Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7180

2026-08-05 Bestuursrecht BRE 25/3573 en 25/3681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
BRE 25/3573 en 25/3681
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De afwijzing van de aanvraag om extra geweldsmiddelen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen | Noodzaakcriterium | Adviezen van de toezichthouders

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.155 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Bestuursrecht


zaaknummers: BRE 25/3573 en 25/3681


uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaken tussen




1. [eiseres] (de wildbeheereenheid)uit [plaats] , eiseres, (25/3573),
(gemachtigden: mr. R. Lie-A-Lien en [gemachtigde] ), en

2. [eiser] (de boa)uit [woonplaats] , eiser, (25/3681),
(gemachtigde: mr. M. Busse),

hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,


en



de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris), verweerder.



Samenvatting



1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de wildbeheereenheid om extra geweldsmiddelen ten behoeve van de boa, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Eisers voeren een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen.


1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris met de adviezen van de toezichthouders onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Daarnaast is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Eisers krijgen gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop



2.1. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de wildbeheereenheid ongegrond verklaard.


2.2. Eisers hebben - afzonderlijk van elkaar - beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2.3. De staatssecretaris heeft gereageerd op de beroepen met een verweerschrift.
2.4. Met de beslissing van 13 januari 2026 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaken naar een meervoudige kamer verwezen.


2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de boa, de gemachtigde van de boa, de gemachtigden van de wildbeheereenheid en namens de staatssecretaris mr. T.J. Crom en mr. M.H. Kazem.


2.6. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn in beide zaken met zes weken verlengd.



Beoordeling door de rechtbank




Feiten en omstandigheden



3.1. De wildbeheereenheid is belast met het in stand houden en onderhouden van de terreinen en wateren die bij haar in gebruik zijn. De boa is al jaren in dienst bij de wildbeheereenheid als boa domein II (milieu, welzijn en infrastructuur). De boa heeft als functieomschrijving flora- en faunabeheerder en is hoofdzakelijk belast met de opsporing van (economische) milieudelicten.


3.2. Op 5 juni 2024 heeft de wildbeheereenheid een aanvraag gedaan ten behoeve van de boa om verlenging van de eerder toegekende opsporingsbevoegdheid en de eerder toegekende politiebevoegdheden conform artikel 7, eerste, derde en vierde lid van de Politiewet 2012. Daarnaast vraagt de wildbeheereenheid om verlenging van het eerder toegekende vrijheidsbeperkende middel handboeien en de eerder toegekende geweldsmiddelen pepperspray, uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen.


3.3. Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het voornemen kenbaar gemaakt om de aanvraag van de wildbeheereenheid af te wijzen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Gelet op de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket in Amsterdam (hierna: toezichthouder) en de korpschef van de Nationale Politie (hierna: direct toezichthouder) is de staatssecretaris van mening dat de noodzaak voor het toekennen van de aanvraag onvoldoende is aangetoond.


3.4. Op 20 augustus 2024 heeft de wildbeheereenheid haar zienswijze kenbaar gemaakt tegen het voornemen.


3.5. Met het besluit van 30 augustus 2024 (primair besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van de wildbeheereenheid afgewezen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. De staatssecretaris is gelet op de adviezen van de toezichthouders, de toelichting van de wildbeheereenheid en de meegeleverde jachtopzichtersverslagen van mening dat de noodzaak van de aanvraag, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen onvoldoende is aangetoond.


3.6. Eisers hebben - afzonderlijk van elkaar - bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3.7. Met het besluit van 29 oktober 2024 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de boa niet-ontvankelijk verklaard, omdat de boa geen belanghebbende is. Tegen dit besluit heeft de boa beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer 24/8130. Op de zitting van 21 mei 2026 is dit beroep door de boa ingetrokken.


