Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6956
2026-07-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/8556 t/m 24/8577, 24/8579 t/m 24/8594, 24/8596 t/m 24/8600, 24/8602 t/m 24/8618, 24/8620 t/m 8626
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ, 67 objecten gelegen in Winkelcentrum [plaats], huurwaardekapitalisatiemethode, beroepen gegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5229 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-07-2024
- ECLI:NL:HR:2010:BK9136 Hoge Raad 15-01-2010
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:670 Hoge Raad 25-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.059 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8556 t/m 24/8577, 24/8579 t/m 24/8594, 24/8596 t/m 24/8600, 24/8602 t/m 24/8618, 24/8620 t/m 24/8626.
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende
(gemachtigden: [gemachtigde 1] , verbonden aan [BV] en mr. drs. J.C. Scherff, verbonden aan Ostraka Belastingadviseurs BV),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaken (de objecten) op 1 januari 2022 vastgesteld. Met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (eigenaar niet-woning) van de gemeente [plaats 2] voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslagen). Voor zover hier van belang worden de objecten, de vastgestelde waarden en de opgelegde aanslagen vermeld in een aan deze uitspraak gehechte bijlage.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard. Voor zover hier van belang worden de in de uitspraken op bezwaar vastgestelde waarden vermeld in de in 1.1 bedoelde bijlage. De heffingsambtenaar heeft een kostenvergoeding voor de bezwaren toegekend van in totaal € 1.872 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek, maal 1,5 vanwege samenhangende zaken, maal € 624 per punt).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [gemachtigde 2] , tot bijstand vergezeld van [deskundige 1] (taxateur), [deskundige 2] (taxateur) en [persoon] (toehoorder).
Feiten
2. De objecten zijn alle gelegen in Winkelcentrum [plaats 2] . Belanghebbende heeft het winkelcomplex op 30 maart 2021 voor een bedrag van € 17.500.000 gekocht. Het winkelcomplex is onderdeel van een winkelgebied in [plaats 2] . Het winkelcomplex bestaat uit 3 kantoorunits en de overige objecten zijn winkelpanden, waarbij in sommige gevallen sprake is van twee bouwlagen, waarbij de bovenste laag dan steeds bestaat uit opslag- en/of kantoorruimte.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een verzamelbiljet toegezonden met daarop 71 waarde-beschikkingen. In de bezwaarfase zijn reeds 3 waarde-beschikkingen (en de bijbehorende aanslagen) vernietigd.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 1 december 2025 door [deskundige 2] betreffende alle objecten. Belanghebbende heeft in beroep schematisch een herleidingsberekening overgelegd, opgemaakt door [gemachtigde 1] (voornoemd), waarbij de koopsom is getransponeerd naar de gestelde WOZ-waarde.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de waarden van de in de bijlage genoemde objecten en de daarbij horende aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de vastgestelde waarden van de objecten en de aanslagen verlagen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Motivering
Vooraf
4. Ter zitting zijn drie zaken ingetrokken (BRE 24/8578, BRE 24/8595 en BRE 24/8619), omdat deze waardebeschikkingen in bezwaar reeds zijn vernietigd en partijen het over eens zijn dat er geen procesbelang meer is. Het betreft de objecten:
- [object 1] ;
- [object 2] ;
- [object 3] .
4.1.
Voor één object (BRE 24/8601) is in beroep geconcludeerd dat deze aanslag moet worden vernietigd. De rechtbank zal dienovereenkomstig oordelen. Het betreft het object:
- [object 4] .
4.2.
Het voorgaande leidt ertoe dat thans nog van 67 objecten de waarde-beschikkingen in geschil zijn (71 minus 4). Dat zijn de objecten die zijn genoemd in de bijlage.
4.3.
Verder heeft de heffingsambtenaar zich in de beroepsfase op het standpunt gesteld dat de WOZ-waarde van het object aan [adres] (BRE 24/8603) bij nader inzien niet hoger kan zijn dan € 1.109.505. In beroep verdedigt de heffingsambtenaar vervolgens een waarde van € 1.109.000. De rechtbank zal in haar beoordeling daarom toetsen of de door de heffingsambtenaar nader bepleite waarde van € 1.109.000 stand kan houden. Het beroep van belanghebbende is in zoverre reeds gegrond.
Zijn de waarden van de objecten en de aanslagen te hoog vastgesteld?
Toetsingskader van de rechtbank
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de objecten bepaald op de waarde die aan de objecten dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de objecten in de staat waarin die zich bevinden, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
5.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van de winkel te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor.
5.2.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarden van de objecten niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarden komen.
Dient de waardering te worden gedaan op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode of transponeren vanuit de eigen aankoopprijs?
