Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7171
2026-08-04
Strafrecht; Materieel strafrecht
02-132830-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor handel in cocaïne en heroïne, witwassen en bezit cocaïne. Overschrijding redelijke termijn. Gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.127 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-V-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats]
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]
,
raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat in Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I. Bouhdan, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 17 april 2023 tot en met 17 april 2024 cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;feit 2: op 17 april 2024 € 6.045,- heeft witgewassen;
feit 3: op 26 maart 2024 ongeveer 28,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Wel acht hij bij feit 1 een kortere pleegperiode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten van 30 mei 2023 tot en met 23 maart 2024.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Zij wijst er daarbij op dat de herkenning van verdachte heeft plaatsgevonden aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie. De politie is bij het voorhouden van die foto onzorgvuldig te werk gegaan. De herkenningen door getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn daardoor onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Wat resteert in het dossier is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van handel in drugs te komen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
Indien wel kan worden vastgesteld dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verkocht, verzoekt de verdediging de periode waarin hij dat heeft gedaan te beperken. Uit de berichten in de telefoon blijkt immers dat er in genoemde pleegperiode ook periodes niet is gedeald.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd. Op de bij verdachte aangetroffen telefoon, de iPhone 11, is een grote hoeveelheid berichten aangetroffen die wijzen op de handel in cocaïne en heroïne. Verdachte had wekelijks en soms dagelijks contact met zowel vaste als nieuwe klanten. Zo wordt er gesproken over bedragen, hoeveelheden en betalingen en worden er afspraken gemaakt over de levering. Deze berichten gaan terug tot 30 mei 2023, wanneer verdachte een bericht verstuurt luidend: ‘Dit is [bijnaam] en ik ben weer 24/7 bereikbaar voor jou spul voor de beste en snelste service moet je mij bellen!’. Drie personen met wie vanuit deze telefoon contact is geweest, zijn gehoord en hebben verklaard drugs, te weten cocaïne en heroïne, te hebben gekocht van ‘ [bijnaam] ’. Verdachte heeft op zitting verklaard dat de iPhone 11 van hem was, dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam] ’ is en dat hij voor zijn aanhouding op 26 maart 2024 heeft gehandeld in drugs.
Pleegperiode
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat verdachte zich al vanaf 17 april 2023 bezig hield met de verkoop van cocaïne en heroïne. Het eerste bericht dat verband houdt met de verkoop van cocaïne en heroïne dateert van 30 mei 2023. De rechtbank zal 30 mei 2023 daarom als beginpunt van de pleegperiode nemen. De rechtbank zal 23 maart 2024 als eindpunt van de pleegperiode nemen, nu het laatste bericht dat in de telefoon van verdachte is aangetroffen op 23 maart 2024 is verstuurd of ontvangen. De rechtbank zal verdachte voor de resterende periode partieel vrijspreken.
Feit 2
Op 17 april 2024 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan [adres 2] in [plaats] . Tijdens die doorzoeking is in de slaapkamer van verdachte een geldbedrag van € 6.045,- aangetroffen.
Niet is gebleken dat verdachte toen enig legaal inkomen en/of vermogen had. Verdachte heeft verklaard dat hij destijds een opleiding volgde en stage liep. Dit is nu ook nog het geval.
Deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met hetgeen onder feit 1 is overwogen, namelijk dat verdachte betrokken is geweest bij de handel in harddrugs, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen van opbrengsten uit eigen misdrijf. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met de handel in harddrugs grote contante geldbedragen worden verdiend. Daarnaast is het niet gebruikelijk om, zeker op zo’n jonge leeftijd, zo’n groot bedrag cash in huis te hebben, mede gelet op de mogelijke risico’s. Gelet daarop mag van verdachte worden verwacht dat hij een aannemelijke, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor een alternatieve herkomst van het geld. Die verklaring heeft verdachte niet gegeven. Hij heeft telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Dit maakt dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat dit geld onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf (de handel in harddrugs).
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 6.045,-, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.
