





4.25.

Een draagkrachtvergelijking voor 2025 blijft achterwege omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen voor de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te weten € 1.136,00 (vrouw:
€ 654,00 + man: € 482,00) per maand, lager is dan de (totale) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van
€ 1.245,00 per maand. Het (totale) tekort aan draagkracht is dus € 109,00 per maand.




4.26.
Dit betekent dat het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 482,00 per maand bedraagt. Concreet betekent dit een bedrag van € 241,00 per maand per kind.



Vanaf 1 januari 2026





4.27.
Vanaf 1 januari 2026 is de (totale) behoefte van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.303,00. De totale draagkracht van de man en de vrouw is € 1.325,67 (vrouw: € 859,00 + man: € 466,67). Nu blijkt dat volledig in de behoefte kan worden voldaan zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken.



4.28.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de vrouw met € 844,00 per maand en de man met € 459,00 per maand moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Concreet betekent dit een bedrag van € 229,50 per maand per kind.



Zorgkorting





4.30.
De man meent dat er een zorgkorting van 5% moet worden toegepast, omdat op deze manier de omgang tussen hem en de kinderen wordt aangemoedigd. In een eerdere procedure heeft de man aangegeven geen omgang te willen om de strijd met de vrouw te stoppen maar nu staat hij weer open voor contact. De vrouw meent dat er geen rekening gehouden moet worden met zorgkorting omdat er geen enkel contact is tussen de man en de kinderen. Als de man omgang wenst, dan had hij hier al eerder de advocaat van de vrouw over kunnen aanschrijven. Dit is niet gebeurd.



4.31.
De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Er is op dit moment geen omgang tussen de man en de kinderen wat betekent dat hij hier ook geen kosten voor maakt. Aan het argument van de man dat op deze wijze de omgang tussen de man en de kinderen wordt aangemoedigd gaat de rechtbank voorbij. De man heeft geen verzoek ingediend om het contact met de kinderen te herstellen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de man concrete plannen heeft op korte termijn het contact met de kinderen te herstellen.



Conclusie





4.32.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat de man in de periode 18 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 een bedrag van € 241,00 per maand per kind moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vanaf 1 januari 2026 moet de man bijdragen met een bedrag van € 229,50 per maand per kind.



Berekeningen





4.33.
De rechtbank heeft een (nieuwe) berekening gemaakt van de draagkracht van de vrouw voor het jaar 2026. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
bepaalt dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022;
met ingang van 18 oktober 2025 wordt vastgesteld op € 241,00 (tweehonderdeenenveertig euro) per maand per kind en vanaf 1 januari 2026 op € 229,50 (tweehonderdnegenentwintig euro en vijftig eurocent) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;



5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is afgegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.




Mededeling van de griffier

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.











Paragraaf 4.6. Rapport Alimentatienormen 2025


HR 13 december 1991, NJ 1992, 178, HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314 en HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480.