Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7125
2026-07-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/438522 FA RK 25-4065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen relevante wijziging van omstandigheden die noopt tot verlaging van vastgestelde kinderalimentatie. Inkomen voor herstel vatbaar. Geboorte nieuw kind, maar draagkracht nog voldoende om vastgestelde kinderalimentatie te voldoen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:93 Gerechtshof Den Haag 08-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.885 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438522 FA RK 25-4065
9 juli 2026
beschikking betreffende verdeling zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T.H. Hermans,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J.W. Vugs.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 1 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;
- het op 3 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van de man;
- het op 11 mei 2026 ontvangen zelfstandig verzoek van de man met bijlagen;
- de brief van mr. Vugs van 11 mei 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Hermans van 12 mei 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Vugs van 21 mei 2026, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2024 en de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 22 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017. [minderjarige 1] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;
- ingevolge voormelde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2024 dient de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te betalen van € 366,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die bijdrage in 2025 € 389,79 per maand en in 2026 € 407,72 per maand;
- ingevolgde voormelde beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025 geldt een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1] waarbij – samengevat – [minderjarige 1] bij de vrouw verblijft in de oneven weken van vrijdag na school tot maandag voor school en de helft van de vakanties en feestdagen, en waarbij de vrouw en [minderjarige 1] iedere woensdag telefonisch contact hebben.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, de door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] nader vast te stellen op € 135,10 per maand, met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift.
3.2
De man verzoekt:
- te bepalen dat [minderjarige 1] en de man telefonisch contact hebben met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is;
- te bepalen dat [minderjarige 1] op Moederdag altijd vanaf 10.00 uur bij de vrouw is en op Vaderdag altijd vanaf 10.00 uur bij de man is voor zover [minderjarige 1] in het betreffende weekend niet bij die ouder is, waarbij de vrouw zoals gebruikelijk het halen en brengen van [minderjarige 1] voor haar rekening neemt;
- voorwaardelijk, indien de rechtbank toekomt aan een herberekening van de kinderalimentatie, de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] nader vast te stellen op € 529,= per maand, met ingang van de datum van de beschikking.
4De beoordeling
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
4.1
De man verzoekt, in aanvulling op de al bestaande zorgregeling, te bepalen dat [minderjarige 1] en hij telefonisch contact hebben met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu de vrouw met dit verzoek instemt en niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich hiertegen verzet.
4.2
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over het contact met [minderjarige 1] op Moederdag en Vaderdag. Omdat er geen specifieke regeling voor Moederdag en Vaderdag is vastgelegd, loopt de reguliere regeling op deze dagen door, zoals ook volgt uit de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025. Dit kan tot gevolg hebben dat [minderjarige 1] niet altijd op Moederdag bij haar moeder is en op Vaderdag bij haar vader.
4.3
De man vindt het voor [minderjarige 1] belangrijk dat zij deze dagen bij de betreffende ouder kan vieren en verzoekt daarom te bepalen dat [minderjarige 1] op Moederdag altijd vanaf 10.00 uur bij de vrouw is en op Vaderdag altijd vanaf 10.00 uur bij de man is voor zover [minderjarige 1] in het betreffende weekend niet bij die ouder is, waarbij de vrouw zoals gebruikelijk het halen en brengen van [minderjarige 1] voor haar rekening neemt. Het halen en brengen door de vrouw is al eerder zo bepaald, omdat de vrouw zonder toestemming van de man ver weg is gaan wonen. Gezien de gebeurtenissen in het verleden tussen de man en de nieuwe partner van de vrouw, wil de man niet geconfronteerd worden met deze nieuwe partner. De man is daarom niet bereid [minderjarige 1] te halen en brengen op Moederdag en/of Vaderdag.
4.4
De vrouw kan zich er wel in vinden dat [minderjarige 1] op Moederdag bij haar is en op Vaderdag bij de man, maar zij kan er niet mee instemmen dat zij het halen en brengen op deze dagen op zich moet nemen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het rijden lastig voor haar is op deze dagen, ook in verband met de andere kinderen in haar gezin. Indien de man [minderjarige 1] haalt en brengt, kan de vrouw instemmen met de voorgestelde regeling. Zo niet, dan heeft het haar voorkeur dat de reguliere regeling doorloopt.