Feit 3
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte op zitting, in samenhang met de waarneming van de boa’s dat verdachte kort voor de aanhouding een zakje uit het raam van zijn woning gooide (en dit zakje 28,6 gram cocaïne blijkt te bevatten), acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 maart 2024 ongeveer 28,6 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 30 mei 2023 tot en met 23 maart 2024 te [plaats] opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd (gebruikers)hoeveelheden cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 17 april 2024 te [plaats] een geldbedrag van in totaal 6045,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf;
3
op 26 maart 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 28,6 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
10 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn zeer jonge leeftijd en het feit dat hij een opleiding volgt en stage loopt. Ook moet worden meegewogen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en inmiddels al 2 jaar in een schorsingstoezicht loopt waarbij hij zich aan een groot aantal voorwaarden heeft moeten houden. Gelet hierop en op het feit dat de redelijke termijn met ruim 3 maanden is overschreden, wordt verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 10 maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne. Daarnaast heeft hij 28,6 gram cocaïne in zijn bezit gehad. Harddrugs leveren een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid, omdat ze sterk verslavend zijn en kunnen zorgen voor ernstige lichamelijk en psychische klachten bij de gebruikers daarvan. De productie en verkoop van harddrugs gaat dikwijls gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. De rechtbank betrekt ook bij de waardering van de ernst van deze 2 feiten het gegeven dat meerdere klanten verklaren over nare praktijken van verdachte naast het dealen, zoals het innemen van een pinpas bij betalingsachterstanden en het toepassen van geweld.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank stelt dit enkel vast en neemt dit niet in straf verminderende zin mee in de bepaling van de strafsoort en strafmaat.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 juli 2026. Omdat verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, heeft de reclassering slechts beperkt onderzoek kunnen doen en geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive. Positief is dat verdachte een opleiding volgt, stage loopt, geen financiële problemen heeft, een stabiele woonsituatie heeft en een goede band met zijn familie heeft. Ook is hij in staat zijn zaken zelfstandig te regelen. De reclassering ziet geen meerwaarde in verdere reclasseringsbemoeienis en adviseert daarom het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank merkt hierbij op dat het haars inziens onbegrijpelijk is dat verdachte enerzijds stelt in zijn vrije tijd een rolmodel te zijn voor de jeugdige inwoners van zijn wijk, omdat hij zo veel activiteiten voor deze jongeren organiseert en anderzijds zich beweegt in het (snoeiharde) drugscircuit, omdat hij makkelijk geld wilde verdienen.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank zal bij het bepalen van de straf in voor verdachte gunstige zin rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 17 april 2024, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld en bekend is geworden met de verdenking tegen hem. Het vonnis had uiterlijk 17 april 2026 gereed moeten zijn. Daarmee is de redelijke termijn met ruim
3 maanden overschreden.
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Uitgangspunt voor een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, is volgens vaste jurisprudentie een vermindering van 5%.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. De LOVS-oriëntatiepunten gaan alleen al voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. In dit geval is er gedurende een lange periode zeer intensief gedeald en hebben de kopers hun bankpassen moeten afstaan aan verdachte. Daarnaast is er ook sprake van het bezit van harddrugs en witwassen.
De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met zijn jonge leeftijd en met de omstandigheid dat hij lang in een schorsingstoezicht heeft gelopen waarbij hij zich aan een groot aantal voorwaarden heeft moeten houden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Hiermee zal verdachte een stok achter de deur hebben om te voorkomen dat hij (nogmaals) strafbare feiten pleegt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7Het beslag
7.1.
De verbeurdverklaring
De rechtbank zal de in beslag genomen telefoon verbeurd verklaren. Deze telefoon behoort aan verdachte toe en de bewezen feiten zijn met behulp van deze telefoon begaan.
De rechtbank zal het in beslag genomen geldbedrag van € 6.045,- eveneens verbeurd verklaren. Gebleken is dat dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en door middel van de bewezen feiten is verkregen.
7.2.
De teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen bankpas aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van deze bankpas kan worden aangemerkt.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: witwassen;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* 1 STK GSM (omschrijving: PL2000-2024092369-G2715768);
* € 6.045,- (omschrijving: PL2000-2024092369-2715784);
- gelast de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon van het in beslaggenomen voorwerp, te weten:
* 1 STK Bankpas (omschrijving: PL2000-2024092369-2715730);
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en
mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 17 april 2023 tot en met 17 april 2024 te [plaats]
opzettelijk heeft en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in
elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meerdere
(gebruikers)hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne/heroïne, zijnde cocaïne/heroïne een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )
2
hij op of omstreeks 17 april 2024, te [plaats] ,
van een of meer voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen (in
totaal) 6045,00 Euro, althans een of meer voorwerpen,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b
Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 26 maart 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 28,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-V-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats]
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]
,
raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat in Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I. Bouhdan, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 17 april 2023 tot en met 17 april 2024 cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;feit 2: op 17 april 2024 € 6.045,- heeft witgewassen;
feit 3: op 26 maart 2024 ongeveer 28,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Wel acht hij bij feit 1 een kortere pleegperiode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten van 30 mei 2023 tot en met 23 maart 2024.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Zij wijst er daarbij op dat de herkenning van verdachte heeft plaatsgevonden aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie. De politie is bij het voorhouden van die foto onzorgvuldig te werk gegaan. De herkenningen door getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn daardoor onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Wat resteert in het dossier is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van handel in drugs te komen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
Indien wel kan worden vastgesteld dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verkocht, verzoekt de verdediging de periode waarin hij dat heeft gedaan te beperken. Uit de berichten in de telefoon blijkt immers dat er in genoemde pleegperiode ook periodes niet is gedeald.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd. Op de bij verdachte aangetroffen telefoon, de iPhone 11, is een grote hoeveelheid berichten aangetroffen die wijzen op de handel in cocaïne en heroïne. Verdachte had wekelijks en soms dagelijks contact met zowel vaste als nieuwe klanten. Zo wordt er gesproken over bedragen, hoeveelheden en betalingen en worden er afspraken gemaakt over de levering. Deze berichten gaan terug tot 30 mei 2023, wanneer verdachte een bericht verstuurt luidend: ‘Dit is [bijnaam] en ik ben weer 24/7 bereikbaar voor jou spul voor de beste en snelste service moet je mij bellen!’. Drie personen met wie vanuit deze telefoon contact is geweest, zijn gehoord en hebben verklaard drugs, te weten cocaïne en heroïne, te hebben gekocht van ‘ [bijnaam] ’. Verdachte heeft op zitting verklaard dat de iPhone 11 van hem was, dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam] ’ is en dat hij voor zijn aanhouding op 26 maart 2024 heeft gehandeld in drugs.
Pleegperiode
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat verdachte zich al vanaf 17 april 2023 bezig hield met de verkoop van cocaïne en heroïne. Het eerste bericht dat verband houdt met de verkoop van cocaïne en heroïne dateert van 30 mei 2023. De rechtbank zal 30 mei 2023 daarom als beginpunt van de pleegperiode nemen. De rechtbank zal 23 maart 2024 als eindpunt van de pleegperiode nemen, nu het laatste bericht dat in de telefoon van verdachte is aangetroffen op 23 maart 2024 is verstuurd of ontvangen. De rechtbank zal verdachte voor de resterende periode partieel vrijspreken.
Feit 2
Op 17 april 2024 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan [adres 2] in [plaats] . Tijdens die doorzoeking is in de slaapkamer van verdachte een geldbedrag van € 6.045,- aangetroffen.
Niet is gebleken dat verdachte toen enig legaal inkomen en/of vermogen had. Verdachte heeft verklaard dat hij destijds een opleiding volgde en stage liep. Dit is nu ook nog het geval.
Deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met hetgeen onder feit 1 is overwogen, namelijk dat verdachte betrokken is geweest bij de handel in harddrugs, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen van opbrengsten uit eigen misdrijf. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met de handel in harddrugs grote contante geldbedragen worden verdiend. Daarnaast is het niet gebruikelijk om, zeker op zo’n jonge leeftijd, zo’n groot bedrag cash in huis te hebben, mede gelet op de mogelijke risico’s. Gelet daarop mag van verdachte worden verwacht dat hij een aannemelijke, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor een alternatieve herkomst van het geld. Die verklaring heeft verdachte niet gegeven. Hij heeft telkens een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Dit maakt dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat dit geld onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf (de handel in harddrugs).
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 6.045,-, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.
