Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7119
2026-07-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449048 / KG ZA 26-308
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding - relatieve bevoegdheid - afwijzing vorderingen i.v.m. complexe situatie en lopende bodemzaak bij andere rechtbank.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.113 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449048 / KG ZA 26-308
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[ouder 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
advocaat: mr. M.B. Chylinska te Zaandam,
tegen
[ouder 2]
,
wonende op adres gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank,
gedaagde in conventie,
advocaat: mr. D. Marcus te Goirle.
Partijen zullen hierna ‘ [ouder 1] ’ en ‘ [ouder 2] ’ genoemd worden.
Over de minderjarige:
- [minderjarige]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met vier producties;
- de stelbrief van mr. Marcus van 16 juni 2026;
- producties 1 tot en met 7 van mr. Marcus van 24 juni 2026;
- het bericht van mr. Marcus van 25 juni 2026;
- het bericht met bijlagen van mr. Chylinska van 29 juni 2026.
1.2.
Op 30 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren, omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen [ouder 1] bijgestaan door haar advocaat en [ouder 2] , bijgestaan door mr. M.M. van der Marel als waarnemend advocaat. Daarnaast is verschenen een medewerker namens de Raad.
1.4.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. Ter zitting blijkt dat de brief aan [minderjarige] is gestuurd naar het adres van [ouder 1] . [ouder 1] heeft [ouder 2] niet rechtstreeks op de hoogte gebracht van deze uitnodiging. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [minderjarige] opnieuw uit te nodigen voor een kindgesprek. [minderjarige] heeft in de procedure bij rechtbank Rotterdam een brief geschreven waarin zij haar mening kenbaar maakt. Deze brief is door [ouder 2] in het geding gebracht als productie 3. Volledigheidshalve meldt de voorzieningenrechter hier dat mr. Marcus op 25 juni 2026 het verzoek heeft gedaan om [minderjarige] aanwezig te laten zijn bij de zitting, zodat zij kon horen wat er besproken en besloten wordt. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is uit [ouder 1] geboren. [ouder 2] heeft als levensgezel van [ouder 1] ingestemd met een daad die de verwekking van [minderjarige] tot gevolg heeft gehad.
2.2.
[ouder 2] heeft [minderjarige] erkend. [ouder 1] is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van rechtbank Rotterdam van 17 mei 2017 is, voor zover hier van belang, bepaald dat [ouder 2] [minderjarige] bij zich heeft een weekend per veertien dagen, alsmede de helft van de schoolvakanties.
2.4.
Na het weekend van 7 juni 2026 heeft [ouder 2] [minderjarige] niet bij [ouder 1] teruggebracht. Tussen partijen staat vast dat [ouder 1] en [minderjarige] elkaar sindsdien niet meer hebben gezien. Er is tussen hen wel contact via WhatsApp.
2.5.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij rechtbank Rotterdam. Namens [ouder 2] is bij die rechtbank een verzoek ingediend, d.d. 11 juni 2026, met betrekking tot wijziging van het gezag, het hoofdverblijf van [minderjarige] en het treffen van een voorlopige voorziening.
3De vorderingen
3.1.
[ouder 1] vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [ouder 2] te bevelen om de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, binnen twee uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, af te geven aan [ouder 1] en terug te brengen naar haar hoofdverblijfplaats bij [ouder 1] ;
2. [ouder 2] te bevelen de beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 17 mei 2017, waaronder de daarin vastgestelde hoofdverblijfplaats en zorgregeling, volledig en onverkort na te komen;
3. te bepalen dat [ouder 2] een dwangsom verbeurt van € 1.000,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 1 en/of 2 bepaalde, zulks met een maximum van € 50.000,=;
4. te bepalen dat dit vonnis, indien noodzakelijk, met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan worden gelegd;
5. [ouder 2] te bevelen iedere belemmering van het contact tussen [ouder 1] en de minderjarige [minderjarige] onmiddellijk te staken en gestaakt te houden;
6. [ouder 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
7. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
[ouder 2] voert verweer tegen de vorderingen van [ouder 1] in conventie en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [ouder 1] in haar vorderingen en subsidiair tot afwijzing van die vorderingen.
4De standpunten en het advies van de Raad
4.1.
