Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7057

2026-07-31 Strafrecht 02-326384-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-326384-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor (schuld)aanranding en (opzet)verkrachting van iemand die als cliënt aan zijn zorg is toevertrouwd. Oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Vordering benadeelde partij.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.180 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-326384-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 31 juli 2026






[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1979,
ingeschreven op het [adres] ,
raadsman mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.



2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte




feit 1 op 22 november 2024 een aan zijn zorg toevertrouwde jonge vrouw heeft aangerand (de schuldvariant) en

feit 2 haar op 23 november 2024 heeft verkracht (primair de (gekwalificeerde) opzetvariant en subsidiair de schuldvariant).




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.




4.2.


Het standpunt van de verdediging


Feit 1

De verdediging bepleit vrijspraak voor de schuldaanranding van 22 november 2024 wegens onvoldoende bewijs. Verdachte ontkent stellig en de verklaring van aangeefster vindt geen steun in ander bewijsmateriaal. Twee getuigen verklaren slechts wat aangeefster later tegen hen heeft verteld. Dat is één bron.



Feit 2
De verdediging bepleit vrijspraak van de primair ten laste gelegde (gekwalificeerde) opzetverkrachting van 23 november 2024. Volgens verdachte verrichte aangeefster de seksuele handelingen vrijwillig en waren er geen duidelijke verbale of non-verbale signalen van haar dat zij het seksueel contact niet wilde. Verdachte had geen wetenschap van een ontbrekende wil en heeft die ook niet genegeerd. Ook heeft haar wil niet voor lief aangenomen. Voor de ten laste gelegde dwang is er enkel de verklaring van aangeefster en de twee getuigenverklaringen zijn afkomstig uit dezelfde bron. Er is geen steunbewijs.



Voor de subsidiair ten laste gelegde schuldverkrachting refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.



4.3.

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.


De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.



4.3.2.


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag wat wettig en overtuigend bewezen kan worden over de feitelijke gang van zaken in de avond van 22 november 2024 en 23 november 2024, inclusief eventuele seksuele handelingen. Daarna komt eventueel de vraag naar opzet of schuld van verdachte aan de orde, in die zin dat hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden.




De feitelijke gang van zaken?





Juridisch kader

In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één (getuigen)verklaring. Nu zijn in zedenzaken veelal slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de vermeende dader ontkent, is er maar één getuige van de seksuele handelingen zelf: het vermeende slachtoffer.



De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg. De verklaring van die getuige van de handelingen moet dan wel op bepaalde andere punten bevestigd worden door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal.



In deze zaak heeft verdachte in zijn tweede politieverhoor van 1 december 2025 en op zitting bekend dat in de avond van 23 november 2024 seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en aangeefster. Hij beschrijft echter een heel andere gang van zaken dan aangeefster en onderschrijft niet alle seksuele handelingen die volgens aangeefster hebben plaatsgevonden. Bovendien blijft hij ontkennen dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in de avond van 22 november 2024. Daarom staat de rechtbank eerst stil bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en van de verklaring van verdachte.




Verklaring aangeefster en de betrouwbaarheid

Aangeefster heeft op 13 januari 2025 bij de politie verklaard dat zij in een begeleid-wonen-huis in [plaats] woont met 24/7 begeleiding en dat verdachte daar begeleider was. Op 22 november 2024 in de avond stelde verdachte voor om samen film te kijken. Toen iedereen naar bed was, zaten zij in de woonkamer samen op dezelfde bank onder een deken naar de film te kijken. Zij zat opgekropt in een hoekje en zijn benen lagen in haar richting. Hij zat met zijn voet bij haar geslachtsdeel en op een gegeven moment trok hij haar benen onder haar vandaan en legde hij haar voeten bij zijn geslachtsdeel. Hij probeerde met zijn voet bij haar naar binnen te gaan en bewoog zijn voet. Hij had haar voet vast en bewoog die over zijn geslachtsdeel, dat hard werd. Hij stond op en ging hij naar de wc. Toen hij terugkwam deed hij weer hetzelfde met zijn voeten bij haar. Daarna gaf hij haar haar medicijnen in het kantoor.