4.5
De rechtbank zou [minderjarige 1] gunnen dat zij op Moederdag bij haar moeder kan zijn en op Vaderdag bij haar vader, maar dat is alleen mogelijk indien haar ouders in staat zijn dat praktisch te regelen. Dat is niet het geval. Duidelijk is geworden dat de verhouding en de communicatie tussen partijen nog steeds niet goed is en dat de hulpverlening en vele procedures/beschikkingen tussen hen geen verbetering hebben gebracht in die situatie. Beide partijen werpen nu bezwaren op in verband met de praktische uitvoering (halen en brengen) van de regeling voor Moederdag en Vaderdag en er is geen oplossing denkbaar die aan alle betrokken belangen tegemoetkomt. In die situatie wegen de nadelen van het heen en weer rijden voor één dag, de onrust en de wisselingen die daarbij komen kijken niet op tegen de voordelen van het contact tussen [minderjarige 1] en de betreffende ouder op die dag. De rechtbank acht het voor [minderjarige 1] het minst belastend om de regeling voor Moederdag en Vaderdag te houden zoals deze nu is. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
Kinderalimentatie
4.6
De vrouw verzoekt de door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te verlagen tot € 135,10 per maand met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift. Als grond voor haar verzoek voert zij aan dat sinds voormelde beschikking van het gerechtshof van 24 oktober 2024 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband voert zij twee wijzigingen aan. In de eerste plaats zijn de vrouw en haar echtgenoot (de heer [persoon] ) op 24 januari 2025 ouders geworden van hun tweede kindje, [minderjarige 2] . Zij hadden al een zoon ( [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2022). De heer [persoon] heeft daarnaast nog twee dochters uit een vorige relatie ( [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ), die de helft van de tijd in het gezin van de vrouw en de heer [persoon] verblijven. De draagkracht van de vrouw dient sinds de geboorte van [minderjarige 2] dan ook verdeeld te worden over in totaal vijf kinderen. In de tweede plaats is het inkomen van de heer [persoon] gewijzigd. Zijn contract is niet verlengd waardoor hij is aangewezen op een WW-uitkering van € 4.390,= bruto per maand. Het is de bedoeling dat de heer [persoon] weer gaat werken in een vergelijkbare functie, maar ondanks zijn sollicitatiepogingen heeft hij nog geen nieuwe baan gevonden.
4.7
De man stelt dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die noopt tot wijziging van de door het gerechtshof vastgestelde bijdrage. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93, voert de man aan dat de geboorte van een kind niet leidt tot wijziging van de kinderalimentatie zolang beide ouders in staat zijn om aan de overeengekomen onderhoudsverplichting te blijven voldoen en zij ook niet boven hun draagkracht worden belast. Die situatie doet zich hier ook voor. De omstandigheid dat de heer [persoon] weer aanspraak moet maken op een WW-uitkering, moet niet ten koste gaan van de bijdrage die de vrouw voor [minderjarige 1] moet betalen. De discussie over de verdiencapaciteit is eerder bij het gerechtshof ook al gevoerd. De heer [persoon] is toen enige tijd werkloos geweest, waarbij niet was aangetoond dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar was, en vervolgens had hij een baan gevonden waarin hij meer is gaan verdienen. Niet onderbouwd is waarom het contract van de heer [persoon] nu niet is verlengd. Van de heer [persoon] mag verwacht en gevergd worden dat hij zijn oude inkomen weer gaat verwerven. De man gaat er vanuit dat de heer [persoon] op korte termijn weer een baan met een vergelijkbaar inkomen zal hebben.