Feit 3
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte op zitting, in samenhang met de waarneming van de boa’s dat verdachte kort voor de aanhouding een zakje uit het raam van zijn woning gooide (en dit zakje 28,6 gram cocaïne blijkt te bevatten), acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 maart 2024 ongeveer 28,6 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 30 mei 2023 tot en met 23 maart 2024 te [plaats] opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd (gebruikers)hoeveelheden cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 17 april 2024 te [plaats] een geldbedrag van in totaal 6045,00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf;
3
op 26 maart 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 28,6 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
10 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn zeer jonge leeftijd en het feit dat hij een opleiding volgt en stage loopt. Ook moet worden meegewogen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en inmiddels al 2 jaar in een schorsingstoezicht loopt waarbij hij zich aan een groot aantal voorwaarden heeft moeten houden. Gelet hierop en op het feit dat de redelijke termijn met ruim 3 maanden is overschreden, wordt verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 10 maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne. Daarnaast heeft hij 28,6 gram cocaïne in zijn bezit gehad. Harddrugs leveren een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid, omdat ze sterk verslavend zijn en kunnen zorgen voor ernstige lichamelijk en psychische klachten bij de gebruikers daarvan. De productie en verkoop van harddrugs gaat dikwijls gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. De rechtbank betrekt ook bij de waardering van de ernst van deze 2 feiten het gegeven dat meerdere klanten verklaren over nare praktijken van verdachte naast het dealen, zoals het innemen van een pinpas bij betalingsachterstanden en het toepassen van geweld.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen en uitgaven worden gedaan met geld dat oorspronkelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daardoor wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast. Het maakt bovendien dat misdaad en de daaruit verkregen opbrengst loont.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank stelt dit enkel vast en neemt dit niet in straf verminderende zin mee in de bepaling van de strafsoort en strafmaat.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 juli 2026. Omdat verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, heeft de reclassering slechts beperkt onderzoek kunnen doen en geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive. Positief is dat verdachte een opleiding volgt, stage loopt, geen financiële problemen heeft, een stabiele woonsituatie heeft en een goede band met zijn familie heeft. Ook is hij in staat zijn zaken zelfstandig te regelen. De reclassering ziet geen meerwaarde in verdere reclasseringsbemoeienis en adviseert daarom het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank merkt hierbij op dat het haars inziens onbegrijpelijk is dat verdachte enerzijds stelt in zijn vrije tijd een rolmodel te zijn voor de jeugdige inwoners van zijn wijk, omdat hij zo veel activiteiten voor deze jongeren organiseert en anderzijds zich beweegt in het (snoeiharde) drugscircuit, omdat hij makkelijk geld wilde verdienen.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank zal bij het bepalen van de straf in voor verdachte gunstige zin rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 17 april 2024, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld en bekend is geworden met de verdenking tegen hem. Het vonnis had uiterlijk 17 april 2026 gereed moeten zijn. Daarmee is de redelijke termijn met ruim
3 maanden overschreden.
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Uitgangspunt voor een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, is volgens vaste jurisprudentie een vermindering van 5%.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. De LOVS-oriëntatiepunten gaan alleen al voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. In dit geval is er gedurende een lange periode zeer intensief gedeald en hebben de kopers hun bankpassen moeten afstaan aan verdachte. Daarnaast is er ook sprake van het bezit van harddrugs en witwassen.
De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met zijn jonge leeftijd en met de omstandigheid dat hij lang in een schorsingstoezicht heeft gelopen waarbij hij zich aan een groot aantal voorwaarden heeft moeten houden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Hiermee zal verdachte een stok achter de deur hebben om te voorkomen dat hij (nogmaals) strafbare feiten pleegt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7Het beslag
7.1.
De verbeurdverklaring
De rechtbank zal de in beslag genomen telefoon verbeurd verklaren. Deze telefoon behoort aan verdachte toe en de bewezen feiten zijn met behulp van deze telefoon begaan.
De rechtbank zal het in beslag genomen geldbedrag van € 6.045,- eveneens verbeurd verklaren. Gebleken is dat dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en door middel van de bewezen feiten is verkregen.
7.2.
De teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen bankpas aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van deze bankpas kan worden aangemerkt.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: witwassen;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* 1 STK GSM (omschrijving: PL2000-2024092369-G2715768);
* € 6.045,- (omschrijving: PL2000-2024092369-2715784);
- gelast de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon van het in beslaggenomen voorwerp, te weten:
* 1 STK Bankpas (omschrijving: PL2000-2024092369-2715730);
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en
mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 17 april 2023 tot en met 17 april 2024 te [plaats]
opzettelijk heeft en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in
elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meerdere
(gebruikers)hoeveelheden cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne/heroïne, zijnde cocaïne/heroïne een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )
2
hij op of omstreeks 17 april 2024, te [plaats] ,
van een of meer voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen (in
totaal) 6045,00 Euro, althans een of meer voorwerpen,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b
Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 26 maart 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 28,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )