Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7052
2026-08-04
Strafrecht
02-249736-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een keer steken met een mes rechtsonder in de buik. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. Vrijspraak van poging tot doodslag. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling. Oplegging van een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd van het voorarrest.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:456 Hoge Raad 22-03-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.303 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-249736-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] (Portugal),
verblijvende op het [verblijfadres],
raadsvrouw mr. A. van Wijk, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 september 2025 in [plaats] heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of in elk geval zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn buik te steken (primair), dan wel dat verdachte door zo te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling (subsidiair), poging tot zware mishandeling (meer subsidiair) of mishandeling (meest subsidiair) van [slachtoffer].
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, namelijk van de poging tot doodslag. De poging tot zware mishandeling acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit. Voor de meest subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich, ondanks het door de verdediging gedane beroep op noodweer, aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Verdachte verbleef sinds begin september 2025 in een arbeidsmigrantenhotel aan [adres] in [plaats]. Hij deelde daar een kamer met zijn partner [persoon]. Enkele dagen na zijn aankomst in het arbeidsmigrantenhotel ontstond er een conflict tussen hem en [slachtoffer], die daar ook verbleef. Dit conflict ging over [persoon].
In de avond van 21 september 2025 bevonden verdachte en [persoon] zich in hun kamer. [slachtoffer] stond buiten nabij het arbeidsmigrantenhotel. Op enig moment verliet verdachte zijn kamer, pakte hij een mes uit de keuken en liep hij met dat mes naar buiten om naar [slachtoffer] toe te gaan. Eenmaal buiten zag [slachtoffer] dat verdachte een mes vast had en is [slachtoffer] op hem afgelopen. Toen ook omstanders, zijnde vrienden of bekenden van [slachtoffer], zagen dat verdachte een mes vast had, liepen er verschillende omstanders naar verdachte en [slachtoffer] toe. Nadat deze omstanders bij verdachte en [slachtoffer] stonden, stak verdachte één keer met het mes in de buik van [slachtoffer]. [slachtoffer] liep hierdoor een steekwond op van zo’n twee centimeter breed, rechtsonder in zijn buik.
Poging tot doodslag
Primair wordt verdachte ten eerste verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door hem met een mes in zijn buik te steken. Voor een bewezenverklaring van een dergelijke poging tot doodslag moet kunnen worden geconcludeerd dat verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door deze messteek in zijn buik om het leven zou kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat de steekwond bij [slachtoffer] niet forensisch is onderzocht. De enige relevante informatie in het dossier over de steekwond is dat deze rechtsonder in de buik zat en zo’n twee centimeter breed was, dat operatief ingrijpen niet nodig was en er geen blijvend letsel is veroorzaakt. Het dossier bevat geen informatie over de diepte van de steekwond of de kracht waarmee is gestoken en evenmin over de exacte plaats van de steekwond ten opzichte van (vitale) organen in de buikholte.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het dossier geen eenduidige informatie bevat over het mes waarmee verdachte heeft gestoken. Dit mes is niet aangetroffen of teruggevonden en de verklaringen over de grootte van dit mes lopen uiteen. [slachtoffer] verklaarde dat het mes ongeveer 25 centimeter groot was. Getuigen hebben het over een mes ongeveer zo lang als een handpalm, dan wel over een mes met een lengte van ongeveer twintig centimeter. Verdachte verklaarde ter zitting dat het om een zogenoemd kaasmes ging met een lemmet van zo’n vier á vijf centimeter.
Vanwege het gebrek aan informatie over de aard en exacte plaats van de steekwond en de onduidelijkheid over het door verdachte gebruikte mes, kan de rechtbank niet vaststellen dat er een aanmerkelijk kans bestond dat [slachtoffer] door de messteek in zijn buik zou komen te overlijden. Het dossier bevat dus onvoldoende bewijs voor de bij het primaire feit ten laste gelegde poging tot doodslag, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.
Poging tot zware mishandeling
Primair wordt verdachte ten tweede verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor een bewezenverklaring van een dergelijke poging tot zware mishandeling moet kunnen worden geconcludeerd dat verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door de messteek in zijn buik zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.