Daarnaast vindt de man het bijzonder dat de vrouw meent dat een mogelijke lagere draagkracht van haar echtgenoot direct zijn weerslag moet hebben op [minderjarige 1] . De heer [persoon] is niet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] . Indien zijn draagkracht onvoldoende zou zijn om in de kosten van zijn kinderen ( [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ) te voorzien, ligt het op zijn weg om allereerst de bijdrage voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te laten aanpassen. Daar is niet van gebleken. Het is niet logisch dat de vrouw dan probeert de alimentatie voor [minderjarige 1] te laten verlagen. Daar komt bij dat door de vrouw nog steeds geen inzage wordt gegeven in de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] noch in het aandeel dat hun moeder in die kosten kan dragen, terwijl dat wel op haar weg ligt. Pas als al die gegevens bekend zijn en komt vast te staan dat de heer [persoon] niet meer in staat is om bij te dragen in de kosten van zijn vier kinderen, kan worden beoordeeld of de bijdrage voor [minderjarige 1] zou moeten worden aangepast. Daarbij zou een eventueel tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen over alle kinderen verdeeld moeten worden. Het kan niet zo zijn dat de bijdrage voor [minderjarige 1] wijzigt en de bijdrage voor de andere kinderen niet.
4.8
De rechtbank overweegt omtrent de grondslag van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderbijdrage als volgt. De omstandigheid dat de echtgenoot van de vrouw, de heer [persoon] , een WW-uitkering ontvangt, levert naar het oordeel van de rechtbank geen relevante wijziging van omstandigheden op die moet leiden tot een wijziging van de bijdrage die de vrouw voor [minderjarige 1] betaalt. Door de vrouw is op de zitting toegelicht dat de heer [persoon] aan het solliciteren is op een vergelijkbare baan, dat het de verwachting is dat hij die weer zal krijgen en dat hij op dit moment in de derde ronde van een sollicitatieprocedure zit. De rechtbank acht de heer [persoon] in staat zich het oorspronkelijke inkomen te verwerven en is van oordeel dat dit kan ook van hem worden gevergd. Dat er enige tijd overheen gaat om een baan te vinden, maakt niet dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. Nu de inkomensvermindering voor herstel vatbaar wordt geacht, wordt voor de bepaling van de draagkracht van de heer [persoon] uitgegaan van zijn oude inkomen. Tot zover is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden.
4.9
De geboorte van de dochter van de vrouw en de heer [persoon] , [minderjarige 2] , leidt onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot een aanpassing van de bijdrage van de vrouw voor [minderjarige 1] . Daartoe wordt als volgt overwogen. Voor de wijze waarop de samenloop van de onderhoudsverplichtingen in het onderhavige geval benaderd moet worden, volgt de rechtbank de beschikking van het gerechtshof van 24 oktober 2024. Partijen zijn het er op de zitting over eens gebleken dat de uitgangspunten van deze beschikking kunnen worden gevolgd. Bovendien beschikt de rechtbank op de betreffende punten ook niet over meer informatie dan het gerechtshof destijds (met name op het punt van de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] en het aandeel van hun moeder daarin). Dit betekent dat de rechtbank, net als het gerechtshof, uitgaat van een gelijke behoefte van alle kinderen, welke behoefte in 2023 € 704,= per maand per kind en in 2024 € 748,= per maand per kind bedroeg. Daarnaast wordt er, bij gebreke aan genoemde gegevens en gelet op de hoge draagkracht van de heer [persoon] , vanuit gegaan dat de heer [persoon] en de moeder van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] samen volledig in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kunnen voorzien, zodat de vrouw haar draagkracht volledig kan aanwenden voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en nu ook [minderjarige 2] . Het gerechtshof heeft ten slotte partijen gevolgd in het in mindering brengen van de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op de draagkracht van de heer [persoon] , omdat in alle gevallen volledig in de behoefte van [minderjarige 3] kon worden voorzien.