De volgende avond, op 23 november 2024, keken ze weer samen film in de woonkamer. Omstreeks 21.00 uur deed hij hetzelfde met zijn voeten. Toen omstreeks 23.00 uur niemand anders meer in de woonkamer was, heeft verdachte zijn hand in haar broek gedaan en haar gevoeld en aangeraakt op de blote huid. Hij deed vervolgens zijn broek naar beneden en duwde het hoofd van aangeefster naar zijn stijve geslachtsdeel en moest ze hem pijpen. Hij nam haar vervolgens mee naar het kantoor van de begeleiding en deed de deur op slot en het licht uit. Toen kleedde hij zichzelf en aangeefster uit. Zij moest voorovergebogen staan, leunend op het bed. Zijn geslachtsdeel ging moeilijk in haar. Hij vroeg aan haar of ze nog maagd was en dat antwoordde ze bevestigend. Toen zei hij iets in de trant van ‘shit dat was niet de bedoeling’ en toen moest ze hem pijpen. Verdachte duwde aangeefster naar beneden tot zij op haar knieën zat. Op haar schouders met zijn handen. Hij hield haar hoofd vast en bewoog haar. Verdachte kwam klaar in haar mond en ook tussen haar borsten omdat ze toen terug trok. Daardoor kwam er ook sperma tussen haar borsten. Daarna gaf verdachte haar kleren aan en heeft ze zich aangekleed. Ze heeft tijdens de seksuele handelingen niet gereageerd, omdat ze bevroor.



Aangeefster is consistent geweest in wat zij over beide avonden heeft verteld tegen de politie en eerder tegen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Tegen haar vriendin [getuige 2] heeft zij het verteld op zondag 24 november 2024 en tegen zorgmanager [getuige 1] van de woonvoorziening op maandag 25 november 2024. Haar verklaring is niet alleen behoorlijk gedetailleerd en consistent, maar ook authentiek. Aangeefster heeft de gebeurtenissen niet groter willen maken dan ze zijn geweest. Dat blijkt onder andere uit de beschrijving van beperkte seksuele handelingen op vrijdagavond 22 november 2024. Bovendien heeft ze verklaard dat ze niet wist of verdachte door had dat zij de seksuele handelingen niet wilde. Tot slot was aangeefster later volgens getuige [getuige 2] de ene keer heel boos op verdachte, maar had ze het andere moment medelijden met hem. Aangeefster nam het ook op voor hem, omdat hij kinderen heeft en een vrouw en ze bang was dat daar iets mee zou gebeuren.



Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de politieverklaring van aangeefster over het verloop van beide avonden, inclusief de seksuele handelingen, betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs.




Verklaring van verdachte en betrouwbaarheid

Anders dan aangeefster heeft verdachte wisselend verklaard. Op 18 maart 2025 is verdachte de eerste keer aangehouden en heeft hij in zijn politieverhoor verklaard, vanaf januari 2024 bij de bewuste woonvoorziening te werken en aangeefster een paar maanden te kennen. Hij werd in november 2024 op een zondag of maandag geappt door zijn leidinggevende en moest maandag op gesprek komen, omdat hij seksuele handelingen had gepleegd met een cliënt. Hij weet dat hij op een avond film heeft gekeken met aangeefster en de andere avond niet. Hij weet niet hoe zij er bij komt dat ze twee avonden film hebben gekeken. Zij is in het kantoor gekomen voor haar medicatie. Dat is de enige interactie tussen hen geweest. Iets seksueels is niet gebeurd. Vervolgens houdt de politie de ontkennende verdachte per avond gedetailleerd de verklaring van aangeefster voor. Aan het einde van het verhoor is verdachte zelfs verteld wat aangeefster heeft verklaard over zijn klaarkomen op haar blote bovenlijf en het daarna aandoen van haar trui en dat haar trui zal worden onderzocht om te kijken of er spermacellen op worden aangetroffen. Later die dag is verdachte heengezonden.



