Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7165
2026-07-31
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 25/1082
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV 2020, gegrond te lage kostenvergoeding bezwaar, schending hoorplicht
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2022:1442 Hoge Raad 14-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2024:1796 Raad van State 02-05-2024
- ECLI:NL:HR:2020:1069 Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.717 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1082
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is (impliciet) een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil gegeven.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. Daarbij is de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 3.224. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 312 waarbij een factor 0.5 is gehanteerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, naar de juiste hoogte is vastgesteld. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden.
3. In het verweerschrift heeft de inspecteur zich op het nadere standpunt gesteld dat de hoorplicht is geschonden en een te lage kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. De rechtbank oordeelt overeenkomstig. Op zitting heeft gemachtigde het standpunt dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom laten varen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de vraag of belanghebbende recht heeft op een dwangsom.
Feiten
4. Op 6 mei 2024 is door de gemachtigde namens belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan middels een migratiebiljet. Belanghebbende heeft een bedrag van € 8.290 als persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven aangeven.
4.1.
In de aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende een persoonsgebonden aftrek van € 3.224 in verband met scholingsuitgaven aangegeven. Daarnaast heeft belanghebbende een restant persoonsgebonden aftrek aangegeven ter hoogte van € 8.290, in verband met de in de aangifte IB/PVV 2019 aangegeven persoonsgebonden aftrek.
4.2.
In een e-mailbericht van 24 juni 2024 heeft de inspecteur geschreven: ‘Ik zal de aanslag 2020 vaststellen zoals de aangifte door u is ingediend’.
4.3.
De definitieve aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld met dagtekening 12 juli 2024. Op het aanslagbiljet staat het volgende vermeld:
“De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren is € 8.290.
De nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren is € 0.
U kunt bezwaar maken tegen dit bedrag."
Motivering
Hoorplicht
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de hoorplicht is geschonden. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien.
4.5.
De rechtbank oordeelt overeenkomstig de standpunten van partijen dat de hoorplicht is geschonden. Het beroep is in zoverre gegrond. Gelet op het verzoek van belanghebbende aan de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen. In de schending van de hoorplicht en het onjuist vaststellen van de kostenvergoeding in bezwaar ziet de rechtbank wel aanleiding om te oordelen dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht dient te vergoeden en dat de inspecteur een proceskostenvergoeding aan belanghebbende verschuldigd is.
Kostenvergoeding bezwaar
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat bij de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 1 punt met een wegingsfactor 1 had moeten worden toegekend. Nu het tarief per punt voor de bezwaarfase in het jaar 2026 € 666 bedraagt, moet de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 666 worden gesteld.
Vertrouwensbeginsel
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de aanslag 2019 geen restant in volgende jaren te verrekenen persoonsgebonden aftrek is vastgesteld. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van deze rechtbank van 31 juli 2026 ongegrond is verklaard.
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan. De gemachtigde heeft in het kader van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 contact gehad met een medewerker van de Belastingdienst. In een e-mailbericht heeft de medewerker van de Belastingdienst geschreven dat de aanslag IB/PVV 2020 van belanghebbende zal worden opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2020 (4.2). In de aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende een beginstand van de persoonsgebonden aftrek van € 8.290 aangegeven. Nu op de aanslag IB/PVV 2020 eveneens staat vermeld dat de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren € 8.290 bedraagt, kan volgens belanghebbende daaraan het vertrouwen worden ontleend dat de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in het jaar 2020 € 11.543 bedraagt.
4.9.
Het beroep op een schending van het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. In dit geval is niet expliciet door de medewerker van de Belastingdienst gezegd dat de aangeven persoonsgebonden aftrek voor de IB/PVV 2019 zou worden geaccepteerd. Daarbij komt dat de aanslag IB/PVV 2019 nog niet was opgelegd ten tijde van de verzending van het e-mailbericht door de medewerker van de Belastingdienst en ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020. In die omstandigheden kon belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan de vermelding van de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren bij de aanslag IB/PVV 2020. De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren volgt namelijk uit het restant persoonsgebonden aftrek van het jaar 2019, en die stond nog niet vast.
4.10.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende geen recht op een hogere persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven dan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden en omdat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan aan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld en is als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Gelet op wat is overwogen in 4.6. stelt de rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en was aanwezig ter zitting (1 punt). De rechtbank heeft in dit geval voor de beroepsfase een factor 0.5 toegepast voor de zwaarte van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is, omdat het beroep vanwege schending van de hoorplicht en de te lage kostenvergoeding in bezwaar gegrond is verklaard. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 934.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 666 onder verrekening van hetgeen reeds is betaald;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase aan belanghebbende van € 934.
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1442 en Raad van State 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.
De volgens belanghebbende te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit 2019 van € 8.290, vermeerderd met de voor het jaar 2020 in aftrek toegestane scholingsuitgaven van € 3.224.
Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1082
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is (impliciet) een beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek van nihil gegeven.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. Daarbij is de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 3.224. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 312 waarbij een factor 0.5 is gehanteerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek naar de juiste hoogte is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, naar de juiste hoogte is vastgesteld. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden.
3. In het verweerschrift heeft de inspecteur zich op het nadere standpunt gesteld dat de hoorplicht is geschonden en een te lage kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. De rechtbank oordeelt overeenkomstig. Op zitting heeft gemachtigde het standpunt dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom laten varen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de vraag of belanghebbende recht heeft op een dwangsom.
Feiten
4. Op 6 mei 2024 is door de gemachtigde namens belanghebbende aangifte IB/PVV 2019 gedaan middels een migratiebiljet. Belanghebbende heeft een bedrag van € 8.290 als persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven aangeven.
4.1.
In de aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende een persoonsgebonden aftrek van € 3.224 in verband met scholingsuitgaven aangegeven. Daarnaast heeft belanghebbende een restant persoonsgebonden aftrek aangegeven ter hoogte van € 8.290, in verband met de in de aangifte IB/PVV 2019 aangegeven persoonsgebonden aftrek.
4.2.
In een e-mailbericht van 24 juni 2024 heeft de inspecteur geschreven: ‘Ik zal de aanslag 2020 vaststellen zoals de aangifte door u is ingediend’.
4.3.
De definitieve aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld met dagtekening 12 juli 2024. Op het aanslagbiljet staat het volgende vermeld:
“De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren is € 8.290.
De nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren is € 0.
U kunt bezwaar maken tegen dit bedrag."
Motivering
Hoorplicht
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de hoorplicht is geschonden. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien.
4.5.
De rechtbank oordeelt overeenkomstig de standpunten van partijen dat de hoorplicht is geschonden. Het beroep is in zoverre gegrond. Gelet op het verzoek van belanghebbende aan de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen. In de schending van de hoorplicht en het onjuist vaststellen van de kostenvergoeding in bezwaar ziet de rechtbank wel aanleiding om te oordelen dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht dient te vergoeden en dat de inspecteur een proceskostenvergoeding aan belanghebbende verschuldigd is.
Kostenvergoeding bezwaar
4.6.
Partijen zijn het erover eens dat bij de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 1 punt met een wegingsfactor 1 had moeten worden toegekend. Nu het tarief per punt voor de bezwaarfase in het jaar 2026 € 666 bedraagt, moet de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 666 worden gesteld.
Vertrouwensbeginsel
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de aanslag 2019 geen restant in volgende jaren te verrekenen persoonsgebonden aftrek is vastgesteld. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van deze rechtbank van 31 juli 2026 ongegrond is verklaard.
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan. De gemachtigde heeft in het kader van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 contact gehad met een medewerker van de Belastingdienst. In een e-mailbericht heeft de medewerker van de Belastingdienst geschreven dat de aanslag IB/PVV 2020 van belanghebbende zal worden opgelegd conform de ingediende aangifte IB/PVV 2020 (4.2). In de aangifte IB/PVV 2020 heeft belanghebbende een beginstand van de persoonsgebonden aftrek van € 8.290 aangegeven. Nu op de aanslag IB/PVV 2020 eveneens staat vermeld dat de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren € 8.290 bedraagt, kan volgens belanghebbende daaraan het vertrouwen worden ontleend dat de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in het jaar 2020 € 11.543 bedraagt.
4.9.
Het beroep op een schending van het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. In dit geval is niet expliciet door de medewerker van de Belastingdienst gezegd dat de aangeven persoonsgebonden aftrek voor de IB/PVV 2019 zou worden geaccepteerd. Daarbij komt dat de aanslag IB/PVV 2019 nog niet was opgelegd ten tijde van de verzending van het e-mailbericht door de medewerker van de Belastingdienst en ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020. In die omstandigheden kon belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan de vermelding van de te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren bij de aanslag IB/PVV 2020. De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren volgt namelijk uit het restant persoonsgebonden aftrek van het jaar 2019, en die stond nog niet vast.
4.10.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende geen recht op een hogere persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven dan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden en omdat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan aan hem bij de uitspraak op bezwaar is toegekend. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld en is als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Gelet op wat is overwogen in 4.6. stelt de rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en was aanwezig ter zitting (1 punt). De rechtbank heeft in dit geval voor de beroepsfase een factor 0.5 toegepast voor de zwaarte van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is, omdat het beroep vanwege schending van de hoorplicht en de te lage kostenvergoeding in bezwaar gegrond is verklaard. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 934.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 666 onder verrekening van hetgeen reeds is betaald;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase aan belanghebbende van € 934.
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1442 en Raad van State 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.
De volgens belanghebbende te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit 2019 van € 8.290, vermeerderd met de voor het jaar 2020 in aftrek toegestane scholingsuitgaven van € 3.224.
Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.