Vaststaat dat verdachte [slachtoffer] één keer rechtsonder in zijn buik heeft gestoken met een mes. De rechtbank is van oordeel dat zelfs als voor de grootte van het mes wordt uitgegaan van een lemmet van vier á vijf centimeter, zoals verdachte verklaarde, deze gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer], dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook bewust heeft aanvaard. Bij een messteek in de buik met een lemmet van die lengte kan immers de buikholte bereikt worden, waarin zich (vitale) organen bevinden. Rechtsonder in de buik gaat het in elk geval om de dikke en dunne darm en perforatie van die darmen door een messteek leidt in het algemeen tot zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht de bij het primaire feit ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 september 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] met een mes te steken in de buik terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging doet weliswaar formeel ‘enkel’ bij het meest subsidiair ten laste gelegde feit (mishandeling) een beroep op noodweer, dan wel op noodweerexces, doch de rechtbank ziet zich genoodzaakt dit beroep ambtshalve in volle omvang te toetsen aan de bewezenverklaring genoemd onder 4.4.
Over de noodzaak om zichzelf te verdedigen verklaarde verdachte bij de politie en ter zitting als volgt: Verdachte en [persoon] werden al ongeveer twee weken op verschillende manieren lastig gevallen door [slachtoffer]. Op 21 september 2025 was het conflict tussen hen nog altijd gaande. [slachtoffer] zou aan het einde van de middag tegen hem hebben gezegd dat hij verdachte met een mes ging vermoorden. Er ontstond ruzie tussen hen en omstanders wisten hen te scheiden, waarna verdachte naar zijn kamer ging. Gedurende die avond was verdachte met [persoon] op hun kamer en stond [slachtoffer] met ongeveer tien andere personen beneden bij het arbeidsmigrantenhotel. Zij, zowel [slachtoffer] als andere personen, namen meermaals telefonisch contact op met verdachte met de boodschap dat hij naar beneden moest komen en dat ze hem zouden slaan en vermoorden. Verdachte hoorde hen hier ook onderling over praten. Ook sloegen zij op het raam en schreeuwden zij naar verdachte. [persoon] was op dat moment zwanger, begon te huilen, vertelde dat zij zich niet veilig voelde en praatte over abortus. Verdachte voelde zich bang, beroerd en verdrietig, wilde dat het conflict met [slachtoffer] ophield en besloot om buiten met [slachtoffer] te gaan praten. Voordat verdachte naar buiten liep, pakte hij een mes uit de keuken, omdat [slachtoffer] sterker was en deel uitmaakte van een grote groep. Verdachte wilde met het mes alleen een afstand tussen hem en [slachtoffer] creëren. Nadat verdachte buiten kwam en het mes zichtbaar in zijn hand hield, werd hij door omstanders vastgepakt en vervolgens door [slachtoffer] met een vuistslag in zijn gezicht geslagen. Omdat hij zich erg bedreigd voelde en bang en in paniek was, stak hij vervolgens [slachtoffer] uit reflex met het mes in zijn buik.
Volgens de verdediging startte de noodweersituatie pas toen verdachte daadwerkelijk door [slachtoffer] werd geslagen en ook de omstanders geweld tegen verdachte gebruikten. Verdachte had op dat moment geen reële mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken, nu hij fysiek niet tegen [slachtoffer] en de omstanders was opgewassen.
Als de rechtbank niet meegaat in het beroep op noodweer, dan is sprake van een noodweerexcessituatie. Door de vuistslag van [slachtoffer] in het gezicht van verdachte en de overtal-/overmachtssituatie waarin dit plaatsvond, in samenhang met de voorgeschiedenis van het conflict en de toestand van [persoon], ontstond er een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Als gevolg van deze hevige gemoedsbeweging is verdachte in zijn verdediging verder gegaan dan strikt noodzakelijk was door [slachtoffer] in zijn buik te steken.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, omdat verdachte zelf de confrontatie met [slachtoffer] zocht door met een mes in de hand naar hem toe te gaan. Bovendien handelde verdachte disproportioneel door een mes te gebruiken, terwijl [slachtoffer] geen wapen had.
