Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7223
2026-07-29
Bestuursrecht
26/258
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WVW. Opleggen Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA). Mondelinge uitspraak. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2018:3715 Raad van State 14-11-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.690 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/258 WVW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde verplichting om deel te nemen aan de cursus Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA).
1.1.
Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de opgelegde verplichting gebleven.
1.2.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens het CBR [gemachtigde] . Eiser was niet aanwezig.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Het CBR is bevoegd om een EMA-maatregel of een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. Voor het opleggen van de verplichting om hieraan mee te werken, moet voor het CBR op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast komen staan dat de betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.
2.1.
Eiser betwist niet dat hij alcohol had gedronken en dat er bij hem op 23 maart 2025 een ademalcoholgehalte van 540 μg/l is gemeten. Hij betwist wel dat hij onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd.
2.2.
De conclusie van het CBR is gebaseerd op de gegevens uit het politieonderzoek. Er is een getuige die verklaart dat er één persoon in de auto zat, op de bestuurdersstoel, die via het raam aan de bestuurderskant uit de auto is geklommen. De getuige heeft deze persoon zien weglopen in de richting van [woonplaats] . Vervolgens heeft de politie eiser lopend aangetroffen in de richting van [woonplaats] . De beschrijving van de politie komt grotendeels overeen met het signalement dat de getuige had gegeven. Dat details uit het signalement afwijken, is geen reden om eraan te twijfelen dat eiser degene is die de getuige achter het stuur heeft zien zitten. Op basis van deze feiten mocht het CBR concluderen dat voldoende vaststaat dat eiser onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd. Wat eiser daar tegenover heeft gesteld geeft onvoldoende aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat de bijrijderszijde ook dermate beschadigd was dat de deur niet meer bruikbaar was, blijkt uit niets. De enkele verklaring van eiser dat hij niet heeft gereden is onvoldoende. Tot op heden heeft hij ook niet verklaard wie dan wel gereden heeft of een andere plausibele verklaring voor de gang van zaken gegeven. Het CBR heeft dan ook terecht aan eiser een EMA-cursus opgelegd.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Dat is geregeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3715.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/258 WVW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde verplichting om deel te nemen aan de cursus Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA).
1.1.
Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de opgelegde verplichting gebleven.
1.2.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens het CBR [gemachtigde] . Eiser was niet aanwezig.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Het CBR is bevoegd om een EMA-maatregel of een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. Voor het opleggen van de verplichting om hieraan mee te werken, moet voor het CBR op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast komen staan dat de betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.
2.1.
Eiser betwist niet dat hij alcohol had gedronken en dat er bij hem op 23 maart 2025 een ademalcoholgehalte van 540 μg/l is gemeten. Hij betwist wel dat hij onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd.
2.2.
De conclusie van het CBR is gebaseerd op de gegevens uit het politieonderzoek. Er is een getuige die verklaart dat er één persoon in de auto zat, op de bestuurdersstoel, die via het raam aan de bestuurderskant uit de auto is geklommen. De getuige heeft deze persoon zien weglopen in de richting van [woonplaats] . Vervolgens heeft de politie eiser lopend aangetroffen in de richting van [woonplaats] . De beschrijving van de politie komt grotendeels overeen met het signalement dat de getuige had gegeven. Dat details uit het signalement afwijken, is geen reden om eraan te twijfelen dat eiser degene is die de getuige achter het stuur heeft zien zitten. Op basis van deze feiten mocht het CBR concluderen dat voldoende vaststaat dat eiser onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd. Wat eiser daar tegenover heeft gesteld geeft onvoldoende aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat de bijrijderszijde ook dermate beschadigd was dat de deur niet meer bruikbaar was, blijkt uit niets. De enkele verklaring van eiser dat hij niet heeft gereden is onvoldoende. Tot op heden heeft hij ook niet verklaard wie dan wel gereden heeft of een andere plausibele verklaring voor de gang van zaken gegeven. Het CBR heeft dan ook terecht aan eiser een EMA-cursus opgelegd.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Dat is geregeld in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3715.