6. Belanghebbende stelt dat het eigen aankoopcijfer (na correcties) het best bruikbare marktgegeven is. Volgens belanghebbende geeft het eigen aankoopcijfer beter de marktsituatie op de waardepeildatum weer dan de huurwaardekapitalisatiemethode.
6.1.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende de stelling van de heffingsambtenaar, inhoudende dat het winkelcomplex is aangekocht als beleggingsportefeuille, onvoldoende heeft weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die omstandigheid dat ervan uit moet worden gegaan dat belanghebbende, als feitelijke koper, andere afwegingen heeft gemaakt bij de aankoop van het totale complex, dan de denkbeeldiger koper zou doen waar de wetgever bij het vormgeven van artikel 17 Wet WOZ vanuit is gegaan. Immers, in het licht van de systematiek van de Wet WOZ moet worden aangesloten bij de kleinst mogelijke eenheid, uitgaande van de individuele gebruiker (splitsen), om vervolgens eenheden die dezelfde eigenaar en gebruiker hebben, bij elkaar te nemen (samenvoegen). Vast staat dat alle panden afzonderlijke adressen hebben en afzonderlijk verhuurd worden. Voor dat geval moet de waarde worden bepaald alsof deze eenheden afzonderlijk verkocht zouden worden, abstraherend van de omstandigheid dat voor de huidige eigenaar de eenheden tezamen één beleggingsportefeuille vormen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de eigen aankoop de koopprijs tot stand gekomen is op een gelijke wijze als bij afzonderlijke aankoop van de eenheden. Belanghebbende heeft ook geen berekening ingebracht hoe uit de aankoopprijs de prijs per object zou kunnen worden gedestilleerd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het eigen aankoopcijfer niet voor de waardering kan dienen. De heffingsambtenaar heeft terecht vastgehouden aan de uitgangspunten die zijn geformuleerd in de Wet WOZ.
De waardering door de heffingsambtenaar
7. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarden van de objecten wordt bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Gezien de gelijkenis tussen de objecten heeft de heffingsambtenaar ervoor gekozen om slechts één taxatierapport in te dienen. De heffingsambtenaar heeft onderscheid gemaakt tussen de kantoorunits en de winkels.
7.1.
Voor de kantoorunits ( [kantoorunit 1] , [kantoorunit 2] en [kantoorunit 3] ) is een kapitalisatiefactor van 9,5 gehanteerd. De heffingsambtenaar is op de eerste verdieping uitgegaan van een huurprijs van € 85 per m². Voor de opslagruimten op de eerste verdieping is de huurprijs vastgesteld op € 41 per m².
7.2.
Voor de winkelunits is een kapitalisatiefactor van 11 gehanteerd. In het taxatierapport is de kapitalisatiefactor middels zowel de ‘top down’- als de ‘bottom up’-berekening onderbouwd. Voor de ‘top down’-berekening is uitgegaan van de verkoopprijs van het object [object 5] , dat op 16 juni 2023 is verkocht voor € 690.000. De ‘bottom up’-berekening is op basis van de huurreferenties [referentie-object 1] , [referentie-object 2] , [referentie-object 3] , [referentie-object 4] en [referentie-object 5] . Tot slot heeft de heffingsambtenaar het Winkelcomplex vergeleken met de winkelcentra [winkelcentrum 1] te [plaats 3] , [winkelcentrum 2] te [plaats 4] , [winkelcentrum 3] te [plaats 5] , [winkelcentrum 4] te [plaats 6] , [winkelcentrum 5] te [plaats 7] en [winkelcentrum 6] te [plaats 2] .
7.3.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er niet meer markttransacties van vergelijkbare objecten beschikbaar zijn. De transacties die de heffingsambtenaar heeft gebruikt, zijn volgens de heffingsambtenaar de best bruikbare referenties maar in feite ook de enige transacties rondom de waardepeildatum. Belanghebbende heeft de keuze voor de referenties niet betwist.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de datum van de huurtransactie van referentieobject [referentie-object 5] te ver van waardepeildatum gelegen. Ten aanzien van de huurreferenties [object 5] en [referentie-object 2] heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt hoe de m²-prijs tot stand is gekomen, aangezien sprake is van een onderscheid tussen winkelvloer en opslagvloer waarvoor geen verklaring door de heffingsambtenaar is gegeven. Voor de overige huurreferenties, [referentie-object 3] en [referentie-object 4] , zijn geen huurovereenkomsten overgelegd. De huurovereenkomsten die wel zijn overgelegd hebben betrekking op objecten die niet zijn gebruikt bij de waardering, zoals [object 6] .
7.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de waarden, zoals deze luidt na de uitspraken op bezwaar, niet te hoog is. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt welke huurprijs per m² vloeroppervlakte gehanteerd moet worden en daarom ontvalt de overtuigingskracht van het ingediende taxatierapport. De verwijzing naar andere winkelcomplexen kan de heffingsambtenaar eveneens niet baten, om dezelfde reden als genoemd in overweging 6.1.
