Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7053

2026-08-04 Strafrecht 02-214002-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-214002-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geweldshandelingen op een voetbalveld. Vrijspraak van openlijke geweldpleging (met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg) en vrijspraak van mishandeling (met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.009 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-214002-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026






[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres],
raadsman mr. M.G. Eckhardt, advocaat te ‘s-Gravenhage.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.


Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.




2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 februari 2024 openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (primair), dan wel deze [slachtoffer] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (subsidiair).




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte moet echter partieel worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 141, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht. Er kan namelijk niet vastgesteld worden of het verdachte is geweest die het zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.



4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.



4.3.


Het oordeel van de rechtbank


Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 25 februari 2024 vond er op het terrein van [voetbalvereniging] in Breda een voetbalwedstrijd plaats tussen het [team 1] en het [team 2], afkomstig uit [adres]. Tijdens die wedstrijd was verdachte speler van [team 2] en [slachtoffer] speler van [voetbalvereniging]. Na zo’n twaalf minuten voetballen ontstond er een opstootje tussen spelers van beide teams, waarbij [slachtoffer] slachtoffer werd van geweldshandelingen. Hij liep hierdoor een gebroken jukboog, gebroken oogkas en hersenschudding op. Na dit opstootje werd de wedstrijd definitief gestaakt.




Verklaringen in het dossier


[slachtoffer] verklaart dat hij door een speler van [team 2] aan het begin van het opstootje direct met een gebalde vuist in zijn gezicht werd geslagen, dat hij hierdoor op de grond viel en dat hij toen hij op de grond lag in zijn gezicht is geschopt. Hij herkent verdachte als degene die hem heeft geslagen. Deze herkenning baseert hij op de [voetbal-app] waarin spelers met foto zijn te zien en op foto’s op de Facebookpagina van verdachte. Hij weet niet wie hem heeft geschopt.



Vijf teamgenoten van [slachtoffer] verklaren juist dat de speler van [team 2] met rugnummer 6, die zij herkennen als medeverdachte [medeverdachte], degene is die als eerste heeft geslagen. Zij wijzen de speler van [team 2] met rugnummer 4, die zij herkennen als verdachte, aan als degene die tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt.



Daartegenover staan de verklaringen van vier bij de wedstrijd aanwezige teamgenoten van verdachte of supporters van [team 2]. Zij verklaren alle vier zelf te hebben gezien dat verdachte geen schop tegen het hoofd van iemand heeft gegeven. Een andere teamgenoot van verdachte verklaart dat verdachte niet bij het opstootje betrokken was en weer een andere teamgenoot verklaart dat verdachte altijd met rugnummer 17 speelt sinds het team het nieuwe tenue heeft gekregen.



De scheidsrechter vertelt op 25 februari 2024 ter plaatse aan de politie dat hij zag dat de speler van [team 2] met rugnummer 6 vol op de kaak van een speler van [voetbalvereniging] sloeg en dat de spelers van [team 2] met rugnummers 4 en 6 geslagen dan wel geschopt hebben. In een e-mailbericht van een aantal dagen later schrijft de scheidsrechter echter dat hij zag dat de speler van [team 2] met rugnummer 6 een klap gaf aan een speler van [voetbalvereniging] en dat hij niet zag wat er daarna gebeurde. Een speler van [team 2] met rugnummer 4 komt in dit e-mailbericht niet terug.



Verdachte verklaart bij de politie en ter zitting dat hij als spits op een afstand stond van het opstootje, dat hij [slachtoffer] niet heeft geslagen of geschopt en dat hij met rugnummer 17 speelde.



Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verklaringen in het dossier over wie er geweldshandelingen hebben verricht tegen [slachtoffer] niet met elkaar stroken. De lezing van de personen die bij [voetbalvereniging] horen staat lijnrecht tegenover de lezing van de personen die bij [team 2] horen. Bovendien wijst [slachtoffer] verdachte aan als degene die heeft geslagen, terwijl zijn teamgenoten verdachte juist aanwijzen als degene die heeft geschopt.




Ontbrekende informatie

De rechtbank stelt verder vast dat het onderzoek in deze zaak onvolledig is, waardoor essentiële informatie in het dossier ontbreekt.



Ondanks de hiervoor aangehaalde verklaringen, waarin rugnummers een belangrijke rol spelen, is er geen nader onderzoek gedaan naar de rugnummers van spelers van [team 2]. Hierdoor is niet met voldoende zekerheid vast komen te staan wie tijdens de wedstrijd welk rugnummer droeg.



Daarnaast is er pas een aantal dagen vóór de zitting een filmfragment in het dossier gevoegd, met beelden van matige kwaliteit. Volgens de officier van justitie is het opstootje op dit filmfragment te zien. Een beschrijving van dit filmfragment is echter niet in een proces-verbaal van bevindingen neergelegd. Ook zijn [slachtoffer], verdachte en [medeverdachte] bij de politie niet met dit filmfragment geconfronteerd. Hierdoor is onduidelijk gebleven wie en wat er exact op dit filmfragment is te zien.




Conclusie

Gelet op de uiteenlopende verklaringen en het ontbreken van essentiële informatie in het dossier, kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het verdachte is die zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer], dan wel een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan dat geweld.



Dit betekent dat de rechtbank niet anders kan dan verdachte vrij te spreken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit.



De rechtbank betreurt het ten zeerste dat de spelers van [team 2] na bijna tweeënhalf jaar nog altijd geen openheid van zaken hebben gegeven. Het gevolg van dit stilzwijgen is immers dat er niemand strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ernstige geweldsdelict, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat dit geweldsdelict ingrijpende gevolgen voor het leven van [slachtoffer] heeft (gehad), blijkt uit de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding en maakt het des te schrijnender dat hiervoor niemand wordt gestraft.





5De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vorderde in eerste instantie een schadevergoeding van € 69.109,55 voor het ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de advocaat van de benadeelde partij een aantal schadeposten (eigen risico, verlies verdienvermogen en immateriële schade) naar beneden bijgesteld.


Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.





6Beslissing
De rechtbank:



Vrijspraak


- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;



Benadeelde partij


- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van J.S. Slond en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2026.



De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Bijlage I: De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 25 februari 2024 te Breda,
openlijk, te weten op het terrein van [voetbalvereniging]
gelegen aan [straat], in elk geval op of aan de openbare weg en/of
op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door
voornoemde [slachtoffer]:

- te slaan tegen het hoofd, en/of
- terwijl hij, voornoemde [slachtoffer], op de grond lag te schoppen

tegen het hoofd, althans het lichaam,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans
enig lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en/of een
gebroken oogkas en/of een hersenschudding voor die [slachtoffer] ten
gevolge heeft gehad;
(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij, op of omstreeks 25 februari 2024 te Breda, [slachtoffer] heeft
mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een
gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een
hersenschudding
(art 300 lid 2 juncto art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)