Ook een noodweerexcessituatie is volgens de officier van justitie niet aannemelijk geworden, omdat verdachte bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaarde dat hij uit een reflex handelde. Dit is wat anders dan als gevolg van een hevige gemoedsbeweging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Het beoordelingskader
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:456) kunnen gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende
Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet
Volgens de verklaring van verdachte werden er op 21 september 2025 vanuit [slachtoffer] en andere bij [slachtoffer] horende personen bedreigingen geuit, inhoudende dat zij verdachte zouden slaan en vermoorden als hij naar buiten zou komen. In plaats van binnen in zijn kamer te blijven en bijvoorbeeld de politie te bellen, besloot verdachte een mes uit de keuken te pakken en met dit mes in de hand naar buiten te gaan waar [slachtoffer] samen met een tiental andere personen stond. Het advies van [persoon] om niet naar buiten te gaan, volgde verdachte niet op. Volgens verdachte wilde hij een gesprek met [slachtoffer] voeren en met het mes alleen een afstand tussen hen creëren. Naar het oordeel van de rechtbank was het gezien de eerder geuite bedreigingen echter niet reëel om ervan uit te gaan dat er een mogelijkheid bestond om slechts met elkaar te praten, zeker niet in het geval verdachte met een mes zichtbaar in zijn hand naar buiten komt. Het meebrengen van een mes zorgt in een dergelijke situatie doorgaans juist tot verdere escalatie, zo ook in dit geval.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht en een gewelddadige reactie van [slachtoffer] heeft uitgelokt door met een mes in de hand naar hem toe te gaan. Het beroep op noodweer slaagt niet.
Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging. Dit betekent dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.
Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen dan de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] met een mes in zijn buik te steken. Hoewel ook verdachte en [persoon] in het conflict met [slachtoffer] het een en ander hebben moeten incasseren, is verdachte alle grenzen te buiten gegaan door zo te handelen en heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer] hier voor zover bekend ‘slechts’ een steekwond zonder bijkomende gevolgen aan heeft overgehouden. Het steekincident is bovendien waargenomen door verschillende omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit bij hen heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid.
Destijds zag verdachte kennelijk geen andere optie dan met een mes naar [slachtoffer] toe te gaan. Inmiddels ziet hij de kwalijkheid van zijn handelen wel in. Als zo’n situatie zich nu weer voor zou doen, zou hij naar eigen zeggen op zoek gaan naar ander werk voor hem en [persoon] en naar een andere verblijfplaats. Verdachte is vanaf het moment dat hij als verdachte werd aangemerkt direct open geweest over wat hij heeft gedaan en is de verantwoordelijkheid daarvoor niet uit de weg gegaan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland geen strafblad heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 10 juli 2026, waaruit blijkt dat het recidiverisico bij verdachte wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering ziet beschermende factoren op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, gezin en middelengebruik. Risicofactoren ziet de reclassering op het gebied van psychosociaal functioneren, nu verdachte een mes heeft meegenomen naar een confrontatie waarvoor hij naar eigen zeggen angstig was. De reclassering acht het van belang dat verdachte in de toekomst andere copingvaardigheden laat zien en hiervoor hulp krijgt. Geadviseerd wordt daarom om verdachte bij een veroordeling een voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
Ter zitting verklaarde verdachte dat hij denkt geen begeleiding of behandeling nodig te hebben, maar dat hij wel bereid is bijzondere voorwaarden na te leven als de rechtbank dat nodig vindt. Inmiddels woont verdachte bij zijn moeder in Portugal, op korte afstand van de woning van [persoon] en hun zoon. Verdachte werkt daar in de horeca, kan hiervan goed rondkomen en ziet zijn zoon dagelijks. Zijn toekomstplan is om geld te sparen, zijn rijbewijs te halen en om samen te gaan wonen met [persoon] en hun zoon.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting. Conform deze oriëntatiepunten wordt voor een poging tot zware mishandeling met een wapen, niet zijnde een vuurwapen, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van viereneenhalve maand opgelegd.
De rechtbank acht het in dit geval echter passend om verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, vanwege zijn proceshouding en het feit dat hij zijn leven nu in Portugal ondanks zijn jonge leeftijd goed op de rit heeft.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Dit in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 120 dagen hechtenis. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag.
De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat de uitvoering van een taakstraf aan de Portugese autoriteiten kan worden overgedragen, zodat verdachte deze ook in Portugal kan uitvoeren, alwaar hij zich momenteel duurzaam heeft gevestigd.
De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het stellen van bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk.
