Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7170

2026-07-31 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/2214
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/2214
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026080705; V-N Vandaag 2026/1644; FutD 2026-1396; NLF 2026/1626

Inhoudsindicatie

IB/PVV 2019, scholingsuitgaven, collegegeld, sprake van een depotstorting?

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.050 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/2214


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 maart 2025.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is (impliciet) een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil gegeven.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte is vastgesteld. De rechtbank beoordeelt eerst of belanghebbende op grond van de bepalingen in de Wet IB 2001 recht heeft op een persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Ten slotte beoordeelt de rechtbank of sprake is van strijd met het belastingverdrag tussen Nederland en India (het belastingverdrag). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte vastgesteld. Belanghebbende heeft geen recht op persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven op grond van de bepalingen in de Wet IB 2001 en het vertrouwensbeginsel is niet geschonden. Er is bovendien geen strijd met het belastingverdrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten


4. Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit.



4.1.
Belanghebbende is in 2019 naar Nederland gekomen om daar een opleiding te volgen bij de [hogeschool] ( [hogeschool] ).



4.2.
Belanghebbende heeft zich aangemeld bij de [hogeschool] waarna hij een betalingsverzoek aangeduid als “financial guarantee” heeft ontvangen. Het totaalbedrag van € 20.659, waarvan gevraagd wordt het vóór 1 juni 2019 aan de bankrekening van de [hogeschool] over te maken, is als volgt opgebouwd:


“€ 8.540,00 Tuition fee Sep 2019-Sep 2020



€ 171,00 Visa application fee
€ 500,00 Health Insurance fee
€ 750,00 Administrative fee

€ 108,00 Airport transport fee

€ 1.529,00 subtotal fees




€ 10.590,00 Proof of sufficient means (Cost of living € 4490, housing € 6.100)





€ 20.659 Total financial guarantee”


4.3.
Belanghebbende heeft het bedrag van financial guarantee – en daarmee het collegegeld ten bedrage van € 8.540 – op 12 juni 2019 op de bankrekening van de [hogeschool] overgemaakt.



4.4.
Op 24 augustus 2019 is belanghebbende naar Nederland gekomen.



4.5.
Op 6 mei 2024 is door de gemachtigde namens belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan middels een migratiebiljet. Belanghebbende heeft een bedrag van € 8.290 als aftrekbare studiekosten aangemerkt in verband met het door hem betaalde collegegeld.




Motivering



Scholingsuitgaven




5. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 (Tekst 2019) kunnen binnenlandse belastingplichtigen onder voorwaarden uitgaven voor collegegeld als scholingsuitgaven in aftrek brengen op hun belastbaar inkomen uit werk en woning. In artikel 6.40 van de Wet IB 2001 is geregeld dat voornoemde uitgaven voor aftrek in aanmerking komen op het moment dat ze zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden.



5.1.
Inwoners van Nederland worden op grond van artikel 2.1 van de Wet IB 2001 als binnenlandse belastingplichtigen aangemerkt. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR naar omstandigheden beoordeeld. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.



5.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat hij ten tijde van het overmaken van het geld naar de bankrekening van de [hogeschool] op 12 juni 2019 binnenlandse belastingplichtige was. Belanghebbende is sinds het begin van het jaar 2019 bezig met de procedure om te worden toegelaten tot de [hogeschool] . Vanaf dat moment heeft hij een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland en dient hij als inwoner van Nederland te worden aangemerkt, aldus belanghebbende.



5.3.
Het primaire standpunt van belanghebbende slaagt niet. De enkele stelling dat hij vanaf begin 2019 bezig is met de inschrijving bij de [hogeschool] , maakt nog niet dat hij vanaf dat moment als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt. Overige feiten en omstandigheden die zouden kunnen onderbouwen dat hij op 12 juni 2019 inwoner van Nederland was zijn niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt.