De waardering door belanghebbende
8. Naar het oordeel van de rechtbank, gelet op wat is overwogen in 6.1, heeft belanghebbende evenmin de door haar verdedigde waarden aannemelijk gemaakt.
De vaststelling van de waarden door de rechtbank
9. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevraagde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarden van de winkels op de waardepeildatum schattenderwijs (in goede justitie) op de in de bijlage bij deze uitspraak genoemde bedragen. Deze vaststelling behoeft geen motivering.
9.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarden van de objecten en de aanslagen te hoog vastgesteld. De beroepen zullen gegrond worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn gegrond omdat de waarden van de objecten en de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.
10.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De heffingsambtenaar heeft een kostenvergoeding van € 1.872 voor de bezwaarfase toegekend (zie 1.2), welke – uitgaande van de destijds geldende tarieven – niet te laag is vastgesteld. De berekening daarvan is in beroep niet betwist. Belanghebbende krijgt daarom alleen nog een vergoeding van haar proceskosten voor de beroepsfase.
10.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van samenhang tussen alle zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de heffingsambtenaar en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde(n) van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft voor de beroepsfase recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. Vanwege het aantal samenhangende zaken past de rechtbank een factor van 1,5 toe. De dagtekening van uitspraak op bezwaar is 20 november 2024. Belanghebbende heeft niet gesteld dat ten aanzien van de werkzaamheden van haar gemachtigde(n) sprake is van een bijzonder geval, waarvoor toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet blijven. De forfaitaire proceskostenvergoeding wordt daarom op grond van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ met een factor van 0,25 vermenigvuldigd. De vergoeding bedraagt in totaal € 700,50.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vernietigt de beschikking met betrekking tot het object [object 4] (zaaknummer BRE 24/8601) en de daarmee samenhangende aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning;
vermindert de bij beschikking vastgestelde waarden van de overige 67 objecten conform de aan deze uitspraak gehechte bijlage en vermindert de voor de objecten opgelegde aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Bijlage
Zaaknr. rechtbank
Object
Vastgestelde waarde
Aanslag
Waarde na UOB
Waarde na beroep
1
24/8556
[referentie-object 2]
€ 228.000
€ 432,29
€ 228.000
€ 224.000
2
24/8557
[object 7]
€ 561.000
€ 1.063,66
€ 561.000
€ 505.000
3
24/8558
[referentie-object 3]
€ 395.000
€ 748,92
€ 395.000
€ 355.000
4
24/8559
[object 8]
€ 478.000
€ 906,29
€ 478.000
€ 430.000
5
24/8560
[referentie-object 5]
€ 972.000
€ 1.842,91
€ 796.000
€ 740.000
6
24/8561
[object 9]
€ 262.000
€ 496,75
€ 262.000
€ 256.000
7
24/8562
[object 10]
€ 653.000
€ 1.238,09
€ 359.000
€ 323.000
8
24/8563
[object 11]
€ 136.000
€ 257,86
€ 136.000
€ 130.000
9
24/8564
[object 12]
€ 830.000
€ 1.573,68
€ 477.000
€ 429.000
10
24/8565
[object 13]
€ 365.000
€ 692,04
€ 365.000
€ 358.000
11
24/8566
[object 14]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 372.000
12
24/8567
[object 15]
€ 356.000
€ 674,98
€ 356.000
€ 350.000
13
24/8568
[object 16]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 376.000
14
24/8569
[object 17]
€ 681.000
€ 1.291,18
€ 681.000
€ 612.000
15
24/8570
[object 18]
€ 543.000
€ 1.029,53
€ 543.000
€ 513.000
16
24/8571
[object 6]
€ 473.000
€ 896,81
€ 473.000
€ 455.000
17
24/8572