4.10
Uitgaande van de financiële situatie van de onderhoudsplichtigen op het moment van de beschikking van het gerechtshof in 2024, zou de vrouw ook na de geboorte van [minderjarige 2] over ruim voldoende draagkracht beschikken om te voorzien in haar aandeel in de kosten van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De draagkracht van de vrouw is door het gerechtshof immers becijferd op € 1.198,= per maand. Na betaling van de vastgestelde bijdrage voor [minderjarige 1] van – op dat moment – € 366,= per maand, resteert een draagkracht voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van € 832,= per maand. De draagkracht van de heer [persoon] is, na aftrek van de kosten voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , door het gerechtshof vastgesteld op € 903,= per maand. Dit leidt tot een gezamenlijke draagkracht van de vrouw en de heer [persoon] voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van
€ 1.735,= per maand. Dat is ruim voldoende om in de behoefte van zowel [minderjarige 3] als [minderjarige 2] te voorzien, indien de behoefte van [minderjarige 2] gelijk zou worden gesteld aan de behoefte van [minderjarige 3] (en de overige kinderen), te weten op – in 2024 – € 748,= per maand.
4.11
Sinds genoemde beschikking van het gerechtshof is in het inkomen van de vrouw geen wijziging gekomen, althans geen negatieve wijziging. Haar basisinkomen is licht gestegen, tussen partijen is in geschil of zij het afgelopen jaar een bonus heeft ontvangen. Ook het inkomen van de heer [persoon] is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gewijzigd. Dit leidt ertoe dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ook op dit moment over ruim voldoende draagkracht beschikt om zowel de vastgestelde bijdrage voor [minderjarige 1] te voldoen als haar aandeel in de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De geboorte van [minderjarige 2] is aldus niet aan te merken als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
4.12
De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat zich geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden voordoet die noopt tot een verlaging van de door de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] zoals vastgesteld bij de beschikking van het gerechtshof. Reeds hierom wordt het verzoek van de vrouw tot wijziging van de bijdrage voor [minderjarige 1] afgewezen. Aan een beoordeling van de overige discussiepunten tussen partijen ten aanzien van de kinderalimentatie wordt niet toegekomen.
4.13
Omdat de rechtbank niet toekomt aan een herberekening van de kinderalimentatie, is niet voldaan aan de voorwaarde voor het zelfstandig verzoek van de man tot verhoging van de bijdrage voor [minderjarige 1] . Aan een beoordeling van dit voorwaardelijk zelfstandig verzoek wordt dan ook niet toegekomen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, in aanvulling op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025, dat de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, gerechtigd zijn tot het hebben van telefonisch contact met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst de overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438522 FA RK 25-4065
9 juli 2026
beschikking betreffende verdeling zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T.H. Hermans,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J.W. Vugs.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 1 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;
- het op 3 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van de man;
- het op 11 mei 2026 ontvangen zelfstandig verzoek van de man met bijlagen;
- de brief van mr. Vugs van 11 mei 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Hermans van 12 mei 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Vugs van 21 mei 2026, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2024 en de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 22 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2De feiten
2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017. [minderjarige 1] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;
- ingevolge voormelde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2024 dient de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te betalen van € 366,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die bijdrage in 2025 € 389,79 per maand en in 2026 € 407,72 per maand;
- ingevolgde voormelde beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025 geldt een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1] waarbij – samengevat – [minderjarige 1] bij de vrouw verblijft in de oneven weken van vrijdag na school tot maandag voor school en de helft van de vakanties en feestdagen, en waarbij de vrouw en [minderjarige 1] iedere woensdag telefonisch contact hebben.
3De verzoeken
3.1
De vrouw verzoekt, samengevat, de door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] nader vast te stellen op € 135,10 per maand, met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift.
3.2
De man verzoekt:
- te bepalen dat [minderjarige 1] en de man telefonisch contact hebben met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is;
- te bepalen dat [minderjarige 1] op Moederdag altijd vanaf 10.00 uur bij de vrouw is en op Vaderdag altijd vanaf 10.00 uur bij de man is voor zover [minderjarige 1] in het betreffende weekend niet bij die ouder is, waarbij de vrouw zoals gebruikelijk het halen en brengen van [minderjarige 1] voor haar rekening neemt;
- voorwaardelijk, indien de rechtbank toekomt aan een herberekening van de kinderalimentatie, de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] nader vast te stellen op € 529,= per maand, met ingang van de datum van de beschikking.
4De beoordeling
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
4.1
De man verzoekt, in aanvulling op de al bestaande zorgregeling, te bepalen dat [minderjarige 1] en hij telefonisch contact hebben met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu de vrouw met dit verzoek instemt en niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich hiertegen verzet.