3.8. Met het bestreden besluit is het bezwaar van de wildbeheereenheid ongegrond verklaard.


3.9. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


3.10. Op 14 april 2025 heeft de wildbeheereenheid een verzoek om voorlopige voorziening gedaan hangende het beroep bij deze rechtbank. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2025 is het verzoek van de wildbeheereenheid om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat zij onvoldoende spoedeisend belang heeft.



Belanghebbendheid van de boa



4.1. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen, wordt eerst beoordeeld of de boa als belanghebbende kan worden aangemerkt in zijn beroep tegen het bestreden besluit (25/3681).


4.2. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan. Volgens de staatssecretaris heeft de boa alleen een afgeleid belang.


4.3. Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit reeds daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit, bijvoorbeeld in een andere hoedanigheid dan die van contractspartner. Een eigen, niet afgeleid belang kan ook bestaan vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend belang wordt geschaad. De rechtbank wijst hiervoor naar de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven van 7 november 2018 aan de Centrale Raad van Beroep.


4.4. De boa voert aan dat het bestreden besluit een schending inhoudt van zijn recht op arbeid en persoonlijke veiligheid.


4.5. De rechtbank is van oordeel dat de boa als werknemer van de wildbeheereenheid een eigen (rechtstreeks) belang heeft bij het bestreden besluit, omdat vuistregel drie uit de conclusie van Widdershoven aan de orde is. De boa heeft op zitting verklaard dat hij ongeveer één nachtdienst in de twee weken werkt voor de wildbeheereenheid. In de winter kan dit oplopen tot drie à vier nachten achter elkaar. Ook heeft de boa verklaard dat in de winter de kans op wildstroperij het grootst is. De boa doet die diensten alleen en op plaatsen waar hij niet eenvoudig de politie kan bereiken en waar de politie, als ze te bereiken is, een lange aanrijtijd heeft. In dit specifieke geval is de rechtbank van oordeel dat het fundamentele recht van de boa op zijn veiligheid bij het bestreden besluit is betrokken. Door de afwijzing van de geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen, beschikt de boa over minder geweldsmiddelen om zijn eigen veiligheid te beschermen. Dat betekent dat de boa zodanig in zijn belang wordt getroffen dat hij een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming heeft.


4.6. Het voorgaande betekent dat de boa als belanghebbende moet worden aangemerkt bij zijn beroep gericht tegen het bestreden besluit (25/3681) en bij het beroep van de wildbeheereenheid (25/3573). Zoals op zitting met partijen is besproken komt de rechtbank dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van de boa tegen het aan de wildbeheereenheid gerichte bestreden besluit.



Bestreden besluit



5.1. De staatssecretaris heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van de wildbeheereenheid mocht worden afgewezen, voor zover deze ziet op een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen. Allereerst slaagt het beroep van de wildbeheereenheid op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet. De toezichthouders hadden bij de aanvragen van de wildbeheereenheid in 2014 en 2019 weliswaar positief geadviseerd, maar de aanvragen niet getoetst aan de destijds geldende criteria uit de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: de Beleidsregels). Het vuurwapen is in 2014 en 2019 onterecht toegekend, omdat de staatssecretaris te lichtvaardig te veel waarde had toegekend aan de enkele uitkomst van de niet onderbouwde adviezen van de toezichthouders, in plaats van zelf een volledige toetsing te doen. Dat in het verleden een onjuiste beslissing is genomen, betekent niet dat dit moet worden herhaald.


5.2. De staatssecretaris heeft de aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen beoordeeld aan de hand van de in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels opgesomde criteria a tot en met c en de bijzondere criteria voor een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen als genoemd in Bijlage A bij de Beleidsregels.



Soort wetsovertredingen (criterium a)

De wildbeheereenheid heeft weliswaar taken op het gebied van trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en registratie van dood gevonden dieren, maar de wildbeheereenheid is niet belast met toezicht op de naleving van flora- en fauna-activiteiten, zoals stroperij en jachtbepalingen. Hoewel deze taken wel zijn opgenomen in de taakomschrijving, mag de boa zijn opsporingsbevoegdheid niet inzetten voor deze taken en deze taken kunnen dan ook niet bijdragen aan de onderbouwing van de noodzaak voor het toekennen van geweldsmiddelen, aldus de staatssecretaris.