Door en namens [ouder 1] is ter onderbouwing van haar vorderingen in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. [ouder 1] is ontvankelijk in haar vorderingen. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen nu het een dagvaardingsprocedure betreft en [ouder 2] als gedaagde woonplaats heeft binnen het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
[ouder 2] heeft [minderjarige] bij zich gehouden, omdat [ouder 2] stelt dat er een gevecht heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de partner van [ouder 1] . [ouder 1] ontkent niet dat er een incident heeft plaatsgevonden, echter [ouder 2] maakt dit incident groter dat dit daadwerkelijk is. [ouder 1] betwist dat er sprake is (geweest) van fysiek geweld en mishandeling. Bovendien was er in de dagen na het incident niets aan de hand en bleef [minderjarige] bij [ouder 1] . Zelfs als hetgeen [ouder 2] beweert juist is, dan nog rechtvaardigt dit niet dat [minderjarige] niet wordt teruggebracht naar [ouder 1] . Het staat een ouder niet vrij om zelfstandig te beslissen dat een door een rechtbank vastgestelde hoofdverblijfplaats en contactregeling niet langer worden nageleefd. Met haar handelswijze miskent [ouder 2] de bindende kracht van rechterlijke beslissingen, maar ook het gezag van [ouder 1] en haar rol als verzorgende ouder. Er is geen acute noodsituatie die een voortdurende onthouding van [minderjarige] aan [ouder 1] zou kunnen rechtvaardigen. Meldingen van [ouder 2] bij Veilig Thuis en de politie hebben niet geleid tot een kinderbeschermingsmaatregel. [ouder 1] mist [minderjarige] en zij wenst haar zo snel mogelijk weer thuis. [ouder 1] ziet dat er hulpverlening voor [minderjarige] nodig is en zal hieraan haar medewerking verlenen. Ook staat [ouder 1] open voor een herstelgesprek.
4.2.
Ter onderbouwing van haar verweer wordt door en namens [ouder 2] , kort samengevat, het navolgende aangevoerd. [ouder 1] is allereerst niet-ontvankelijk op grond van artikel 265 Rv. Zij procedeert bij de verkeerde rechtbank. Zij had moeten procederen bij rechtbank Rotterdam. Haar vorderingen kunnen inhoudelijk niet worden behandeld. Als de voorzieningenrechter hier anders over denkt, geldt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat partijen reeds verwikkeld zijn in een procedure bij rechtbank Rotterdam. Daar is sprake van een bodemzaak waarin ook om een voorlopige voorziening is verzocht. In de procedure bij rechtbank Rotterdam zijn er bovendien meer opties, zoals het benoemen van een bijzondere curator of het gelasten van een raadsonderzoek. De conclusie moet zijn dat deze zaak zich niet leent voor een beslissing in kort geding. Er is veel meer aan de hand, wat grondig bekeken moet worden. Daarin speelt mee dat [minderjarige] aangeeft niet naar [ouder 1] terug te willen gaan. [ouder 2] staat weliswaar achter contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] , echter dit betekent niet dat [minderjarige] per direct terug kan naar [ouder 1] . [minderjarige] is door de partner van [ouder 1] gebeten. Dit maakt dat [minderjarige] zich bij [ouder 1] niet veilig voelt. Ook in oktober en december 2025 waren er bij [ouder 1] thuis incidenten. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met wie zorgvuldig omgegaan moet worden. Bij [minderjarige] is sprake van automutilatie. Voor [minderjarige] is hulpverlening nodig. Van belang is dat [minderjarige] nu rust krijgt. Bij [ouder 2] is er nu sprake van stabiliteit. De schoolgang van [minderjarige] gaat door. [ouder 2] haalt en brengt haar naar school. Van school hoort [ouder 2] terug dat [minderjarige] , sinds zij bij haar is, rustiger is geworden. Volgende week heeft [minderjarige] toetsweek, waarover school zich geen zorgen maakt. Wanneer de vorderingen van [ouder 1] toch zullen worden toegewezen, moet er rekening mee worden gehouden dat [minderjarige] niet per direct terug kan gaan naar [ouder 1] . Hiervoor is hulpverlening nodig. De gevraagde dwangsom kan [ouder 2] niet betalen. Zij leeft van een uitkering. Ook de inzet van de sterke arm van de politie is niet in het belang van [minderjarige] . De belangrijkste zorg van [ouder 2] is echter dat [minderjarige] , bij een toewijzing van de vorderingen, bij [ouder 1] zal weglopen en zij ook niet meer terugkomt naar [ouder 2] . [minderjarige] zal dan het gevoel hebben dat zij bij niemand meer terecht kan. Tot slot acht [ouder 2] het van belang dat er voor het begin van het nieuwe schooljaar meer duidelijkheid is over de situatie. Omdat er meer dieperliggende problematiek speelt moet dit goed worden onderzocht. Dit kan in de bodemzaak.