Op 1 december 2025 wordt verdachte opnieuw aangehouden en verhoord. In zijn tweede politieverhoor heeft verdachte verklaard dat aangeefster hem tijdens de filmavond begon te kietelen. Hij zei dat ze dat niet moest doen en toen stopte ze. Tien minuten later zei hij tegen haar dat hij medicijnen ging uitdelen en dat ze gingen slapen. In de slaapwachtkamer met een kantoor alwaar ook de medicatie zich bevindt, hebben ze elkaar vastgepakt. Daarbij heeft hij aan haar kont gevoeld en vervolgens geknuffeld. Ze hebben niet gezoend. Aangeefster streelde verdachte over zijn buik en toen ging ze langzaam op haar knieën naar de grond en heeft de broek van verdachte naar beneden gedaan en hem gepijpt. Verdachte heeft alles toegelaten en niets gezegd. Verdachte is over haar T-shirt of trui klaargekomen ter hoogte van haar hals/borst. Geconfronteerd met het aantreffen van zijn sperma aan de binnenzijde van de trui van aangeefster, heeft verdachte verklaard dat zijn sperma mogelijk via haar hals naar de binnenzijde van haar trui is gedropen. Hij ontkent de deur van het kantoor op slot te hebben gedaan of het licht uit te hebben gedaan. Er is geen sprake geweest van dwang. Aangeefster was verliefd op hem en heeft hem verleid.



Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij beide avonden dienst had en beide avonden met aangeefster film heeft gekeken. De eerste avond is er niets gebeurd en zaten ze op twee verschillende banken. De tweede avond raakte zij hem met haar voet aan toen ze naast elkaar op de bank zaten. Toen heeft hij aangeefster over haar kleding aangeraakt bij haar bovenbenen en haar schaamstreek. In de slaapwachtkamer heeft hij de medicatie uit de kast gepakt en op tafel gelegd. Vervolgens hebben ze elkaar geknuffeld. Aangeefster ging gelijk op haar knieën en toen heeft ze zijn broek uitgedaan, althans toen heeft hij samen met haar zijn broek los gemaakt (en zelf zijn geslachtsdeel eruit gehaald), althans toen deed aangeefster zijn broek uit. Zij heeft hem ongeveer vijf minuten gepijpt, tot hij klaar kwam. Al die tijd had verdachte zijn handen langs zijn lichaam. Tijdens en na afloop is er niets gezegd tussen beiden.



Gelet op de ontwikkelingen in zijn verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte onbetrouwbaar is waar het om het verloop van beide avonden gaat, inclusief het verloop van de seksuele handelingen.




Tussenconclusie feitelijke gang van zaken

De rechtbank is van oordeel dat de betrouwbare verklaring van aangeefster over de feitelijke gang van zaken in de avond van 23 november 2024 voldoende wordt ondersteund door ander bewijs om de aan verdachte in de tenlastelegging van die dag verweten seksuele handelingen wettig en overtuigend te bewijzen. Haar verklaring wordt ondersteund door het aangetroffen sperma van verdachte aan de binnenkant van haar trui, ter hoogte van haar navel, en de verklaring van verdachte voor zover hij het gepijpt worden op 23 november 2024 bekent. Gelet op de nauwe samenhang tussen de filmavond van 23 november 2024 en de voorafgaande filmavond van 22 november 2024 kunnen ook de voor die avond verweten seksuele handelingen van verdachte wettig en overtuigend bewezen worden. Bovendien heeft verdachte op zitting bekend dat hij ook die eerste avond film met aangeefster heeft gekeken. Zijn verklaring dat ze toen op verschillende banken zaten, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.



Vervolgens is de vraag aan de orde naar het ontbreken van de wil van aangeefster en de wetenschap daarvan bij verdachte.




Ontbreken wil van aangeefster?

In feit 1en feit 2 primair en subsidiair is de strafverzwaringsgrond opgenomen van artikel 254 lid 1 aanhef, onderdeel b, aanhef, onderdeel 2 Wetboek van Strafrecht (hierna ook: WvSr). Het gaat daarbij om een afhankelijkheidspositie van degene met wie de seksuele handelingen worden gepleegd vanwege het verblijf van diegene in een daar genoemde instelling. Die afhankelijkheidspositie is echter ook van belang voor de vraag naar het ontbreken van de wil van aangeefster en de wetenschap daarvan bij verdachte.