De aard van de te verwachten agressie (criterium b)

De staatssecretaris is het met de wildbeheereenheid eens dat bij handhaving op stroperij de aard van de te verwachten agressie eerder fysiek dan verbaal is, omdat hierbij een groter financieel gewin een rol speelt. Maar de wildbeheereenheid heeft volgens de toelichting van de staatssecretaris niet aannemelijk gemaakt dat zij door het bevoegd gezag is aangewezen als toezichthouder die is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens de Omgevingswet (Ow), daaronder begrepen stroperij en jacht. De boa mag zijn opsporingsbevoegdheden volgens de staatssecretaris niet inzetten voor activiteiten zoals stroperij en deze taken heeft de staatssecretaris dan ook buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aard van de te verwachten agressie.



Redelijke verwachting (bijzonder criterium a)

De staatssecretaris is het met de wildbeheereenheid eens dat het bij de beoordeling van dit criterium niet gaat om de vraag of de boa in het verleden daadwerkelijk is geconfronteerd met (vuur)wapens of gebruik heeft moeten maken van geweldsmiddelen. De aard van het strafbare feit en de daarbij behorende mate van gevaarzetting is hierbij leidend. Ook is het juist dat stroperij niet zelden gepaard gaat met (vuur)wapens. De wildbeheereenheid heeft echter volgens de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van stroperij in het werkgebied van de boa. Wel heeft de wildbeheereenheid met de overgelegde registraties over schoten en kogelgaten in verkeersborden aangetoond dat er (vuur)wapens worden gebruikt in het werkgebied van de boa. Het blijft echter onduidelijk of deze meldingen zijn te relateren aan stroperij. Het valt niet uit te sluiten dat deze meldingen afkomstig zijn van (legale) jachtactiviteiten. Ook bij jachtactiviteiten is sprake van wapenbezit, maar dit is op zichzelf geen reden de boa uit te rusten met geweldsmiddelen. Er is in dat geval namelijk geen redelijke verwachting van onmiddellijk (vuur)wapengebruik of onmiddellijke dreiging daarmee.


5.3. De staatssecretaris is op grond van de door de wildbeheereenheid aangevoerde argumenten, de jachtopzichtersverslagen, de adviezen van de toezichthouders en de in de Beleidsregels genoemde criteria voor het toekennen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen van mening dat de noodzaak onvoldoende is aangetoond. De wildbeheereenheid voldoet niet aan de gestelde criteria.



Beroepsgronden van de wildbeheereenheid



6.1. De wildbeheereenheid is van mening dat de boa taken heeft volgens zijn functieomschrijving die gericht zijn op de opsporing van strafbare feiten, zoals wildstroperij, visstroperij, et cetera. Uit wet- en regelgeving volgt niet dat een jachtopzichter boa domein II in dienst van een wildbeheereenheid niet bevoegd is voor de opsporing van strafbare feiten uit de Ow. Hieruit volgt dat de wet zich niet verzet tegen het belasten van de boa met de opsporing van strafbare feiten. Dit gegeven kan daardoor juist bijdragen aan de onderbouwing van de noodzaak voor het toekennen van geweldsmiddelen.