5.4.
Voor het zich voordoende geval dat belanghebbende ten tijde van de overboeking van het collegegeld naar de [hogeschool] niet als binnenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt, heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de betaling moet worden aangemerkt als een depotstorting. In dat geval vindt er op een later moment verrekening plaats in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter b, Wet IB 2001. Volgens belanghebbende vindt de verrekening van het collegegeld in zijn geval plaats op 1 september 2019. Niet in geschil is dat belanghebbende op dat moment binnenlandse belastingplichtige is.



5.5.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende het collegegeld op 12 juni 2019 heeft betaald in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001.



5.6.
De Hoge Raad legt een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001, in het arrest van 12 juli 2024, als volgt uit: “Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in de zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt, een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht.”



5.7.
Er is geen sprake van een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001: “indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting (…) ten grondslag ligt.” De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het standpunt dat de betaling geen betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is en wel een depotstorting, ligt bij belanghebbende.



5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het overmaken van het geld op 12 juni 2019 moet worden aangemerkt als een depotstorting. De rechtbank is van oordeel dat de betaling van belanghebbende op 12 juni 2019 is aan te merken als het overmaken van een geldbedrag waarbij tussen belanghebbende en de [hogeschool] een rechtsverhouding bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting voortvloeit ten aanzien van het betalen van het collegegeld. Zoals belanghebbende zelf ook aanvoert is hij al vanaf het begin van 2019 bezig met zijn aanmelding bij de [hogeschool] . Vanaf dat moment ontstaat er tussen belanghebbende en de [hogeschool] een rechtsverhouding die bij inschrijving aan de [hogeschool] een verplichting tot het betalen van collegegeld met zich brengt. Belanghebbende heeft wel gesteld, maar niet met stukken onderbouwd dat hij het overgemaakte geld voor 1 september 2019 terug kon roepen, waardoor het ervoor moet worden gehouden dat op 12 juni 2019 betaald is ter voldoening aan een toekomstige verplichting en dus geen sprake is van een depotstorting.



5.9.
De verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 17 september 2025 verandert het voorgaande oordeel niet. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er in dit geval ten aanzien van het overmaken van het collegegeld sprake is van dwaling aan de zijde van de [hogeschool] . Uit geen van de stukken volgt dat het niet de bedoeling was van de [hogeschool] om het collegegeld op 12 juni 2019 te innen. Dat de bepalingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whowo) niet nopen tot betaling van het collegegeld voorafgaand aan het studiejaar, staat er niet aan in de weg dat de [hogeschool] wel eerder betaling van het collegegeld kan verlangen en in dit geval ook verlangd heeft.



5.10.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende het collegegeld op 12 juni 2019 heeft betaald in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a Wet IB 2001. De scholingsuitgaven komen dan op grond van de Wet IB 2001 niet voor aftrek in aanmerking bij de aanslag IB/PVV 2019 van belanghebbende.



Vertrouwensbeginsel





5.11.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan. De gemachtigde heeft in het kader van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 contact gehad met een medewerker van de Belastingdienst. In een e-mailbericht heeft de medewerker van de Belastingdienst geschreven dat de aanslag IB/PVV 2020 van belanghebbende zal worden opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2020. In de aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende een beginstand van de persoonsgebonden aftrek van € 8.290 aangegeven. Nu op de aanslag IB/PVV 2020 eveneens staat vermeld dat de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren € 8.290 bedraagt, kan volgens belanghebbende daaraan het vertrouwen worden ontleent dat de aangegeven persoonsgebonden aftrek in de aangifte IB/PVV 2019 zou worden geaccepteerd.



5.12.
Het beroep op een schending van het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. In dit geval is niet expliciet door de medewerker van de Belastingdienst gezegd dat de aangeven persoonsgebonden aftrek voor de IB/PVV 2019 zou worden geaccepteerd. Daarbij komt dat de aanslag IB/PVV 2019 nog niet was opgelegd ten tijde van de verzending van het e-mailbericht door de medewerker van de Belastingdienst en ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020. In die omstandigheden kon belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan de vermelding van de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren bij de aanslag IB/PVV 2020. De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren volgt namelijk uit het restant persoonsgebonden aftrek van het jaar 2019, en die stond nog niet vast.