Bij het bestaan van een professionele zorgrelatie tussen betrokkenen is de afhankelijkheidspositie van de ander in beginsel gegeven. Aangenomen moet worden dat iemand in een dergelijke hoedanigheid zich bewust is van de invloed van zijn of haar positie op het vermogen van de ander tot vrije wilsuiting, ook met betrekking tot het seksuele contact. Als binnen een dergelijke functionele afhankelijkheidsrelatie dan toch seksueel toenadering wordt gezocht dan zal dit in de regel plaatsvinden in de laakbare wetenschap dat bij die ander de wilsbepaling onder (sterke) invloed staat van (de wil van) de initiator en kan aldus van een vrije wilsuiting geen sprake zijn.




Afhankelijkheidspositie aangeefster

Na eerst in een andere instelling te hebben verbleven, woonde aangeefster sinds een aantal maanden in de woonvoorziening in [plaats] , waar zij 24/7 begeleid werd. Zij woont daar onder meer vanwege paniek- en angststoornissen en straatvrees. De toen 45-jarige verdachte was in de avonden van 22 en 23 november 2024 de enige aanwezige begeleider die de toen 21-jarige aangeefster ook haar medicijnen verstrekte.



Naar het oordeel van de rechtbank was aangeefster opgenomen in een instelling voor maatschappelijke zorg en bestond er dus een professionele zorgrelatie tussen haar en verdachte. Daarmee bevond zij zich in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de ook nog ruim dubbel zo oude verdachte en kon geen sprake zijn van een vrije wilsbepaling en -uiting, ook met betrekking tot seksueel contact. Nu de rechtbank het scenario van aangeefster volgt, was verdachte telkens de initiator van de seksuele handelingen. Gelet op zijn professionele relatie met aangeefster wist hij van het ontbreken van een vrije wilsbepaling en -uiting. Hij wist bovendien dat de cliënten waren opgenomen wegens beperkingen en heeft verklaard dat aangeefster mensenschuw was. Hij wist ook dat seksuele contacten met cliënten waren verboden. Daarnaast heeft hij bevestigd dat aangeefster op geen enkel moment gezegd heeft dat ze wilde wat er gebeurde of het fijn vond. Hij heeft daar ook niet naar gevraagd.




Conclusie

Gelet op het voorgaande kan voor beide avonden wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte opzet had op het ontbreken van de wil bij aangeefster. Dat bij feit 1 slechts de schuldvariant is ten laste gelegd, maakt dat niet anders. Nu het meerdere bewezen kan worden, kan ook het mindere worden bewezen. Bij feit 2 kan de primair ten laste gelegde opzetvariant bewezen worden inclusief enige vormen van dwang. Ook hier volgt de rechtbank het scenario van aangeefster.




4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat



1.
hij op 22 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het leggen van zijn, verdachtes, voet op de schaamstreek van die [aangeefster] en
- het bewegen van de voet van die [aangeefster] over zijn, verdachtes, penis,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd en die persoon in die instelling was opgenomen;


2
hij op 23 november 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het strelen en/of betasten van de schaamstreek van die [aangeefster] en
- het brengen van de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis en
- het in de mond brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster] en zich vervolgens laten pijpen door die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die aan zijn aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd en die persoon in die instelling was opgenomen, en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en/of vergezeld van dwang en/of geweld, door
- het hoofd van die [aangeefster] naar zijn, verdachtes, penis te duwen,
- het uittrekken van de kleding van die [aangeefster] ,
- het op de knieën duwen van die [aangeefster] .


Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daaraan gekoppeld vordert de officier van justitie een contact- en locatieverbod in het belang van aangeefster.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden en het nagenoeg blanco strafblad van verdachte de rechtbank verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de dagen die verdachte al in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte als naar voren gekomen uit het onderzoek ter zitting en het reclasseringsrapport. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




Ernst van het feit

De verdachte heeft als begeleider in een woonvoorziening een veel jongere en kwetsbare cliënte seksueel misbruikt, waarbij hij ook seksueel is binnengedrongen in haar mond. In plaats van aangeefster de zorg en veiligheid te bieden waarvoor ze bij de woonvoorziening verbleef, heeft verdachte haar gebruikt om zijn seksuele lusten te bevredigen. Zoals verdachte op zitting zei, was zijn lust sterker dan zijn professionaliteit.



