Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6973
2026-07-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11781
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2022:640 Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10100 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2022
- ECLI:NL:HR:2025:1472 Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:HR:2023:1703 Hoge Raad 22-12-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.377 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11781
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.676.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 29 april 2022 een melding gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Touareg 3.0 TSI R-Line met [VIN-nummer] , en naar aanleiding van de maandaangifte mei 2022 een bedrag van € 12.821 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de melding een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de melding gevoegd. Bij de melding heeft belanghebbende een inkoopfactuur overgelegd, waarop een aankoopprijs van € 62.500 staat.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 19.497 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Taxatiemethode
3.3.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
3.4.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s van de dakplaat, portier en achterbumper zijn naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de leeftijd van de auto (15 maanden) en de gereden kilometers (16.593), normale gebruikssporen te zien. Het ontbreken van een alarm van klasse 3 is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als aan de auto toegebrachte schade. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van eventuele schade. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Koerslijstmethode
3.5.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst XRay Rental moet worden gevolgd omdat de auto een huurverleden heeft. De inspecteur betwist dat de koerslijstmethode kan worden gebruikt omdat er geen WLTP-koerslijst beschikbaar is, terwijl de CO2-uitstoot van de auto volgens de WLTP-methode is gemeten.
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd en dat ervan kan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. De rechtbank overweegt dat een andere meetmethode van de CO2-uitstoot de uitvoering van de auto niet veranderd. Voor de consument blijft het dezelfde uitvoering ongeacht de gebruikte meetmethode van de CO2-uitstoot. Voor de consument maakt dat geen verschil. Dit betekent dat de koerslijstmethode kan worden toegepast.
3.7.
Voor dat geval heeft de inspecteur betwist dat de auto een huurverleden heeft en voert aan dat de vermelding in het Duits kentekenbewijs ook kan betekenen dat sprake is van een lease-auto. Verder zegt de vermelding niets over de intensiviteit van het gebruik, aldus de inspecteur.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat op het kentekenbewijs ‘Selbstfahrermietfahrzeug’ is vermeld. Gelet op de betwisting door de inspecteur is de enkele vermelding op het kentekenbewijs onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auto een aantoonbaar huurverleden heeft. Dit betekent dat belanghebbende geen beroep kan doen de koerslijst XRay Rental. De rechtbank gaat uit van de koerslijst XRay van DRZ met een handelsinkoopwaarde van € 53.517, nu deze het meest voordelig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de relevante voertuigkenmerken in de koerslijst zijn verwerkt en niet is gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen.
Historische nieuwprijs
3.9.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld met inachtneming van de historische bruto Bpm van de auto zelf van € 47.726 (tarief per 01-01-2021). De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. De historische nieuwprijs is dan € 129.664. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere netto catalogusprijs, aangezien beide partijen dezelfde referentieauto hebben gehanteerd als degene die het meest vergelijkbaar is met de auto.
Hoogte van de naheffingsaanslag
3.10.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 129.664, een handelsinkoopwaarde op € 53.517 en een historische bruto bpm op € 42.322 (tussentijds tarief), stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 17.467. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 12.821 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 4.646.
Immateriële schadevergoeding
3.11.
Belanghebbende heeft op 13 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
3.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt € 727,27 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.272,73) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.646. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.646;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 727,27;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.272,73;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10100, r.o. 4.14.
Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
€ 67.718 (netto catalogusprijs XRay DRZ) + € 14.220 (btw) + € 47.726 (historische bruto Bpm).
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11781
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.676.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 29 april 2022 een melding gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Touareg 3.0 TSI R-Line met [VIN-nummer] , en naar aanleiding van de maandaangifte mei 2022 een bedrag van € 12.821 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de melding een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de melding gevoegd. Bij de melding heeft belanghebbende een inkoopfactuur overgelegd, waarop een aankoopprijs van € 62.500 staat.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 19.497 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Taxatiemethode
3.3.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
3.4.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s van de dakplaat, portier en achterbumper zijn naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de leeftijd van de auto (15 maanden) en de gereden kilometers (16.593), normale gebruikssporen te zien. Het ontbreken van een alarm van klasse 3 is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als aan de auto toegebrachte schade. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van eventuele schade. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Koerslijstmethode
3.5.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst XRay Rental moet worden gevolgd omdat de auto een huurverleden heeft. De inspecteur betwist dat de koerslijstmethode kan worden gebruikt omdat er geen WLTP-koerslijst beschikbaar is, terwijl de CO2-uitstoot van de auto volgens de WLTP-methode is gemeten.
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd en dat ervan kan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. De rechtbank overweegt dat een andere meetmethode van de CO2-uitstoot de uitvoering van de auto niet veranderd. Voor de consument blijft het dezelfde uitvoering ongeacht de gebruikte meetmethode van de CO2-uitstoot. Voor de consument maakt dat geen verschil. Dit betekent dat de koerslijstmethode kan worden toegepast.
3.7.
Voor dat geval heeft de inspecteur betwist dat de auto een huurverleden heeft en voert aan dat de vermelding in het Duits kentekenbewijs ook kan betekenen dat sprake is van een lease-auto. Verder zegt de vermelding niets over de intensiviteit van het gebruik, aldus de inspecteur.
3.8.
De rechtbank stelt vast dat op het kentekenbewijs ‘Selbstfahrermietfahrzeug’ is vermeld. Gelet op de betwisting door de inspecteur is de enkele vermelding op het kentekenbewijs onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auto een aantoonbaar huurverleden heeft. Dit betekent dat belanghebbende geen beroep kan doen de koerslijst XRay Rental. De rechtbank gaat uit van de koerslijst XRay van DRZ met een handelsinkoopwaarde van € 53.517, nu deze het meest voordelig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de relevante voertuigkenmerken in de koerslijst zijn verwerkt en niet is gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen.
Historische nieuwprijs
3.9.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld met inachtneming van de historische bruto Bpm van de auto zelf van € 47.726 (tarief per 01-01-2021). De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. De historische nieuwprijs is dan € 129.664. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere netto catalogusprijs, aangezien beide partijen dezelfde referentieauto hebben gehanteerd als degene die het meest vergelijkbaar is met de auto.
Hoogte van de naheffingsaanslag
3.10.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 129.664, een handelsinkoopwaarde op € 53.517 en een historische bruto bpm op € 42.322 (tussentijds tarief), stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 17.467. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 12.821 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 4.646.
Immateriële schadevergoeding
3.11.
Belanghebbende heeft op 13 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
3.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt € 727,27 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.272,73) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.646. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.646;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 727,27;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.272,73;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.4 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10100, r.o. 4.14.
Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
€ 67.718 (netto catalogusprijs XRay DRZ) + € 14.220 (btw) + € 47.726 (historische bruto Bpm).