4.2
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over het contact met [minderjarige 1] op Moederdag en Vaderdag. Omdat er geen specifieke regeling voor Moederdag en Vaderdag is vastgelegd, loopt de reguliere regeling op deze dagen door, zoals ook volgt uit de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025. Dit kan tot gevolg hebben dat [minderjarige 1] niet altijd op Moederdag bij haar moeder is en op Vaderdag bij haar vader.
4.3
De man vindt het voor [minderjarige 1] belangrijk dat zij deze dagen bij de betreffende ouder kan vieren en verzoekt daarom te bepalen dat [minderjarige 1] op Moederdag altijd vanaf 10.00 uur bij de vrouw is en op Vaderdag altijd vanaf 10.00 uur bij de man is voor zover [minderjarige 1] in het betreffende weekend niet bij die ouder is, waarbij de vrouw zoals gebruikelijk het halen en brengen van [minderjarige 1] voor haar rekening neemt. Het halen en brengen door de vrouw is al eerder zo bepaald, omdat de vrouw zonder toestemming van de man ver weg is gaan wonen. Gezien de gebeurtenissen in het verleden tussen de man en de nieuwe partner van de vrouw, wil de man niet geconfronteerd worden met deze nieuwe partner. De man is daarom niet bereid [minderjarige 1] te halen en brengen op Moederdag en/of Vaderdag.
4.4
De vrouw kan zich er wel in vinden dat [minderjarige 1] op Moederdag bij haar is en op Vaderdag bij de man, maar zij kan er niet mee instemmen dat zij het halen en brengen op deze dagen op zich moet nemen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het rijden lastig voor haar is op deze dagen, ook in verband met de andere kinderen in haar gezin. Indien de man [minderjarige 1] haalt en brengt, kan de vrouw instemmen met de voorgestelde regeling. Zo niet, dan heeft het haar voorkeur dat de reguliere regeling doorloopt.
4.5
De rechtbank zou [minderjarige 1] gunnen dat zij op Moederdag bij haar moeder kan zijn en op Vaderdag bij haar vader, maar dat is alleen mogelijk indien haar ouders in staat zijn dat praktisch te regelen. Dat is niet het geval. Duidelijk is geworden dat de verhouding en de communicatie tussen partijen nog steeds niet goed is en dat de hulpverlening en vele procedures/beschikkingen tussen hen geen verbetering hebben gebracht in die situatie. Beide partijen werpen nu bezwaren op in verband met de praktische uitvoering (halen en brengen) van de regeling voor Moederdag en Vaderdag en er is geen oplossing denkbaar die aan alle betrokken belangen tegemoetkomt. In die situatie wegen de nadelen van het heen en weer rijden voor één dag, de onrust en de wisselingen die daarbij komen kijken niet op tegen de voordelen van het contact tussen [minderjarige 1] en de betreffende ouder op die dag. De rechtbank acht het voor [minderjarige 1] het minst belastend om de regeling voor Moederdag en Vaderdag te houden zoals deze nu is. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
Kinderalimentatie
4.6
De vrouw verzoekt de door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te verlagen tot € 135,10 per maand met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift. Als grond voor haar verzoek voert zij aan dat sinds voormelde beschikking van het gerechtshof van 24 oktober 2024 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband voert zij twee wijzigingen aan. In de eerste plaats zijn de vrouw en haar echtgenoot (de heer [persoon] ) op 24 januari 2025 ouders geworden van hun tweede kindje, [minderjarige 2] . Zij hadden al een zoon ( [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2022). De heer [persoon] heeft daarnaast nog twee dochters uit een vorige relatie ( [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ), die de helft van de tijd in het gezin van de vrouw en de heer [persoon] verblijven. De draagkracht van de vrouw dient sinds de geboorte van [minderjarige 2] dan ook verdeeld te worden over in totaal vijf kinderen. In de tweede plaats is het inkomen van de heer [persoon] gewijzigd. Zijn contract is niet verlengd waardoor hij is aangewezen op een WW-uitkering van € 4.390,= bruto per maand. Het is de bedoeling dat de heer [persoon] weer gaat werken in een vergelijkbare functie, maar ondanks zijn sollicitatiepogingen heeft hij nog geen nieuwe baan gevonden.