De gevolgen voor aangeefster heeft zij zelf indringend verwoord in de namens haar op zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. De dagen van de aanranding en van de verkrachting zijn “klote beelden” die zij voor altijd bij zich draagt. Maar ze heeft ook iedereen in haar omgeving pijn gedaan. Ze heeft namelijk afstand van iedereen
genomen, omdat ze niet meer wist wie er te vertrouwen was. Verdachte was de eerste aan wie ze - een week voor de gebeurtenissen - vertrouwen durfde te geven en dat vertrouwen heeft hij geschaad. Daardoor heeft ze daarna iedere hulpverlener op afstand gehouden, omdat ze bang was dat die hetzelfde zou doen als verdachte. Ze had een grote schaamte om het te vertellen tegen haar familie, omdat ze bang was dat ze haar zwak zouden vinden. Haar familie is ook geschaad, denkend dat ze bij de woonvoorziening op een veilige plek zat. Dat was blijkbaar niet zo toen verdachte daar werkte. Na lezing van het dossier is zij heel boos op verdachte, omdat hij niet de verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan.



Tot slot heeft verdachte ook het vertrouwen geschaad van de andere medewerkers bij de woonvoorziening. Zij gaan wel professioneel om met de cliënten en hebben moeten vaststellen dat er blijkbaar collega’s kunnen zijn die dat niet doen. Een aantal van hen heeft de zitting bijgewoond op de publieke tribune.



Gelet op de ernst van de feiten is in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt. Ook bij iemand die voor de eerste keer voor zulke feiten met justitie in aanraking komt, zoals verdachte. Vervolgens kijkt de rechtbank naar de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.




De persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden

Verdachte heeft ook op zitting slechts een deel van de bewezen verklaarde seksuele handelingen bekend en daarmee niet echt verantwoordelijkheid genomen voor het seksueel misbruik van aangeefster. Sterker nog, ook op zitting heeft hij de verantwoordelijkheid voor de seksuele handelingen bij aangeefster gelegd. Net als bij de reclassering heeft verdachte op zitting verklaard dat aangeefster hem heeft verleid, waardoor het lijkt alsof hij het slachtoffer is in plaats van aangeefster. Door bovendien steeds te zeggen dat haar beleving van de gebeurtenissen niet juist is, heeft hij aangeefster feitelijk voor leugenaar uitgemaakt in aanwezigheid van haar familie en vrienden op de publieke tribune. Dat neemt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Zijn op zitting betuigde spijt maakt dat niet goed.



In het voordeel van verdachte staat in het reclasseringsrapport van 8 juli 2026 dat er geen aanwijzingen zijn voor een delictpatroon. Verdachte heeft een stabiele relatie, een steunend netwerk en er zijn geen aanwijzingen voor psychische problematiek. Daarnaast laat hij volgens de reclassering zien te kunnen reflecteren op zijn eigen handelen. Ook zijn er geen aanwijzingen voor afwijkende seksuele voorkeuren of interesses die de kans op recidive verhogen. De uitkomsten van de SSA sluiten hierop aan. Die SSA is een combinatie van statische en dynamische instrumenten om het risico in te schatten van toekomstig seksueel en gewelddadig delictgedrag bij plegers van seksuele misdrijven. Verdachte is niet meer werkzaam in de zorg, maar is onlangs als ZZP'er in de bouw gestart, waardoor de kans op recidive is afgenomen. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Verdachte heeft op zitting bevestigd dat hij nooit meer in de zorg wil werken.




Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden moet worden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Dat voorwaardelijk deel moet verdachte ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.



De rechtbank acht een contact- en locatieverbod passend gelet op de aard en ernst van de feiten en ter bescherming van het veiligheidsgevoel van aangeefster. De rechtbank zal dat contact- en locatieverbod daarom opnemen als bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf.





7De vordering van de benadeelde partij

Aangeefster vordert een schadevergoeding van € 10.893,61 voor de feiten 1 en 2, waarvan
€ 893,61 materieel en € 10.000,00 immaterieel.



