Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6972

2026-07-29 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/9128
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/9128
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.390 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/9128


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 13 juli 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.254.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op 5 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz AMG GLC 63 S 4Matic+ met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 19.112 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende een inkoopfactuur overgelegd, waarop een aankoopprijs van € 86.755,23 staat.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 23.366 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.




Motivering



Vooraf




4. Het standpunt van belanghebbende dat sprake is van schending van het mandaatverbod is ter zitting ingetrokken.




Taxatiemethode




4.1.
Beide partijen gaan ervan uit dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Belanghebbende beroept zich op de taxatiemethode.



Historische nieuwprijs





4.2.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 187.221. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere netto catalogusprijs, aangezien beide partijen dezelfde referentieauto hebben gehanteerd als degene die het meest vergelijkbaar is met de auto.



Handelsinkoopwaarde





4.3.
Bij toepassing van de taxatiemethode is de koerslijstwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht.



4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.735,95 en daarvan € 7.009 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft de taxateur 10% van de handelsinkoopwaarde wegens schadeverleden in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft € 1.493 aan schade geconstateerd en daarvan € 1.075 als waardevermindering in aanmerking genomen.



4.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan reeds door de inspecteur in aanmerking is genomen. Op de foto’s van de stoel ziet de rechtbank geen schade. Op de foto van het dak is een lichte kras te zien die gelet op de leeftijd van de auto (bijna twee jaar) en gereden kilometers (33.689) als normale gebruiksschade kan worden aangemerkt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat een hoger percentage van de geconstateerde schade in aanmerking dient te worden genomen dan 72%. De leeftijd van de auto, het aantal gereden kilometers en de door DRZ geconstateerde schade geven daar geen aanleiding toe. Belanghebbendes taxateur is ook uitgegaan van 72%. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt.



4.6.
De inspecteur heeft aangevoerd dat de waarde van de auto hoger is dan de koerslijstwaarde minus de door DRZ geconstateerde schade. Daarbij heeft hij gewezen op de verschillen tussen de auto en de referentieauto en de eigen aankoopprijs. De rechtbank acht dit standpunt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft niet het vertrouwen gewekt dat hij in beroep geen nieuwe standpunten zou innemen. Anders dan belanghebbende meent staat de handelsinkoopwaarde ook nog steeds ter discussie.



4.7.
Het ligt op de weg van belanghebbende om de handelsinkoopwaarde als geheel aannemelijk te maken. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Belanghebbende heeft volgens de inkoopfactuur (omgerekend) € 86.755,23 (excl. btw en bpm) betaald. Volgens belanghebbende geeft de koerslijst een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat weer van € 74.160 (incl. btw en bpm) terwijl DRZ uitgaat van € 74.021. Hoewel de inkoopfactuur niet als uitgangspunt kan worden genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen, kan het wel een indicatie geven dat in dit geval sprake is van een betere staat van de auto of van bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen ten opzichte van de referentievoertuigen waardoor de auto meer waard is. Gelet op de inkoopfactuur is aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde op een zodanig hoger bedrag moet worden vastgesteld dat, ondanks de hogere historische nieuwprijs, het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.



Hoogte van de naheffingsaanslag





4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.



Immateriële schadevergoeding





4.9.
Belanghebbende heeft op 17 augustus 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt € 363,64 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.636,36) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.



5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.



5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 363,64;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.636,36;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.


ECLI:NL:HR:2025:310, ro 3.2.2.


Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.