6.2. De staatssecretaris heeft volgens de wildbeheereenheid niet gemotiveerd op basis waarvan hij vindt dat de boa geen taken heeft ten aanzien van wildstroperij. Daarnaast is de staatssecretaris op dit punt afgeweken van de adviezen van de toezichthouders en heeft hij geen motivering gegeven voor de splitsing in de taken. De staatssecretaris maakt überhaupt niet duidelijk welke taken en opsporingsbevoegdheden de boa wel en niet heeft. De wildbeheereenheid, jachthouders, grondgebruikers en terreinbeheerders verwachten dat de boa stroperij opspoort. Daardoor moet de opsporing van stroperij betrokken worden bij de beoordeling van de aard van de te verwachten agressie. De agressie bij wildstroperij is eerder fysiek dan verbaal en er is sprake van een groter financieel gewin. Om die reden moeten de gevraagde geweldsmiddelen worden toegekend.
6.3. Verder is het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig, althans ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig. De staatssecretaris onderkent namelijk dat wildstroperij tot de functie van de boa behoort. Als het gaat om de aard van het strafbare feit en de daarbij behorende mate van gevaarzetting bij dit criterium dan speelt de vraag of wildstroperij zich voordoet in het werkgebied van de boa geen rol. De wildbeheereenheid heeft toegelicht dat wildstroperij zich wel voordoet in het werkgebied van de boa en in omliggende werkgebieden.


6.4. Ten slotte beschikte de boa, net zoals zijn voorganger, altijd over de nu afgewezen geweldsmiddelen. Bij de eerste aanvraag en twee eerdere verlengingen voor deze boa is er geen reden geweest om dit te herzien. Gelet op het feit dat de omstandigheden tijdens deze verlenging gelijk zijn aan die van de vorige verleningen en de toetsingscriteria versoepeld zijn, mocht de wildbeheereenheid er gerechtvaardigd op vertrouwen dat aan de boa opnieuw deze geweldsmiddelen ter beschikking werden gesteld. Hierbij is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) al eens eerder heeft geoordeeld dat het afnemen van geweldsmiddelen van boa’s leidt tot een verlies aan gezag van de betreffende boa en daarmee ook een hoger risico dat de boa met geweld wordt geconfronteerd.



Beroepsgronden van de boa



7.1. De boa is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel voor wat betreft de toepassing van het noodzaakscriterium uit de Beleidsregels. Uit de stukken die zijn opgevraagd in het kader van de Wet open overheid blijkt dat het noodzaakcriterium voor het toekennen van de bevoegdheid om een vuurwapen te dragen bij boa’s van de Belastingdienst/Douane niet gekoppeld wordt aan de vraag hoeveel incidenten zich in de afgelopen twaalf maanden hebben voorgedaan waarbij betrokkene geweldsmiddelen nodig had, terwijl dat in het geval van de boa wel het geval is. Deze gelijke gevallen worden dus ongelijk behandeld.


7.2. Daarnaast wordt in het geval van de boa een te strenge uitleg van het noodzaakscriterium toegepast. De staatssecretaris toetst namelijk aan de vraag hoeveel incidenten er in de afgelopen twaalf maanden hebben plaatsgevonden waarbij de boa geweldsmiddelen nodig had. Dat de bevoegdheden van de boa’s van de Belastingdienst/Douane categoriaal zijn toegekend, waarbij de boa’s kunnen beschikken over een korte wapenstok, pepperspray en vuurwapen, rechtvaardigt niet een andere, minder strenge uitleg van het noodzaakscriterium zoals opgenomen in de Beleidsregels dan in het geval van een individuele aanvraag van bevoegdheden. Het noodzaakscriterium moet in alle gevallen op dezelfde manier uitgelegd worden in het kader van de rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en het vertrouwensbeginsel.


7.3. Ten slotte verwijst de boa naar wat door de wildbeheereenheid is aangevoerd in het beroep met zaaknummer 25/3753.



Oordeel van de rechtbank




Omvang van het geding


8. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het niet noodzakelijk is om de boa uit te rusten met een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen.


Wat zijn de bevoegdheden van de boa?

9.1. Artikel 25, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Bbo) bepaalt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, beperkt tot wat nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is.