7De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van S. Kaya en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp te steken in de buik
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer]
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken in de
buik;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken
in de buik van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid:
(art 302 lid 1 junct 45 Wetboek van Strafrecht)
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
[slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] met een
mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken in de buik;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-249736-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] (Portugal),
verblijvende op het [verblijfadres],
raadsvrouw mr. A. van Wijk, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 september 2025 in [plaats] heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of in elk geval zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn buik te steken (primair), dan wel dat verdachte door zo te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling (subsidiair), poging tot zware mishandeling (meer subsidiair) of mishandeling (meest subsidiair) van [slachtoffer].
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, namelijk van de poging tot doodslag. De poging tot zware mishandeling acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit. Voor de meest subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich, ondanks het door de verdediging gedane beroep op noodweer, aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Verdachte verbleef sinds begin september 2025 in een arbeidsmigrantenhotel aan [adres] in [plaats]. Hij deelde daar een kamer met zijn partner [persoon]. Enkele dagen na zijn aankomst in het arbeidsmigrantenhotel ontstond er een conflict tussen hem en [slachtoffer], die daar ook verbleef. Dit conflict ging over [persoon].
In de avond van 21 september 2025 bevonden verdachte en [persoon] zich in hun kamer. [slachtoffer] stond buiten nabij het arbeidsmigrantenhotel. Op enig moment verliet verdachte zijn kamer, pakte hij een mes uit de keuken en liep hij met dat mes naar buiten om naar [slachtoffer] toe te gaan. Eenmaal buiten zag [slachtoffer] dat verdachte een mes vast had en is [slachtoffer] op hem afgelopen. Toen ook omstanders, zijnde vrienden of bekenden van [slachtoffer], zagen dat verdachte een mes vast had, liepen er verschillende omstanders naar verdachte en [slachtoffer] toe. Nadat deze omstanders bij verdachte en [slachtoffer] stonden, stak verdachte één keer met het mes in de buik van [slachtoffer]. [slachtoffer] liep hierdoor een steekwond op van zo’n twee centimeter breed, rechtsonder in zijn buik.
Poging tot doodslag
Primair wordt verdachte ten eerste verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door hem met een mes in zijn buik te steken. Voor een bewezenverklaring van een dergelijke poging tot doodslag moet kunnen worden geconcludeerd dat verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door deze messteek in zijn buik om het leven zou kunnen komen.
De rechtbank stelt vast dat de steekwond bij [slachtoffer] niet forensisch is onderzocht. De enige relevante informatie in het dossier over de steekwond is dat deze rechtsonder in de buik zat en zo’n twee centimeter breed was, dat operatief ingrijpen niet nodig was en er geen blijvend letsel is veroorzaakt. Het dossier bevat geen informatie over de diepte van de steekwond of de kracht waarmee is gestoken en evenmin over de exacte plaats van de steekwond ten opzichte van (vitale) organen in de buikholte.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het dossier geen eenduidige informatie bevat over het mes waarmee verdachte heeft gestoken. Dit mes is niet aangetroffen of teruggevonden en de verklaringen over de grootte van dit mes lopen uiteen. [slachtoffer] verklaarde dat het mes ongeveer 25 centimeter groot was. Getuigen hebben het over een mes ongeveer zo lang als een handpalm, dan wel over een mes met een lengte van ongeveer twintig centimeter. Verdachte verklaarde ter zitting dat het om een zogenoemd kaasmes ging met een lemmet van zo’n vier á vijf centimeter.
Vanwege het gebrek aan informatie over de aard en exacte plaats van de steekwond en de onduidelijkheid over het door verdachte gebruikte mes, kan de rechtbank niet vaststellen dat er een aanmerkelijk kans bestond dat [slachtoffer] door de messteek in zijn buik zou komen te overlijden. Het dossier bevat dus onvoldoende bewijs voor de bij het primaire feit ten laste gelegde poging tot doodslag, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.
Poging tot zware mishandeling
Primair wordt verdachte ten tweede verweten dat hij heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor een bewezenverklaring van een dergelijke poging tot zware mishandeling moet kunnen worden geconcludeerd dat verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door de messteek in zijn buik zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.