4.3.
De Raad adviseert de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt. In eerste instantie vindt de Raad altijd dat een kind moet terugkeren naar de hoofdverzorger. Echter, er is meer nodig om tot herstel te komen van het contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] . Hierover moet het gesprek worden gevoerd al dan niet onder begeleiding van professionals. In deze zaak is duidelijk dat [minderjarige] klem zit tussen [ouder 1] en [ouder 2] . Bovendien moet het veilig zijn voor [minderjarige] bij [ouder 1] . Wat de rol van de partner van [ouder 1] in het geheel is, is niet duidelijk. De Raad heeft te weinig informatie om daarover nu te adviseren. Bovendien woont [ouder 1] in Rotterdam en is bij rechtbank Rotterdam een procedure aanhangig. Mogelijk moet er in de bodemzaak onderzoek worden gedaan. De Raad kan zich voorstellen dat deze zaak zich daarom niet leent voor een beoordeling in kort geding.
5De beoordeling
Bevoegdheid
5.1.
[ouder 2] voert vóór alle verweren het verweer dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van [ouder 1] kennis te nemen.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 99 Rv de woonplaats van de gedaagde, zijnde [ouder 2] , als hoofdregel bepalend is voor het bepalen van de relatief bevoegde rechter. Nu [ouder 2] woonplaats heeft binnen het arrondissement van deze rechtbank is de voorzieningenrechter relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [ouder 1] en deze vorderingen inhoudelijk te beoordelen.
Spoedeisend belang
5.3.
De voorzieningenrechter dient allereerst te beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde vorderingen. Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [ouder 1] bij haar vorderingen vast. [ouder 1] heeft [minderjarige] als gezagdragende ouder en hoofdverzorger immers sinds 7 juni 2026 niet meer gezien. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet hieraan niet af dat [ouder 2] recent een bodemprocedure met voorlopige voorzieningen is gestart bij de rechtbank Rotterdam. Onbekend is wanneer er bij die rechtbank een zitting zal plaatsvinden. [ouder 1] is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat er sprake is van een zeer ongelukkige situatie. Zij stelt enerzijds met de Raad vast dat er veel zorgen over [minderjarige] zijn. Gelet op de overgelegde stukken en de stellingen van partijen tijdens de zitting kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat bij [minderjarige] sprake is van problematiek die vraagt om de inzet van hulpverlening. Zij lijkt klem te zitten tussen [ouder 1] en [ouder 2] . Anderzijds handelt [ouder 2] in strijd met de beschikking van rechtbank Rotterdam van 17 mei 2017.
5.5.
Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat er gelet op de zorgen over [minderjarige] , de onderlinge verstandhouding tussen partijen, het wantrouwen van [ouder 2] over de veiligheid van [minderjarige] bij [ouder 1] , de mening van [minderjarige] , het uitblijven van fysiek contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] én het bestaan van een bodemprocedure tussen partijen bij rechtbank Rotterdam sprake van een zeer complexe situatie. Daar komt bij dat de Raad op dit moment te weinig informatie heeft om de voorzieningenrechter te adviseren en de Raad zich kan voorstellen dat in de bodemzaak een raadsonderzoek zal worden gelast.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aard van de vorderingen van [ouder 1] onder 1, 2, 5, en 7 te complex zijn voor een beoordeling in deze procedure. Ieder ingrijpen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zal de complexiteit van de zaak naar verwachting vergroten. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter voor nu, en met de behandeling van een voorlopige voorzieningenprocedure bij de rechtbank Rotterdam in het vizier, te weinig informatie. Een deugdelijk oordeel over de genoemde vorderingen van [ouder 1] vergt nader onderzoek en dient in de bodemprocedure plaats te vinden. Een kort gedingprocedure laat hiervoor geen ruimte.
5.7.
Dit alles leidt tot de beslissing dat, gelet op de complexiteit daarvan, de genoemde vorderingen van [ouder 1] zullen worden afgewezen. De afwijzing van de vorderingen onder 1, 2, 5, en 7, leidt automatisch tot een afwijzing van de vorderingen onder 3 en 4.
5.8.