9.2. De boa heeft volgens zijn arbeidsovereenkomst met de wildbeheereenheid als functieomschrijving flora- en faunabeheerder domein II (Milieu, Welzijn en Infrastructuur). De boa is jachtopzichter en in hoofdzaak belast met de opsporing van (economische) milieudelicten. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld wildstroperij, visstroperij en afvaldumpingen. De toezichthouders bevestigen deze taken van de boa in hun adviezen van 8 april 2024 respectievelijk 8 mei 2024 en de e-mails van 2 december 2024 respectievelijk 5 december 2024.


9.3. De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit staat dat de staatssecretaris de adviezen van de toezichthouders heeft overgenomen maar dit is onjuist. De staatssecretaris wijkt juist af van de adviezen door zich op het standpunt te stellen dat wildstroperij niet tot de opsporingsbevoegdheid van de boa behoort. Anders dan de staatssecretaris doet, maken de toezichthouders ook geen onderscheid tussen het optreden bij lichte en bij zware criminaliteit. De staatssecretaris neemt alleen de conclusie uit de adviezen over om de gevraagde extra geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen af te wijzen. De rechtbank volgt deze inconsistente motivering van de staatssecretaris niet. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit.


9.4. De rechtbank is van oordeel dat de opsporing van wildstroperij op grond van de arbeidsovereenkomst en de op dit punt eenduidige adviezen van de toezichthouders onder de bevoegdheid van de boa valt. Op zitting is ook de bevoegdheidsverdeling tussen de wildbeheereenheid en de regionale uitvoeringsdienst (namens Gedeputeerde Staten) besproken. De rechtbank overweegt in dit kader dat deze bevoegdheidsverdeling vóór de inwerkingtreding van de Ow niet anders is geweest en dat het feit dat ook anderen deze (bestuursrechtelijke) taken hebben, niet betekent dat de boa die taken niet heeft.



Noodzaakcriterium

10.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Bbo, wordt een opsporingsbevoegdheid verleend als die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de buitengewoon opsporingsambtenaar, en wanneer een beroep op de politie daarbij bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Dit criterium is nader uitgewerkt in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels. Het noodzaakcriterium wordt op basis van de Beleidsregels ook gehanteerd voor de toekenning van geweldsmiddelen.


10.2. Uit paragraaf 3.2 van de Beleidsregels volgt dat geweldsmiddelen alleen aan de aanvrager worden toegekend als de noodzaak hiertoe door de aanvrager is aangetoond en zijn bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond. Het toekennen van geweldsmiddelen wordt ook afhankelijk gesteld van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn of haar functie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd. Elke aanvraag om het toekennen van geweldsmiddelen wordt beoordeeld aan de hand van de criteria die in paragraaf 3.2 onder a tot en met c zijn vermeld.


10.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de wildbeheereenheid voldoende heeft aangetoond dat de boa bekwaam is in de omgang met alle aangevraagde geweldsmiddelen. In geschil is of de wildbeheereenheid voldoende heeft aangetoond dat de aangevraagde geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen noodzakelijk zijn. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de toezichthouders een belangrijke adviserende en toetsende rol binnen het stelsel vervullen op grond van paragraaf 3.5 van de Beleidsregels.


10.4. Elke aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:



Voor welke soort wetsovertreding(en) is de opsporingsbevoegdheid verleend? Bij het handhaven van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kan het gebruik van een geweldsmiddel meer proportioneel zijn dan bijvoorbeeld bij het handhaven van het ordeningsrecht.


Wat is de aard van de te verwachten agressie? Toekenning van een geweldsmiddel kan geïndiceerd zijn indien de verwachting is dat de boa daadwerkelijk te maken krijgt met fysiek geweld, in tegenstelling tot situaties waarbij de te verwachten agressie louter verbaal van aard is.


Over welke geweldsmiddelen kan de boa op basis van zijn taakstelling beschikken? Indien het bezwaarlijk of onmogelijk is om op een andere wijze te voorzien in de veiligheid van de boa, kan hem een geweldsmiddel worden toegekend.