Vaststaat dat verdachte [slachtoffer] één keer rechtsonder in zijn buik heeft gestoken met een mes. De rechtbank is van oordeel dat zelfs als voor de grootte van het mes wordt uitgegaan van een lemmet van vier á vijf centimeter, zoals verdachte verklaarde, deze gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer], dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook bewust heeft aanvaard. Bij een messteek in de buik met een lemmet van die lengte kan immers de buikholte bereikt worden, waarin zich (vitale) organen bevinden. Rechtsonder in de buik gaat het in elk geval om de dikke en dunne darm en perforatie van die darmen door een messteek leidt in het algemeen tot zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht de bij het primaire feit ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 september 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] met een mes te steken in de buik terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging doet weliswaar formeel ‘enkel’ bij het meest subsidiair ten laste gelegde feit (mishandeling) een beroep op noodweer, dan wel op noodweerexces, doch de rechtbank ziet zich genoodzaakt dit beroep ambtshalve in volle omvang te toetsen aan de bewezenverklaring genoemd onder 4.4.
Over de noodzaak om zichzelf te verdedigen verklaarde verdachte bij de politie en ter zitting als volgt: Verdachte en [persoon] werden al ongeveer twee weken op verschillende manieren lastig gevallen door [slachtoffer]. Op 21 september 2025 was het conflict tussen hen nog altijd gaande. [slachtoffer] zou aan het einde van de middag tegen hem hebben gezegd dat hij verdachte met een mes ging vermoorden. Er ontstond ruzie tussen hen en omstanders wisten hen te scheiden, waarna verdachte naar zijn kamer ging. Gedurende die avond was verdachte met [persoon] op hun kamer en stond [slachtoffer] met ongeveer tien andere personen beneden bij het arbeidsmigrantenhotel. Zij, zowel [slachtoffer] als andere personen, namen meermaals telefonisch contact op met verdachte met de boodschap dat hij naar beneden moest komen en dat ze hem zouden slaan en vermoorden. Verdachte hoorde hen hier ook onderling over praten. Ook sloegen zij op het raam en schreeuwden zij naar verdachte. [persoon] was op dat moment zwanger, begon te huilen, vertelde dat zij zich niet veilig voelde en praatte over abortus. Verdachte voelde zich bang, beroerd en verdrietig, wilde dat het conflict met [slachtoffer] ophield en besloot om buiten met [slachtoffer] te gaan praten. Voordat verdachte naar buiten liep, pakte hij een mes uit de keuken, omdat [slachtoffer] sterker was en deel uitmaakte van een grote groep. Verdachte wilde met het mes alleen een afstand tussen hem en [slachtoffer] creëren. Nadat verdachte buiten kwam en het mes zichtbaar in zijn hand hield, werd hij door omstanders vastgepakt en vervolgens door [slachtoffer] met een vuistslag in zijn gezicht geslagen. Omdat hij zich erg bedreigd voelde en bang en in paniek was, stak hij vervolgens [slachtoffer] uit reflex met het mes in zijn buik.
Volgens de verdediging startte de noodweersituatie pas toen verdachte daadwerkelijk door [slachtoffer] werd geslagen en ook de omstanders geweld tegen verdachte gebruikten. Verdachte had op dat moment geen reële mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken, nu hij fysiek niet tegen [slachtoffer] en de omstanders was opgewassen.
Als de rechtbank niet meegaat in het beroep op noodweer, dan is sprake van een noodweerexcessituatie. Door de vuistslag van [slachtoffer] in het gezicht van verdachte en de overtal-/overmachtssituatie waarin dit plaatsvond, in samenhang met de voorgeschiedenis van het conflict en de toestand van [persoon], ontstond er een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Als gevolg van deze hevige gemoedsbeweging is verdachte in zijn verdediging verder gegaan dan strikt noodzakelijk was door [slachtoffer] in zijn buik te steken.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, omdat verdachte zelf de confrontatie met [slachtoffer] zocht door met een mes in de hand naar hem toe te gaan. Bovendien handelde verdachte disproportioneel door een mes te gebruiken, terwijl [slachtoffer] geen wapen had.