Ten aanzien van de vordering van [ouder 1] onder 6, betreffende de proceskosten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.9.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Kraats, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449048 / KG ZA 26-308
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[ouder 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
advocaat: mr. M.B. Chylinska te Zaandam,
tegen
[ouder 2]
,
wonende op adres gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank,
gedaagde in conventie,
advocaat: mr. D. Marcus te Goirle.
Partijen zullen hierna ‘ [ouder 1] ’ en ‘ [ouder 2] ’ genoemd worden.
Over de minderjarige:
- [minderjarige]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met vier producties;
- de stelbrief van mr. Marcus van 16 juni 2026;
- producties 1 tot en met 7 van mr. Marcus van 24 juni 2026;
- het bericht van mr. Marcus van 25 juni 2026;
- het bericht met bijlagen van mr. Chylinska van 29 juni 2026.
1.2.
Op 30 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren, omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen [ouder 1] bijgestaan door haar advocaat en [ouder 2] , bijgestaan door mr. M.M. van der Marel als waarnemend advocaat. Daarnaast is verschenen een medewerker namens de Raad.
1.4.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. Ter zitting blijkt dat de brief aan [minderjarige] is gestuurd naar het adres van [ouder 1] . [ouder 1] heeft [ouder 2] niet rechtstreeks op de hoogte gebracht van deze uitnodiging. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [minderjarige] opnieuw uit te nodigen voor een kindgesprek. [minderjarige] heeft in de procedure bij rechtbank Rotterdam een brief geschreven waarin zij haar mening kenbaar maakt. Deze brief is door [ouder 2] in het geding gebracht als productie 3. Volledigheidshalve meldt de voorzieningenrechter hier dat mr. Marcus op 25 juni 2026 het verzoek heeft gedaan om [minderjarige] aanwezig te laten zijn bij de zitting, zodat zij kon horen wat er besproken en besloten wordt. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is uit [ouder 1] geboren. [ouder 2] heeft als levensgezel van [ouder 1] ingestemd met een daad die de verwekking van [minderjarige] tot gevolg heeft gehad.
2.2.
[ouder 2] heeft [minderjarige] erkend. [ouder 1] is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van rechtbank Rotterdam van 17 mei 2017 is, voor zover hier van belang, bepaald dat [ouder 2] [minderjarige] bij zich heeft een weekend per veertien dagen, alsmede de helft van de schoolvakanties.
2.4.
Na het weekend van 7 juni 2026 heeft [ouder 2] [minderjarige] niet bij [ouder 1] teruggebracht. Tussen partijen staat vast dat [ouder 1] en [minderjarige] elkaar sindsdien niet meer hebben gezien. Er is tussen hen wel contact via WhatsApp.
2.5.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij rechtbank Rotterdam. Namens [ouder 2] is bij die rechtbank een verzoek ingediend, d.d. 11 juni 2026, met betrekking tot wijziging van het gezag, het hoofdverblijf van [minderjarige] en het treffen van een voorlopige voorziening.
3De vorderingen
3.1.
[ouder 1] vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [ouder 2] te bevelen om de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, binnen twee uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, af te geven aan [ouder 1] en terug te brengen naar haar hoofdverblijfplaats bij [ouder 1] ;
2. [ouder 2] te bevelen de beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 17 mei 2017, waaronder de daarin vastgestelde hoofdverblijfplaats en zorgregeling, volledig en onverkort na te komen;
3. te bepalen dat [ouder 2] een dwangsom verbeurt van € 1.000,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 1 en/of 2 bepaalde, zulks met een maximum van € 50.000,=;
4. te bepalen dat dit vonnis, indien noodzakelijk, met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan worden gelegd;
5. [ouder 2] te bevelen iedere belemmering van het contact tussen [ouder 1] en de minderjarige [minderjarige] onmiddellijk te staken en gestaakt te houden;
6. [ouder 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
7. althans zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
[ouder 2] voert verweer tegen de vorderingen van [ouder 1] in conventie en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [ouder 1] in haar vorderingen en subsidiair tot afwijzing van die vorderingen.
4De standpunten en het advies van de Raad
4.1.
