Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6975

2026-07-29 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/11074
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/11074
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2026/1632

Inhoudsindicatie

BPM. De inkoopfactuur is een bindende voorwaarde voor het toepassen van de taxatiemethode. De rechtbank verbindt aan het pas in beroep overleggen in dit geval geen gevolgen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.331 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11074


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.383.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 17 november 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW 1 118i Executive met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 945 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.



3.2.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft in het taxatierapport het volgende vermeld:

“Bij dit voertuig wordt ook een technische schade geclaimd. De aangever geeft aan dat hij het Carter al vernieuwd heeft, omdat het voertuig anders niet te verplaatsen is. De motor loopt wel onregelmatig maar er ligt een stekker van de bobine los, zie foto’s 95 t/m 99 ook is de kilometerstand oplopend bij Taxatie: 10.097 km, bij RDW 10.271 km en bij schouw DRZ 10.426 km. Ook schijnt de versnellingsbak al gerepareerd te zijn. De aangever geeft aan dat deze gerepareerd is met 2K reparatiemiddel dus niet vernieuwd. Wij konden dit niet vastleggen met foto’s





Er is sprake van een essentieel gebrek conform het gestelde in de Regeling Voertuigen, Hoofdstuk 5 “Permanente eisen” of Hoofdstuk 7 “Schadevoertuigen.”





3.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 5.238 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.



3.4.
Op 10 april 2026 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om op grond van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de inkoop- en verkoopfactuur en reparatiefacturen en/of werkplaatsorders van de auto te verstrekken.



3.5.
Belanghebbende heeft op 26 mei 2026 een inkoopverklaring overgelegd, waarop een aankoopprijs van € 20.363 staat. Bij de omschrijving staat: ‘motorschade versnellingsbak schade’.




Motivering



Vooraf




4. De rechtbank heeft de inspecteur bij brief van 25 januari 2024 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken (hierna: de 8:42-stukken) in te dienen en hem tevens in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Bij brief van 13 maart 2024 heeft de rechtbank de inspecteur gewezen op het feit dat de 8:42-stukken en het verweerschrift nog steeds ontbreken. Bij brief van 21 april 2026 heeft de rechtbank partijen gewezen op de mogelijkheid om tot tien dagen voor de zitting van 17 juni 2026 stukken in te dienen. De 8:42-stukken en het verweerschrift zijn op 8 juni 2026 door de rechtbank ontvangen.



4.1.
Ter zitting heeft belanghebbende zich verzet tegen het laattijdig indienen van de 8:42-stukken en het verweerschrift.



4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. In het onderhavige geval zijn zowel de 8:42-stukken als het verweerschrift binnen tien dagen voor de zitting ingediend. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken in het geding worden gebracht. Dit wettelijk voorschrift moet zo worden uitgelegd dat uiterlijk de elfde dag voor de zittingsdatum nog nadere stukken kunnen worden ingediend. Uitgaande van een zittingsdatum van 17 juni 2026 is een stuk dat op 8 juni 2026 binnenkomt, niet tijdig ingediend. Daar komt bij dat artikel 8:58, eerste lid, van de Awb betrekking heeft op nadere stukken en niet op de 8:42-stukken.



4.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur heeft verzuimd om binnen de wettelijke en door de rechtbank gestelde termijnen de 8:42-stukken en het verweerschrift in te dienen. De rechtbank overweegt dat de inspecteur hiermee een efficiënte procesgang heeft belemmerd. Naast dat hij met een dergelijke handelwijze belanghebbende de mogelijkheid ontneemt zich degelijk voor te bereiden op de zitting en te reageren op het verweerschrift merkt de rechtbank op dat de voorbereiding van de rechtbank eveneens door deze handelwijze wordt belemmerd.



4.4.
De rechtbank zal in het onderhavige geval alleen consequenties verbinden aan het te laat indienen van het verweerschrift en niet aan het te laat indienen van de 8:42-stukken. De 8:42-stukken zijn stukken die de inspecteur moet indienen. Dit zijn stukken die belanghebbende al kent en die binnen een zodanige termijn zijn ingediend dat de rechtbank daar kennis van heeft kunnen nemen. De rechtbank neemt daarom de bijlagen bij het verweerschrift mee in haar beoordeling. Het indienen van het verweerschrift is niet verplicht, een partij heeft de keuze om verweer te voeren. De rechtbank heeft partijen op de 10-dagentermijn gewezen, desondanks is het verweerschrift buiten die termijn en dus te laat ingediend. De rechtbank laat daarom het verweerschrift buiten beschouwing met als gevolg dat de rechtbank de stellingen die de inspecteur in het verweerschrift heeft ingenomen niet meeneemt in haar beoordeling.