De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.




Materieel

Voor de materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de reiskosten. Betreffende de kledingkosten en de kosten van een videodeurbel en gordijnen moet benadeelde niet ontvankelijk worden verklaard of moet de vordering worden afgewezen. Ze zijn onvoldoende onderbouwd dan wel staan in een te ver verwijderd verband met de verdenking.



Gelet op de nadere toelichting op zitting is de rechtbank van oordeel dat alle materiële schadeposten voldoende zijn onderbouwd en in een voldoende verband staan met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Daarom is sprake van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. Het gevorderde bedrag zal dan ook in zijn geheel worden toegewezen.




Immaterieel

Volgens de verdediging is verdachte gehouden immateriële schade te vergoeden, maar gelet op met name de bepleite vrijspraken dient het bedrag te worden gematigd.



Met de benadeelde partij is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van twee normschendingen waarvan de aard en de ernst meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggend zijn, dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Gelet op de onderbouwing in de vordering is de rechtbank met de benadeelde partij van oordeel dat voor de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht moet worden bij lijst 15.1 van de Rotterdamse Schaal: verkrachting (242 WvSr oud) en vervolgens bij de categorie (b) ernstig met een bandbreedte van € 7.500,00 tot € 15.000,00. Het gevorderde bedrag van
€ 10.000,00 zal worden toegewezen, nu dit billijk is. Ook deze schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten.




Conclusie

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank in zijn geheel. De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd, dus vanaf 23 november 2024: het einde van de pleegperiode van de feiten.



De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.




8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240, 243 en 254 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:


Feit 1: (schuld)aanranding van iemand die als cliënt aan zijn zorg is toevertrouwd;


Feit 2: (opzet)verkrachting van iemand die als cliënt aan zijn zorg is toevertrouwd.



- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] (geboren op [geboortedag 2] 2003 te [geboorteplaats 2] );
2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [straat] te [plaats] .


Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.




Benadeelde partij

T.a.v. feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van een bedrag van € 10.893,61, waarvan € 893,61 aan materiële schade en € 10.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] € 10.893,61 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 79 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.



Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter,
mr. M.E.I. Beudeker en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 juli 2026.



De voorzitter en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Bijlage I: De tenlastelegging




1.
hij op of omstreeks 22 november 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [aangeefster] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het leggen van zijn, verdachtes, voet op de schaamstreek van die [aangeefster] en/of
- het bewegen van de voet van die [aangeefster] over zijn, verdachtes, penis,

terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster]
daartoe de wil ontbrak en/of
terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of
maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die aan zijn
gezag was onderworpen of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd en die
persoon in die instelling was opgenomen of werd behandeld;
( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 254 lid 1 ahf/ond b ahf/ond 2 Wetboek van
Strafrecht )



2.
hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [aangeefster]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het strelen en/of betasten van de schaamstreek van die [aangeefster] en/of
- het brengen van de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis en/of
- het in de mond brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster]

en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en/of
terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of
maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die aan zijn
gezag was onderworpen of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd en die
persoon in die instelling was opgenomen of werd behandeld
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- het hoofd van die [aangeefster] naar zijn, verdachtes, penis te duwen,
- het meenemen van die [aangeefster] naar het kantoor van de begeleiding,
- het op slot doen van de deur van het kantoor,
- het uittrekken van de kleding van die [aangeefster] ,
- het op de knieën duwen van die [aangeefster] ;

( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 254 lid 1 ahf/ond b ahf/ond 2 Wetboek van
Strafrecht )



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:



hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [aangeefster] ,
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het strelen en/of betasten van de schaamstreek van die [aangeefster] en/of
- het brengen van de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis en/of
- het in de mond brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster]

en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster]
daartoe de wil ontbrak en/of terwijl hij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die aan zijn gezag was onderworpen of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd en die
persoon in die instelling was opgenomen of werd behandeld;
(art 242 Wetboek van Strafrecht, art 254 lid 1 ahf/ond b ahf/ond 2 Wetboek van
Strafrecht )