Door en namens [ouder 1] is ter onderbouwing van haar vorderingen in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. [ouder 1] is ontvankelijk in haar vorderingen. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen nu het een dagvaardingsprocedure betreft en [ouder 2] als gedaagde woonplaats heeft binnen het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
[ouder 2] heeft [minderjarige] bij zich gehouden, omdat [ouder 2] stelt dat er een gevecht heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de partner van [ouder 1] . [ouder 1] ontkent niet dat er een incident heeft plaatsgevonden, echter [ouder 2] maakt dit incident groter dat dit daadwerkelijk is. [ouder 1] betwist dat er sprake is (geweest) van fysiek geweld en mishandeling. Bovendien was er in de dagen na het incident niets aan de hand en bleef [minderjarige] bij [ouder 1] . Zelfs als hetgeen [ouder 2] beweert juist is, dan nog rechtvaardigt dit niet dat [minderjarige] niet wordt teruggebracht naar [ouder 1] . Het staat een ouder niet vrij om zelfstandig te beslissen dat een door een rechtbank vastgestelde hoofdverblijfplaats en contactregeling niet langer worden nageleefd. Met haar handelswijze miskent [ouder 2] de bindende kracht van rechterlijke beslissingen, maar ook het gezag van [ouder 1] en haar rol als verzorgende ouder. Er is geen acute noodsituatie die een voortdurende onthouding van [minderjarige] aan [ouder 1] zou kunnen rechtvaardigen. Meldingen van [ouder 2] bij Veilig Thuis en de politie hebben niet geleid tot een kinderbeschermingsmaatregel. [ouder 1] mist [minderjarige] en zij wenst haar zo snel mogelijk weer thuis. [ouder 1] ziet dat er hulpverlening voor [minderjarige] nodig is en zal hieraan haar medewerking verlenen. Ook staat [ouder 1] open voor een herstelgesprek.
4.2.
Ter onderbouwing van haar verweer wordt door en namens [ouder 2] , kort samengevat, het navolgende aangevoerd. [ouder 1] is allereerst niet-ontvankelijk op grond van artikel 265 Rv. Zij procedeert bij de verkeerde rechtbank. Zij had moeten procederen bij rechtbank Rotterdam. Haar vorderingen kunnen inhoudelijk niet worden behandeld. Als de voorzieningenrechter hier anders over denkt, geldt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat partijen reeds verwikkeld zijn in een procedure bij rechtbank Rotterdam. Daar is sprake van een bodemzaak waarin ook om een voorlopige voorziening is verzocht. In de procedure bij rechtbank Rotterdam zijn er bovendien meer opties, zoals het benoemen van een bijzondere curator of het gelasten van een raadsonderzoek. De conclusie moet zijn dat deze zaak zich niet leent voor een beslissing in kort geding. Er is veel meer aan de hand, wat grondig bekeken moet worden. Daarin speelt mee dat [minderjarige] aangeeft niet naar [ouder 1] terug te willen gaan. [ouder 2] staat weliswaar achter contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] , echter dit betekent niet dat [minderjarige] per direct terug kan naar [ouder 1] . [minderjarige] is door de partner van [ouder 1] gebeten. Dit maakt dat [minderjarige] zich bij [ouder 1] niet veilig voelt. Ook in oktober en december 2025 waren er bij [ouder 1] thuis incidenten. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met wie zorgvuldig omgegaan moet worden. Bij [minderjarige] is sprake van automutilatie. Voor [minderjarige] is hulpverlening nodig. Van belang is dat [minderjarige] nu rust krijgt. Bij [ouder 2] is er nu sprake van stabiliteit. De schoolgang van [minderjarige] gaat door. [ouder 2] haalt en brengt haar naar school. Van school hoort [ouder 2] terug dat [minderjarige] , sinds zij bij haar is, rustiger is geworden. Volgende week heeft [minderjarige] toetsweek, waarover school zich geen zorgen maakt. Wanneer de vorderingen van [ouder 1] toch zullen worden toegewezen, moet er rekening mee worden gehouden dat [minderjarige] niet per direct terug kan gaan naar [ouder 1] . Hiervoor is hulpverlening nodig. De gevraagde dwangsom kan [ouder 2] niet betalen. Zij leeft van een uitkering. Ook de inzet van de sterke arm van de politie is niet in het belang van [minderjarige] . De belangrijkste zorg van [ouder 2] is echter dat [minderjarige] , bij een toewijzing van de vorderingen, bij [ouder 1] zal weglopen en zij ook niet meer terugkomt naar [ouder 2] . [minderjarige] zal dan het gevoel hebben dat zij bij niemand meer terecht kan. Tot slot acht [ouder 2] het van belang dat er voor het begin van het nieuwe schooljaar meer duidelijkheid is over de situatie. Omdat er meer dieperliggende problematiek speelt moet dit goed worden onderzocht. Dit kan in de bodemzaak.