Discriminatieverbod in het belastingverdrag





5.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het niet in aftrek toestaan van de scholingsuitgaven in strijd is met de non-discriminatiebepaling van artikel 24, eerste lid, van het belastingverdrag.



5.14.
De inspecteur stelt dat van strijd met de non-discriminatiebepaling geen sprake is. Artikel 6.40 van de Wet IB kent voor iedereen een gelijke toepassing, aldus de inspecteur. Belanghebbende was op het moment van betaling geen inwoner van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige waardoor belanghebbende de scholingsuitgaven niet kon aftrekken. Van discriminatie is geen sprake omdat inwoners en niet-inwoners niet gelijk zijn voor de aftrekposten, aldus de inspecteur.



5.15.
Op grond van de non-discriminatiebepaling mag een onderdaan van de ene Staat niet aan een andere of zwaardere belastingheffing kunnen worden onderworpen dan een onderdaan van de andere Staat die onderworpen is aan dezelfde omstandigheden.



5.16.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2024 het volgende beslist: “Voor de beoordeling van dit geschilpunt is het van belang om vast te stellen of de regeling op grond waarvan belanghebbende als student met de Indiase nationaliteit collegegeld moest betalen voordat hij in Nederland kwam wonen, daarmee een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit maakt.”



5.17.
Om zich in te kunnen schrijven voor de studie aan de [hogeschool] moest belanghebbende in het bezit zijn van een verblijfsvergunning. Deze kon worden verleend indien belanghebbende ingeschreven was of ingeschreven zou worden aan de [hogeschool] . Belanghebbende zou niet eerder ingeschreven worden dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan. De Minister van Veiligheid en Justitie kan een tijdelijke verblijfsvergunning weigeren indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Middelen van bestaan zijn duurzaam indien een bepaald bedrag staat op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland of op de bankrekening van de onderwijsinstelling in Nederland waar de vreemdeling zich heeft ingeschreven.



5.18.
Anders dan belanghebbende meent, ligt het verschil in behandeling ten opzichte van studenten met de Nederlandse nationaliteit dus niet in het moment van betaling. Immers is het voor belanghebbende binnen de geldende wet- en regelgeving mogelijk om aan de vereisten voor de visumaanvraag en – in het verlengde daarvan – inschrijving bij een onderwijsinstelling te voldoen door voldoende middelen van bestaan aan te houden op een Nederlandse bankrekening. Vervolgens kan belanghebbende, na verkrijging van het visum en komst naar Nederland, overgaan tot betaling(en) aan de onderwijsinstelling. Niet gesteld of gebleken is dat dit voor belanghebbende – om welke reden dan ook – niet mogelijk is (geweest). Belanghebbende moest dus niet het bedrag voor zijn komst naar Nederland aan de onderwijsinstelling betalen.



5.19.
Voor zover wel een verschil in behandeling bestaat ten opzichte van studenten met de Nederlandse nationaliteit ten aanzien van het moment waarop het collegegeld moet worden betaald, acht de rechtbank dit onderscheid gerechtvaardigd. Het onderscheid bestaat om een redelijke mate van zekerheid te verkrijgen dat de student met een niet-Nederlandse nationaliteit kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud en kosten van studie. Deze zekerheid is van belang te achten bij de beslissing over de verlening van een verblijfsvergunning. In zoverre levert de eis vanuit de geldende regelgeving voor de verkrijging van een visum dus geen verboden discriminatie op, waardoor het ondervonden fiscale nadeel niet leidt tot strijd met het Verdrag.



5.20.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een verboden discriminatie op grond van artikel 24 van het belastingverdrag.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat aanslag IB/PVV 2019 en de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.







Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.2.


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.3.


Zie artikel 7.37 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.


Gerechtshof Den Haag, 17 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2293.


Artikel 7.37, tweede lid, Whowo.


Artikel 24, eerste lid, van het Verdrag.


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 6.2.2.


Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit 2000.


Artikel 7.37, tweede lid, Whowo.


Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.


Artikel 3.22 van het Voorschrift vreemdelingen 2000.