4.7
De man stelt dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die noopt tot wijziging van de door het gerechtshof vastgestelde bijdrage. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93, voert de man aan dat de geboorte van een kind niet leidt tot wijziging van de kinderalimentatie zolang beide ouders in staat zijn om aan de overeengekomen onderhoudsverplichting te blijven voldoen en zij ook niet boven hun draagkracht worden belast. Die situatie doet zich hier ook voor. De omstandigheid dat de heer [persoon] weer aanspraak moet maken op een WW-uitkering, moet niet ten koste gaan van de bijdrage die de vrouw voor [minderjarige 1] moet betalen. De discussie over de verdiencapaciteit is eerder bij het gerechtshof ook al gevoerd. De heer [persoon] is toen enige tijd werkloos geweest, waarbij niet was aangetoond dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar was, en vervolgens had hij een baan gevonden waarin hij meer is gaan verdienen. Niet onderbouwd is waarom het contract van de heer [persoon] nu niet is verlengd. Van de heer [persoon] mag verwacht en gevergd worden dat hij zijn oude inkomen weer gaat verwerven. De man gaat er vanuit dat de heer [persoon] op korte termijn weer een baan met een vergelijkbaar inkomen zal hebben.
Daarnaast vindt de man het bijzonder dat de vrouw meent dat een mogelijke lagere draagkracht van haar echtgenoot direct zijn weerslag moet hebben op [minderjarige 1] . De heer [persoon] is niet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] . Indien zijn draagkracht onvoldoende zou zijn om in de kosten van zijn kinderen ( [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ) te voorzien, ligt het op zijn weg om allereerst de bijdrage voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te laten aanpassen. Daar is niet van gebleken. Het is niet logisch dat de vrouw dan probeert de alimentatie voor [minderjarige 1] te laten verlagen. Daar komt bij dat door de vrouw nog steeds geen inzage wordt gegeven in de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] noch in het aandeel dat hun moeder in die kosten kan dragen, terwijl dat wel op haar weg ligt. Pas als al die gegevens bekend zijn en komt vast te staan dat de heer [persoon] niet meer in staat is om bij te dragen in de kosten van zijn vier kinderen, kan worden beoordeeld of de bijdrage voor [minderjarige 1] zou moeten worden aangepast. Daarbij zou een eventueel tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen over alle kinderen verdeeld moeten worden. Het kan niet zo zijn dat de bijdrage voor [minderjarige 1] wijzigt en de bijdrage voor de andere kinderen niet.
4.8
De rechtbank overweegt omtrent de grondslag van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderbijdrage als volgt. De omstandigheid dat de echtgenoot van de vrouw, de heer [persoon] , een WW-uitkering ontvangt, levert naar het oordeel van de rechtbank geen relevante wijziging van omstandigheden op die moet leiden tot een wijziging van de bijdrage die de vrouw voor [minderjarige 1] betaalt. Door de vrouw is op de zitting toegelicht dat de heer [persoon] aan het solliciteren is op een vergelijkbare baan, dat het de verwachting is dat hij die weer zal krijgen en dat hij op dit moment in de derde ronde van een sollicitatieprocedure zit. De rechtbank acht de heer [persoon] in staat zich het oorspronkelijke inkomen te verwerven en is van oordeel dat dit kan ook van hem worden gevergd. Dat er enige tijd overheen gaat om een baan te vinden, maakt niet dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. Nu de inkomensvermindering voor herstel vatbaar wordt geacht, wordt voor de bepaling van de draagkracht van de heer [persoon] uitgegaan van zijn oude inkomen. Tot zover is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden.
4.9
De geboorte van de dochter van de vrouw en de heer [persoon] , [minderjarige 2] , leidt onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot een aanpassing van de bijdrage van de vrouw voor [minderjarige 1] . Daartoe wordt als volgt overwogen. Voor de wijze waarop de samenloop van de onderhoudsverplichtingen in het onderhavige geval benaderd moet worden, volgt de rechtbank de beschikking van het gerechtshof van 24 oktober 2024. Partijen zijn het er op de zitting over eens gebleken dat de uitgangspunten van deze beschikking kunnen worden gevolgd. Bovendien beschikt de rechtbank op de betreffende punten ook niet over meer informatie dan het gerechtshof destijds (met name op het punt van de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] en het aandeel van hun moeder daarin). Dit betekent dat de rechtbank, net als het gerechtshof, uitgaat van een gelijke behoefte van alle kinderen, welke behoefte in 2023 € 704,= per maand per kind en in 2024 € 748,= per maand per kind bedroeg. Daarnaast wordt er, bij gebreke aan genoemde gegevens en gelet op de hoge draagkracht van de heer [persoon] , vanuit gegaan dat de heer [persoon] en de moeder van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] samen volledig in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kunnen voorzien, zodat de vrouw haar draagkracht volledig kan aanwenden voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en nu ook [minderjarige 2] . Het gerechtshof heeft ten slotte partijen gevolgd in het in mindering brengen van de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op de draagkracht van de heer [persoon] , omdat in alle gevallen volledig in de behoefte van [minderjarige 3] kon worden voorzien.
4.10
Uitgaande van de financiële situatie van de onderhoudsplichtigen op het moment van de beschikking van het gerechtshof in 2024, zou de vrouw ook na de geboorte van [minderjarige 2] over ruim voldoende draagkracht beschikken om te voorzien in haar aandeel in de kosten van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De draagkracht van de vrouw is door het gerechtshof immers becijferd op € 1.198,= per maand. Na betaling van de vastgestelde bijdrage voor [minderjarige 1] van – op dat moment – € 366,= per maand, resteert een draagkracht voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van € 832,= per maand. De draagkracht van de heer [persoon] is, na aftrek van de kosten voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , door het gerechtshof vastgesteld op € 903,= per maand. Dit leidt tot een gezamenlijke draagkracht van de vrouw en de heer [persoon] voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] van
€ 1.735,= per maand. Dat is ruim voldoende om in de behoefte van zowel [minderjarige 3] als [minderjarige 2] te voorzien, indien de behoefte van [minderjarige 2] gelijk zou worden gesteld aan de behoefte van [minderjarige 3] (en de overige kinderen), te weten op – in 2024 – € 748,= per maand.
4.11
Sinds genoemde beschikking van het gerechtshof is in het inkomen van de vrouw geen wijziging gekomen, althans geen negatieve wijziging. Haar basisinkomen is licht gestegen, tussen partijen is in geschil of zij het afgelopen jaar een bonus heeft ontvangen. Ook het inkomen van de heer [persoon] is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gewijzigd. Dit leidt ertoe dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ook op dit moment over ruim voldoende draagkracht beschikt om zowel de vastgestelde bijdrage voor [minderjarige 1] te voldoen als haar aandeel in de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De geboorte van [minderjarige 2] is aldus niet aan te merken als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
4.12
De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat zich geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden voordoet die noopt tot een verlaging van de door de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] zoals vastgesteld bij de beschikking van het gerechtshof. Reeds hierom wordt het verzoek van de vrouw tot wijziging van de bijdrage voor [minderjarige 1] afgewezen. Aan een beoordeling van de overige discussiepunten tussen partijen ten aanzien van de kinderalimentatie wordt niet toegekomen.
4.13
Omdat de rechtbank niet toekomt aan een herberekening van de kinderalimentatie, is niet voldaan aan de voorwaarde voor het zelfstandig verzoek van de man tot verhoging van de bijdrage voor [minderjarige 1] . Aan een beoordeling van dit voorwaardelijk zelfstandig verzoek wordt dan ook niet toegekomen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, in aanvulling op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025, dat de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, gerechtigd zijn tot het hebben van telefonisch contact met elkaar op woensdagavond als [minderjarige 1] gedurende de schoolvakanties bij de vrouw is;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst de overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.