Bij de beoordeling van een aanvraag kan, in samenhang met bovenstaande elementen genoemd onder a tot en met c, de frequentie en mate waarin zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij bewapening wenselijk was geweest, worden betrokken. Het belang van concrete informatie hierover neemt toe, naarmate het verzochte geweldsmiddel zwaarder wordt (meer letselpotentieel).



Toetsing aan de criteria van het noodzaakcriterium


11. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de handhavingstaken van de boa (criterium a: Voor welke soort wetsovertredingen is de opsporingsbevoegdheid verleend?). Op grond van de adviezen van de toezichthouders is de boa in hoofdzaak belast met de opsporing van (economische) milieudelicten en enkele delicten uit het Wetboek van Strafrecht. Hier vallen alle vormen van stroperij en afvaldumpingen onder. Verder is de staatssecretaris het met de wildbeheereenheid eens dat bij handhaving op stroperij de aard van de te verwachten agressie eerder fysiek dan verbaal is, omdat hierbij een groter financieel gewin een rol speelt. De boa kan dus geconfronteerd worden met fysiek geweld (criterium b: Wat is de aard van de te verwachten agressie?). Ten slotte erkent de staatssecretaris dat de boa een geweldsmiddel nodig heeft op basis van zijn taakstelling (criterium c: Over welke geweldsmiddelen kan de boa op basis van zijn taakstelling beschikken?). Ter discussie staat welke geweldsmiddelen moeten worden toegekend.


Uitschuifbare wapenstok en vuurwapen

12.1. In bijlage A van de Beleidsregels worden aanvullende criteria gegeven voor de toekenning van het geweldsmiddel uitschuifbare wapenstok:



Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, waarin hij of anderen met onmiddellijk gebruik van een wapen wordt geconfronteerd.


Het (C2000) zenderbereik in het gebied waarin de boa opereert is niet overal dekkend en/of de onmogelijkheid van politieassistentie op korte termijn als gevolg van moeilijke bereikbaarheid van het gebied waarin de boa opereert.


Tenslotte wordt ook de frequentie waarin de desbetreffende boa alleen opereert betrokken in de beoordeling.



Ook voor het toekennen van een vuurwapen zijn aanvullende criteria gegeven in bijlage A van de Beleidsregels:



Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd.


Het is, indien zich een geval als onder 1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of onmogelijk om een beroep te doen op de politie.


Het is bezwaarlijk of onmogelijk om op een andere, minder ingrijpende wijze in de beveiliging van de eiser te voorzien.



12.2. De criteria b en c staan tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank moet beoordelen of de staatssecretaris tot het oordeel kon komen dat er geen redelijke verwachting bestaat dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid kan komen te verkeren, waarin hij of anderen met onmiddellijk gebruik van een (vuur)wapen wordt geconfronteerd.


12.3. De staatssecretaris voert aan dat, op basis van de adviezen van de toezichthouders en de incidentenoverzichten, geen sprake is van een redelijke verwachting dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de omstandigheid kan komen te verkeren waarin hij met onmiddellijk gebruik van een (vuur)wapen wordt geconfronteerd. De rechtbank volgt dit standpunt van de staatssecretaris niet.


12.4. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, alleen al omdat het optreden bij wildstroperij tot de taken van de boa hoort, een redelijke verwachting dat de boa met een (vuur)wapen wordt geconfronteerd. In het geval van wildstroperij is namelijk per definitie sprake van het gebruik van een vuurwapen. Daarnaast kan het incidentenoverzicht meetellen als extra onderbouwing van de redelijke verwachting, maar deze kan niet gebruikt worden om de noodzaak te doorkruisen. Dit maakt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat het, gelet op de taakstelling van de boa, niet de redelijke verwachting is dat hij snel zal worden geconfronteerd met vuurwapengebruik. Dit vraagt een nadere toelichting, die nu ontbreekt.