4.3.
De Raad adviseert de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt. In eerste instantie vindt de Raad altijd dat een kind moet terugkeren naar de hoofdverzorger. Echter, er is meer nodig om tot herstel te komen van het contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] . Hierover moet het gesprek worden gevoerd al dan niet onder begeleiding van professionals. In deze zaak is duidelijk dat [minderjarige] klem zit tussen [ouder 1] en [ouder 2] . Bovendien moet het veilig zijn voor [minderjarige] bij [ouder 1] . Wat de rol van de partner van [ouder 1] in het geheel is, is niet duidelijk. De Raad heeft te weinig informatie om daarover nu te adviseren. Bovendien woont [ouder 1] in Rotterdam en is bij rechtbank Rotterdam een procedure aanhangig. Mogelijk moet er in de bodemzaak onderzoek worden gedaan. De Raad kan zich voorstellen dat deze zaak zich daarom niet leent voor een beoordeling in kort geding.
5De beoordeling
Bevoegdheid
5.1.
[ouder 2] voert vóór alle verweren het verweer dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van [ouder 1] kennis te nemen.
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 99 Rv de woonplaats van de gedaagde, zijnde [ouder 2] , als hoofdregel bepalend is voor het bepalen van de relatief bevoegde rechter. Nu [ouder 2] woonplaats heeft binnen het arrondissement van deze rechtbank is de voorzieningenrechter relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [ouder 1] en deze vorderingen inhoudelijk te beoordelen.
Spoedeisend belang
5.3.
De voorzieningenrechter dient allereerst te beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde vorderingen. Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [ouder 1] bij haar vorderingen vast. [ouder 1] heeft [minderjarige] als gezagdragende ouder en hoofdverzorger immers sinds 7 juni 2026 niet meer gezien. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet hieraan niet af dat [ouder 2] recent een bodemprocedure met voorlopige voorzieningen is gestart bij de rechtbank Rotterdam. Onbekend is wanneer er bij die rechtbank een zitting zal plaatsvinden. [ouder 1] is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat er sprake is van een zeer ongelukkige situatie. Zij stelt enerzijds met de Raad vast dat er veel zorgen over [minderjarige] zijn. Gelet op de overgelegde stukken en de stellingen van partijen tijdens de zitting kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat bij [minderjarige] sprake is van problematiek die vraagt om de inzet van hulpverlening. Zij lijkt klem te zitten tussen [ouder 1] en [ouder 2] . Anderzijds handelt [ouder 2] in strijd met de beschikking van rechtbank Rotterdam van 17 mei 2017.
5.5.
Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat er gelet op de zorgen over [minderjarige] , de onderlinge verstandhouding tussen partijen, het wantrouwen van [ouder 2] over de veiligheid van [minderjarige] bij [ouder 1] , de mening van [minderjarige] , het uitblijven van fysiek contact tussen [ouder 1] en [minderjarige] én het bestaan van een bodemprocedure tussen partijen bij rechtbank Rotterdam sprake van een zeer complexe situatie. Daar komt bij dat de Raad op dit moment te weinig informatie heeft om de voorzieningenrechter te adviseren en de Raad zich kan voorstellen dat in de bodemzaak een raadsonderzoek zal worden gelast.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aard van de vorderingen van [ouder 1] onder 1, 2, 5, en 7 te complex zijn voor een beoordeling in deze procedure. Ieder ingrijpen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zal de complexiteit van de zaak naar verwachting vergroten. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter voor nu, en met de behandeling van een voorlopige voorzieningenprocedure bij de rechtbank Rotterdam in het vizier, te weinig informatie. Een deugdelijk oordeel over de genoemde vorderingen van [ouder 1] vergt nader onderzoek en dient in de bodemprocedure plaats te vinden. Een kort gedingprocedure laat hiervoor geen ruimte.
5.7.
Dit alles leidt tot de beslissing dat, gelet op de complexiteit daarvan, de genoemde vorderingen van [ouder 1] zullen worden afgewezen. De afwijzing van de vorderingen onder 1, 2, 5, en 7, leidt automatisch tot een afwijzing van de vorderingen onder 3 en 4.
5.8.
Ten aanzien van de vordering van [ouder 1] onder 6, betreffende de proceskosten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.9.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Kraats, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.