Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6968
2026-07-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/10598
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM; geen inkoopfactuur bij aangifte, daarom geen taxatiemethode.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2025:1472 Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:HR:2025:3376
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.390 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10598
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.618.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 4 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Nissan Qashqai 1.3 DIG-T Tekna met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 1.356 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een CO2-uitstoot op basis van NEDC van 131 gr/km opgegeven en een bruto bpm van € 6.658
3.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat opgenomen van € 8.381.
3.3.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.4.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt een CO2-uitstoot op basis van NEDC van 196 gr/km. Verder is vermeld dat de opgegeven schade niet is aangetroffen of onder gebruiksschade valt.
3.5.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.974 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Vooraf
4. Het standpunt van belanghebbende dat sprake is van schending van het mandaatverbod is ter zitting ingetrokken.
CO2-uitstoot
4.1.
Vaststaat dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 196 gr/km. Achteraf is gebleken dat de RDW de CO2-uitstoot heeft aangepast naar 131 gr/km NEDC en 160 gr/km WLTP. Voor de beoordeling van de verschuldigde belasting dient hier dan ook vanuit te worden gegaan.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Wel is daarvoor vereist dat het taxatierapport voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het toevoegen van een kopie van de inkoopfactuur is een van de geldende voorwaarden. De rechtbank acht deze voorwaarde bindend. Belanghebbende heeft bij de aangifte verzuimd een kopie van inkoopfactuur bij het taxatierapport te voegen. Toepassing van de taxatiemethode kan dan niet aan de orde zijn.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval doet belanghebbende een beroep op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil een historische nieuwprijs van € 41.125 met een historische Bruto BPM van € 6.658. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage voor de toepassing van de koerslijstmethode.
Afschrijvingspercentage
4.5.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de door de inspecteur op basis van de koerslijst X-Ray vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 20.687 de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.
4.6.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage van in dit geval 49,70% dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur is de vraag of de handelsinkoopwaarde moet worden aangepast als de historische nieuwprijs wordt aangepast, in dat geval niet relevant. Verder heeft de inspecteur nog gesteld dat de importauto de Tekna-uitvoering, de sportieve en luxe uitvoering van Nissan is, terwijl de referentieauto de standaarduitvoering is.
4.7.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belanghebbende verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen en daarin is hij niet geslaagd met zijn bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de andere uitvoering van de importauto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de aangepaste historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage dat is gehanteerd bij de naheffingsaanslag daardoor niet wijzigt.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.8.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 41.125 met een historische bruto BPM van € 6.658. Het werkelijke afschrijvingspercentage is 49,70%. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 3.349. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 1.356 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 1.993.
Vergoeding van immateriële schade
4.9.
Belanghebbende heeft op 31 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 2 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 476,19 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.523,81) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase te matigen. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in de aangifte de juiste CO2-uitstoot van 131 gr/km NEDC heeft aangegeven. De inspecteur heeft deze CO2-uitstoot bij het opleggen van de naheffingsaanslag, naar later blijkt ten onrechte, verhoogd en de naheffingsaanslag daarop berekend. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de in beroep gemaakte kosten. De omstandigheid dat de inspecteur is uitgegaan van de door de RDW aangeleverde gegevens doet daar niet aan af. De rechtbank ziet namelijk geen feitelijke onderbouwing van de stelling van de inspecteur dat niet alle stukken bij de RDW zijn aangeleverd door belanghebbende.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.022;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 476,19;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.523,81;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.
Artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in samenhang met Bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:3376, r.o. 4.21.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10598
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.618.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 4 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Nissan Qashqai 1.3 DIG-T Tekna met [VIN-nummer] , en een bedrag van € 1.356 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een CO2-uitstoot op basis van NEDC van 131 gr/km opgegeven en een bruto bpm van € 6.658
3.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat opgenomen van € 8.381.
3.3.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.4.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt een CO2-uitstoot op basis van NEDC van 196 gr/km. Verder is vermeld dat de opgegeven schade niet is aangetroffen of onder gebruiksschade valt.
3.5.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.974 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Vooraf
4. Het standpunt van belanghebbende dat sprake is van schending van het mandaatverbod is ter zitting ingetrokken.
CO2-uitstoot
4.1.
Vaststaat dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 196 gr/km. Achteraf is gebleken dat de RDW de CO2-uitstoot heeft aangepast naar 131 gr/km NEDC en 160 gr/km WLTP. Voor de beoordeling van de verschuldigde belasting dient hier dan ook vanuit te worden gegaan.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Wel is daarvoor vereist dat het taxatierapport voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het toevoegen van een kopie van de inkoopfactuur is een van de geldende voorwaarden. De rechtbank acht deze voorwaarde bindend. Belanghebbende heeft bij de aangifte verzuimd een kopie van inkoopfactuur bij het taxatierapport te voegen. Toepassing van de taxatiemethode kan dan niet aan de orde zijn.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval doet belanghebbende een beroep op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil een historische nieuwprijs van € 41.125 met een historische Bruto BPM van € 6.658. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hogere historische nieuwprijs leidt tot een hoger afschrijvingspercentage voor de toepassing van de koerslijstmethode.
Afschrijvingspercentage
4.5.
Belanghebbende stelt dat uitgaande van de door de inspecteur op basis van de koerslijst X-Ray vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 20.687 de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg hebben.
4.6.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage van in dit geval 49,70% dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur is de vraag of de handelsinkoopwaarde moet worden aangepast als de historische nieuwprijs wordt aangepast, in dat geval niet relevant. Verder heeft de inspecteur nog gesteld dat de importauto de Tekna-uitvoering, de sportieve en luxe uitvoering van Nissan is, terwijl de referentieauto de standaarduitvoering is.
4.7.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur gemotiveerd de door de belanghebbende verdedigde vermindering (afschrijving) heeft betwist. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen en daarin is hij niet geslaagd met zijn bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de andere uitvoering van de importauto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de aangepaste historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage dat is gehanteerd bij de naheffingsaanslag daardoor niet wijzigt.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.8.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 41.125 met een historische bruto BPM van € 6.658. Het werkelijke afschrijvingspercentage is 49,70%. De verschuldigde Bpm bedraagt dan € 3.349. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 1.356 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 1.993.
Vergoeding van immateriële schade
4.9.
Belanghebbende heeft op 31 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 2 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 21 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 476,19 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.523,81) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
5.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase te matigen. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in de aangifte de juiste CO2-uitstoot van 131 gr/km NEDC heeft aangegeven. De inspecteur heeft deze CO2-uitstoot bij het opleggen van de naheffingsaanslag, naar later blijkt ten onrechte, verhoogd en de naheffingsaanslag daarop berekend. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de in beroep gemaakte kosten. De omstandigheid dat de inspecteur is uitgegaan van de door de RDW aangeleverde gegevens doet daar niet aan af. De rechtbank ziet namelijk geen feitelijke onderbouwing van de stelling van de inspecteur dat niet alle stukken bij de RDW zijn aangeleverd door belanghebbende.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.022;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 476,19;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.523,81;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.
Artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in samenhang met Bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:3376, r.o. 4.21.