Taxatiemethode – essentiële gebreken





4.5.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de verschuldigde bpm de taxatiemethode kan worden toegepast. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is volgens hem ten onrechte de taxatiemethode geweigerd omdat de auto essentiële gebreken zou hebben.



4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van de taxatiemethode is beperkt tot een voertuig met meer dan normale gebruiksschade en/of een motorrijtuig dat niet voorkomt op een koerslijst. Voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig die niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Dat moet worden bepaald naar de (verwachte) staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van het belastbaar feit.



4.7.
Belanghebbende heeft bij DRZ verklaard dat het carter en de versnellingsbak al gerepareerd waren omdat de auto anders niet te verplaatsen was. De auto is rijdend bij DRZ binnengebracht en er is in tussentijd met de auto gereden. De auto is ook door de RDW goedgekeurd voor gebruik op de weg. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de auto op het tijdstip van het belastbaar feit geen essentiële gebreken had waardoor met de auto kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer. De taxatiemethode kan dus niet worden geweigerd op de grond dat sprake is van essentiële gebreken.



Is aan de voorwaarden voor toepassing van taxatiemethode voldaan?





4.8.
De taxatiemethode moet worden uitgevoerd met inachtneming van de voorwaarden in artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. Een van die voorwaarden is dat de inkoopfactuur of de inkoopverklaring wordt toegevoegd aan het taxatierapport. De rechtbank is van oordeel dat de inkoopfactuur een bindende voorwaarde is voor het toepassen van de taxatiemethode. De rechtbank constateert dat bij de aangifte geen inkoopfactuur is overgelegd. De inspecteur heeft belanghebbende in beroep op 10 april 2026 gevraagd om de gegevens toe te voegen. Vervolgens zijn de gegevens op 26 mei 2026 overgelegd. Belanghebbende heeft daarmee de ontbrekende gegevens toegevoegd en alsnog voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode. De rechtbank verbindt in dit geval aan het pas in beroep overleggen van de inkoopfactuur geen gevolgen.



Historische nieuwprijs





4.9.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 51.722. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.



Handelsinkoopwaarde





4.10.
Bij de taxatiemethode wordt een individuele waardebepaling van de auto gemaakt. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de waarde in een koerslijst. In dat geval is de koerslijst slechts een uitgangspunt en zal de getaxeerde waarde afwijken vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig. Het ligt op de weg van belanghebbende om de feiten en omstandigheden aan te voeren om het bewijs te leveren voor de door hem voorgestane waardedaling.



4.11.
Belanghebbende staat een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde voor van € 26.581 op basis van de koerslijst van XRay. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 26.732 en geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Volgens het schaderapport bij het taxatierapport bedraagt de schade – waaronder die aan de motor, versnellingsbak, twee velgen en twee banden – in totaal € 23.288,35. Daarvan is 85% meegenomen als waardevermindering. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat een deel van de schade is hersteld maar dat duurzaam herstel nog nodig was. Daarnaast weegt mee dat belanghebbende de auto voor € 20.363 heeft ingekocht. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende bepaalt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van de auto in goede justitie op € 15.000.



Hoogte naheffingsaanslag





4.12.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 51.722, een handelsinkoopwaarde van € 15.000 en een bruto Bpm van € 6.842 berekent de rechtbank de verschuldigde Bpm op € 1.984. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 945 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 1.039.



Immateriële schadevergoeding





4.13.
Belanghebbende heeft op 21 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.14.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 6 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt € 93,75 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.406,25) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 1.039. Belanghebbende heeft verder recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.



5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.039;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 93,75;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.406,25;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Artikel 8:42 van de Awb.


Artikel 8:31 van de Awb.


Artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM.


Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM bewerkstelligt dat.


Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.


Gelet op hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen.


Vgl. Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r,o. 4.3.4.


Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.