12.5. Verder acht de rechtbank relevant dat de boa al sinds 2012 over een vuurwapen en een uitschuifbare wapenstok beschikt en deze drie keer eerder door de staatssecretaris zijn toegekend. De toezichthouders hebben bij deze eerdere toekenningen positief geadviseerd. Dat bij deze drie eerdere toekenningen door twee verschillende toezichthouders herhaaldelijk dezelfde fout is gemaakt, zoals de staatssecretaris nu beweert, acht de rechtbank zonder nadere toelichting onaannemelijk. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris bij e-mail van 11 juli 2024 aan de toezichthouders heeft verzocht om nader te onderbouwen waarom in de voorafgaande periodes vanaf 2012 wel een vuurwapen is toegekend en wat er nu gewijzigd is. Bij e-mail van 29 augustus 2024 heeft de staatssecretaris opeens geschreven dat een antwoord van de toezichthouders - gelet op de termijnen - niet meer nodig is. Er is dus geen nadere motivering gekomen van de toezichthouders die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid.



Conclusie en gevolgen



13.1. De beroepen zijn gegrond, omdat de staatssecretaris met de adviezen van de toezichthouders onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij de geweldsmiddelen van een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen mocht weigeren. Daarnaast is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank, gelet op de aard en de omvang van de hiervoor geconstateerde gebreken, geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoals bedoeld in artikel 8:51a van de Awb,


13.2. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, bepalen dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar van de wildbeheereenheid moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de staatssecretaris hiervoor een termijn van zes weken.


13.3. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris het door eisers betaalde griffierecht moet vergoeden. Daarnaast krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor de wildbeheereenheid op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Voor de boa stelt de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ook vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).


13.4. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de boa verzochte reiskosten van € 35,60, gebaseerd op het openbaar vervoer (1x Dagretour, 2e klas) voor vergoeding in aanmerking komen.


13.5. Ook heeft de boa verzocht om vergoeding van zijn verletkosten van 4,5 uur x
€ 18,50 = € 83,25 (3 uur reistijd en 1,5 uur voor het bijwonen van de zitting). Naar het oordeel van de rechtbank komen deze verletkosten ook voor vergoeding in aanmerking.


13.6. De proceskosten die in totaal aan de boa moeten worden vergoed bedragen
€ 1.986,85 (€ 1.868,- + € 35,60 + € 83,25).



Beslissing



De rechtbank:



verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van de wildbeheereenheid moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;


draagt de staatssecretaris op het griffierecht van € 385,- aan de wildbeheereenheid te vergoeden;


draagt de staatssecretaris op het griffierecht van € 194,- aan de boa te vergoeden;


bepaalt dat de staatssecretaris een proceskostenvergoeding van € 1.868,- aan de wildbeheereenheid moet betalen;


bepaalt dat de staatssecretaris een proceskostenvergoeding van € 1.986,85 aan de boa moet betalen.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. S. Hindriks en mr. A.M.L.E. Ides Peeters, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op
5 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.








griffier


voorzitter














Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving




Wet op de economische delicten




Artikel 17


1. Met de opsporing van economische delicten zijn belast:

1°. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren;
2°. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze andere Ministers, wie het aangaat, aangewezen ambtenaren;
3°. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

2. Alle met de opsporing van economische delicten belaste ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de economische delicten, genoemd in de artikelen 26, 33 en 34.
3. Artikel 142, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid, onder 2° en 3°, bedoelde opsporingsambtenaren.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder 2°, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.


Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar




Artikel 4, eerste lid

Een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend, een aanwijzing wordt gedaan, dan wel een aanvullende opsporingsbevoegdheid wordt toegekend, indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst waarbij hij werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is.



Artikel 25, eerste lid

De buitengewoon opsporingsambtenaar beperkt de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, tot hetgeen nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is.



Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar




3.2. Criteria toekenning bevoegdheden




Criteria toekenning opsporingsbevoegdheid: noodzaakcriterium

Conform het BBO wordt een titel van opsporingsbevoegdheid verleend dan wel verlengd indien daartoe noodzaak bestaat en de boa betrouwbaar en bekwaam is. Er is voldaan aan het noodzaakcriterium wanneer naar het oordeel van de Minister van Justitie en Veiligheid, de opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de betreffende persoon of de dienst waarbij deze werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. 6 Over de noodzaak voor toekenning van (extra) opsporingsbevoegdheid wordt door de boa-werkgever advies gevraagd aan de direct toezichthouder en toezichthouder als bedoeld in artikel 1, vierde lid, BBO. Zie ook paragraaf 3.5 Toezicht op boa’s.


In Domein I Openbare Ruimte geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek.7


Criteria toekenning geweldsmiddelen


Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. Derhalve worden slechts in uitzonderlijke gevallen geweldsmiddelen aan anderen toegekend. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldsmiddelen aan een boa geschiedt slechts indien de noodzaak hiertoe door de aanvrager aangetoond is en indien zijn bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm). Het toekennen van geweldsmiddelen wordt tevens afhankelijk gesteld van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijn functie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd.



Elke aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:




Voor welke soort wetsovertreding(en) is de opsporingsbevoegdheid verleend? Bij het handhaven van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kan het gebruik van een geweldsmiddel meer proportioneel zijn dan bijvoorbeeld bij het handhaven van het ordeningsrecht.


Wat is de aard van de te verwachten agressie? Toekenning van een geweldsmiddel kan geïndiceerd zijn indien de verwachting is dat de boa daadwerkelijk te maken krijgt met fysiek geweld, in tegenstelling tot situaties waarbij de te verwachten agressie louter verbaal van aard is.


Over welke geweldsmiddelen kan de boa op basis van zijn taakstelling beschikken? Indien het bezwaarlijk of onmogelijk is om op een andere wijze te voorzien in de veiligheid van de boa, kan hem een geweldsmiddel worden toegekend.




Bij de beoordeling van een aanvraag kan, in samenhang met bovenstaande elementen genoemd onder a t/m c, de frequentie en mate waarin zich in het verleden situaties voorgedaan waarbij bewapening wenselijk was geweest, worden betrokken. Het belang van concrete informatie hieromtrent neemt toe, naarmate het verzochte geweldmiddel zwaarder wordt (meer letselpotentieel).




Uitschuifbare wapenstok
Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een uitschuifbare wapenstok worden, naast de in paragraaf 3.2 beschreven criteria a. tot en met c. (waaraan bij de korte wapenstok van het merk Hazeleger Synterials Verenigde bedrijven B.V. wordt getoetst) en de criteria bij de pepperspray, aanvullend de volgende criteria gehanteerd.



Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, waarin hij of anderen met onmiddellijk gebruik van een wapen wordt geconfronteerd.


Het (C2000) zenderbereik in het gebied waarin de boa opereert is niet overal dekkend en/of de onmogelijkheid van politieassistentie op korte termijn als gevolg van moeilijke bereikbaarheid van het gebied waarin de boa opereert.


Tenslotte wordt ook de frequentie waarin de desbetreffende boa alleen opereert betrokken in de beoordeling.





Vuurwapen
Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen worden, naast de in paragraaf 3.2 beschreven criteria a. tot en met c. aanvullend de volgende criteria gehanteerd.



Er moet een redelijke verwachting bestaan dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden komt te verkeren, dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd.


Het is, indien zich een geval als onder 1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of onmogelijk om een beroep te doen op de politie.


Het is bezwaarlijk of onmogelijk om op een andere, minder ingrijpende wijze in de beveiliging van de eiser te voorzien.




Het gebruik van het vuurwapen is uitsluitend toegestaan indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.




Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:114.


Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4887.


Zie rechtsoverweging 6.21 e.v. van de conclusie van A-G Widdershoven, ECLI:NL:CRVB:2018:3474.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2928.


Op grond van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.