Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6969

2026-07-29 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/11230
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/11230
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.765 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11230


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] VOF, gevestigd in [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.435.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.






Feiten


3. Belanghebbende heeft op 1 september 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Hyundai Kona 2.0 N SUV met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 8.389 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende een inkoopfactuur van € 32.250 overgelegd.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.824 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.




Motivering



Afschrijvingsmethode




4. Tussen partijen is niet in geschil dat er schade aanwezig is aan de auto en dat de auto niet voorkomt op een Nederlandse koerslijst. Daarom kan de taxatiemethode worden toegepast.




Schade




4.1.
Belanghebbende stelt dat rekening gehouden moet worden met een waardevermindering van 95% van het schadebedrag van € 6.987 en een waardevermindering van 10% van de handelsinkoopwaarde van € 27.342 vanwege het schadeverleden van de auto. De inspecteur is van mening dat rekening gehouden kan worden met een waardevermindering van 72% van de door DRZ geconstateerde schade van € 775.



4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de in aanmerking genomen schade verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een grotere vermindering vanwege schade dan die al door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank acht ook op basis van de overgelegde facturen niet aannemelijk dat sprake is van meer schade dan waar al rekening mee is gehouden. De inspecteur heeft de herleidbaarheid naar de auto dan wel de aan de auto geconstateerde schade betwist en belanghebbende heeft daar verder geen duidelijkheid over gegeven. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat een hoger percentage van de geconstateerde schade in aanmerking dient te worden genomen dan 72%. De leeftijd van de auto (11 maanden), het aantal gereden kilometers (20.000) en de door DRZ geconstateerde schade geven daar geen aanleiding toe. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens een schadeverleden in aanmerking te nemen, aangezien door belanghebbende verder niet is onderbouwd hoe dat tot een waardevermindering voor deze auto moet leiden.



Historische nieuwprijs





4.3.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto € 50.803 bedraagt. Partijen houdt verdeeld of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage.



Afschrijvingspercentage





4.4.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is gehanteerd van € 29.403 en een historische bruto bpm van € 23.133 de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.501. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.



4.5.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur brengt de hogere historische nieuwprijs mee dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot. De hogere CO2-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto. De referentieauto heeft een CO2-uitstoot van 160 gr/km en is een familieauto met tweewielaandrijving, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 194 gr/km heeft en de (snelle) N versie met vierwielaandrijving is, aldus de inspecteur.



4.6.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belanghebbende verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. Het verschil in CO2-uitstoot van 34 gr/km is zodanig groot, dat dit een aanwijzing betreft dat sprake is van een andere uitvoering of een speciale versie die de auto onderscheidend maakt van de referentieauto en het voor de consument verschillende uitvoeringen zijn met uiteenlopende waarden. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is dan wel dat dit tot een ander afschrijvingspercentage leidt en daarin is hij niet geslaagd. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.



Hoogte van de naheffingsaanslag





4.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.




Vergoeding van immateriële schade





4.8.
Belanghebbende heeft op 28 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 571,43 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.428,57) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.000.



5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.



5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 571,43;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.428,57;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.




De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.






Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147.


Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, r.o. 4.21, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.


Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.