Ook een noodweerexcessituatie is volgens de officier van justitie niet aannemelijk geworden, omdat verdachte bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaarde dat hij uit een reflex handelde. Dit is wat anders dan als gevolg van een hevige gemoedsbeweging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Het beoordelingskader
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:456) kunnen gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende
Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet
Volgens de verklaring van verdachte werden er op 21 september 2025 vanuit [slachtoffer] en andere bij [slachtoffer] horende personen bedreigingen geuit, inhoudende dat zij verdachte zouden slaan en vermoorden als hij naar buiten zou komen. In plaats van binnen in zijn kamer te blijven en bijvoorbeeld de politie te bellen, besloot verdachte een mes uit de keuken te pakken en met dit mes in de hand naar buiten te gaan waar [slachtoffer] samen met een tiental andere personen stond. Het advies van [persoon] om niet naar buiten te gaan, volgde verdachte niet op. Volgens verdachte wilde hij een gesprek met [slachtoffer] voeren en met het mes alleen een afstand tussen hen creëren. Naar het oordeel van de rechtbank was het gezien de eerder geuite bedreigingen echter niet reëel om ervan uit te gaan dat er een mogelijkheid bestond om slechts met elkaar te praten, zeker niet in het geval verdachte met een mes zichtbaar in zijn hand naar buiten komt. Het meebrengen van een mes zorgt in een dergelijke situatie doorgaans juist tot verdere escalatie, zo ook in dit geval.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht en een gewelddadige reactie van [slachtoffer] heeft uitgelokt door met een mes in de hand naar hem toe te gaan. Het beroep op noodweer slaagt niet.
Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging. Dit betekent dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.
Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen dan de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] met een mes in zijn buik te steken. Hoewel ook verdachte en [persoon] in het conflict met [slachtoffer] het een en ander hebben moeten incasseren, is verdachte alle grenzen te buiten gegaan door zo te handelen en heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer] hier voor zover bekend ‘slechts’ een steekwond zonder bijkomende gevolgen aan heeft overgehouden. Het steekincident is bovendien waargenomen door verschillende omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit bij hen heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid.
Destijds zag verdachte kennelijk geen andere optie dan met een mes naar [slachtoffer] toe te gaan. Inmiddels ziet hij de kwalijkheid van zijn handelen wel in. Als zo’n situatie zich nu weer voor zou doen, zou hij naar eigen zeggen op zoek gaan naar ander werk voor hem en [persoon] en naar een andere verblijfplaats. Verdachte is vanaf het moment dat hij als verdachte werd aangemerkt direct open geweest over wat hij heeft gedaan en is de verantwoordelijkheid daarvoor niet uit de weg gegaan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland geen strafblad heeft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 10 juli 2026, waaruit blijkt dat het recidiverisico bij verdachte wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering ziet beschermende factoren op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, gezin en middelengebruik. Risicofactoren ziet de reclassering op het gebied van psychosociaal functioneren, nu verdachte een mes heeft meegenomen naar een confrontatie waarvoor hij naar eigen zeggen angstig was. De reclassering acht het van belang dat verdachte in de toekomst andere copingvaardigheden laat zien en hiervoor hulp krijgt. Geadviseerd wordt daarom om verdachte bij een veroordeling een voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
Ter zitting verklaarde verdachte dat hij denkt geen begeleiding of behandeling nodig te hebben, maar dat hij wel bereid is bijzondere voorwaarden na te leven als de rechtbank dat nodig vindt. Inmiddels woont verdachte bij zijn moeder in Portugal, op korte afstand van de woning van [persoon] en hun zoon. Verdachte werkt daar in de horeca, kan hiervan goed rondkomen en ziet zijn zoon dagelijks. Zijn toekomstplan is om geld te sparen, zijn rijbewijs te halen en om samen te gaan wonen met [persoon] en hun zoon.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting. Conform deze oriëntatiepunten wordt voor een poging tot zware mishandeling met een wapen, niet zijnde een vuurwapen, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van viereneenhalve maand opgelegd.
De rechtbank acht het in dit geval echter passend om verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, vanwege zijn proceshouding en het feit dat hij zijn leven nu in Portugal ondanks zijn jonge leeftijd goed op de rit heeft.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Dit in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 120 dagen hechtenis. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag.
De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat de uitvoering van een taakstraf aan de Portugese autoriteiten kan worden overgedragen, zodat verdachte deze ook in Portugal kan uitvoeren, alwaar hij zich momenteel duurzaam heeft gevestigd.
De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het stellen van bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk.
7De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van S. Kaya en mr. S.A. Lemmens, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 augustus 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp te steken in de buik
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer]
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken in de
buik;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken
in de buik van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid:
(art 302 lid 1 junct 45 Wetboek van Strafrecht)
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], althans in Nederland
[slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] met een
mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te steken in de buik;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)