[object 19]
€ 480.000
€ 910,08
€ 480.000
€ 432.000
18
24/8573
[object 20]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 345.000
19
24/8574
[object 21]
€ 230.000
€ 436,08
€ 230.000
€ 212.000
20
24/8575
[object 22]
€ 127.000
€ 240,79
€ 127.000
€ 117.000
21
24/8576
[object 23]
€ 147.000
€ 278,71
€ 147.000
€ 140.000
22
24/8577
[object 24]
€ 1.049.000
€ 1.988,90
€ 670.000
€ 610.000
23
24/8579
[object 25]
€ 337.000
€ 638,95
€ 234.000
€ 215.000
24
24/8580
[object 26]
€ 158.000
€ 299,57
€ 158.000
€ 148.000
25
24/8581
[kantoorunit 1]
€ 73.000
€ 138,41
€ 54.000
€ 50.000
26
24/8582
[object 27]
€ 402.000
€ 762,19
€ 311.000
€ 285.000
27
24/8583
[object 28]
€ 280.000
€ 530,88
€ 280.000
€ 262.000
28
24/8584
[object 29]
€ 241.000
€ 456,94
€ 241.000
€ 220.000
29
24/8585
[object 30]
€ 448.000
€ 849,41
€ 448.000
€ 430.000
30
24/8586
[object 31]
€ 286.000
€ 542,26
€ 286.000
€ 278.000
31
24/8587
[object 32]
€ 316.000
€ 599,14
€ 316.000
€ 305.000
32
24/8588
[object 33]
€ 453.000
€ 858,89
€ 453.000
€ 435.000
33
24/8589
[object 34]
€ 283.000
€ 536,57
€ 283.000
€ 275.000
34
24/8590
[object 35]
€ 218.000
€ 413,33
€ 218.000
€ 208.000
35
24/8591
[object 36]
€ 174.000
€ 329,90
€ 174.000
€ 162.000
36
24/8592
[object 37]
€ 183.000
€ 346,97
€ 183.000
€ 165.000
37
24/8593
[object 38]
€ 198.000
€ 375,41
€ 198.000
€ 185.000
38
24/8594
[object 39]
€ 96.000
€ 182,02
€ 96.000
€ 86.000
39
24/8596
[object 40]
€ 676.000
€ 1.281,70
€ 540.000
€ 510.000
40
24/8597
[object 41]
€ 96.000
€ 182,02
€ 96.000
€ 88.000
41
24/8598
[object 42]
€ 890.000
€ 1.687,44
€ 744.000
€ 685.000
42
24/8599
[object 43]
€ 342.000
€ 648,43
€ 342.000
€ 315.000
43
24/8600
[object 44]
€ 183.000
€ 346,97
€ 183.000
€ 168.000
44
24/8602
[kantoorunit 2]
€ 138.000
€ 261,65
€ 118.000
€ 110.000
45
24/8603
[kantoorunit 3]
€ 1.259.000
€ 2.387,06
€ 1.216.000
€ 1.050.000
46
24/8604
[object 45]
€ 123.000
€ 233,21
€ 123.000
€ 110.000
47
24/8605
[object 46]
€ 477.000
€ 904,39
€ 477.000
€ 430.000
48
24/8606
[object 47]
€ 295.000
€ 559,32
€ 233.000
€ 227.000
49
24/8607
[object 48]
€ 448.000
€ 849,41
€ 448.000
€ 405.000
50
24/8608
[object 49]
€ 334.000
€ 633,26
€ 334.000
€ 302.000
51
24/8609
[object 50]
€ 422.000
€ 800,11
€ 422.000
€ 392.000
52
24/8610
[object 51]
€ 1.271.000
€ 2.409,82
€ 916.000
€ 902.000
53
24/8611
[object 52]
€ 365.000
€ 692,04
€ 365.000
€ 342.000
54
24/8612
[object 53]
€ 814.000
€ 1.543,34
€ 814.000
€ 732.000
55
24/8613
[object 54]
€ 422.000
€ 800,11
€ 371.000
€ 356.000
56
24/8614
[object 55]
€ 342.000
€ 648,43
€ 342.000
€ 332.000
57
24/8615
[object 56]
€ 116.000
€ 219,94
€ 116.000
€ 110.000
58
24/8616
[object 57]
€ 305.000
€ 578,28
€ 305.000
€ 297.000
59
24/8617
[object 58]
€ 957.000
€ 1.814,47
€ 576.000
€ 550.000
60
24/8618
[object 59]
€ 212.000
€ 401,95
€ 212.000
€ 201.000
61
24/8620
[object 60]
€ 218.000
€ 413,33
€ 218.000
€ 212.000
62
24/8621
[object 61]
€ 694.000
€ 1.315,82
€ 694.000
€ 620.000
63
24/8622
[object 62]
€ 533.000
€ 1.010,57
€ 424.000
€ 408.000
64
24/8623
[object 63]
€ 463.000
€ 877,85
€ 392.000
€ 384.000
65
24/8624
[object 64]
€ 156.000
€ 295,78
€ 156.000
€ 149.000
66
24/8625
[object 65]
€ 441.000
€ 836,14
€ 198.000
€ 188.000
67
24/8626
[object 66]
€ 99.000
€ 187,70
€ 99.000
€ 95.000
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
Vergelijk ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5229.
Hoge Raad, 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
Voor object [referentie-object 2] waren ten onrechte 2 zaaknummers aangemaakt (BRE 24/8556 en BRE 24/8626), terwijl voor object [object 66] een zaaknummer ontbrak (dat was per abuis samengevoegd met [object 49] , zaaknummer BRE 8608). Ter zitting is met partijen afgestemd om de registratie verbeterd te lezen, met dien verstande dat zaaknummer BRE 24/8626 geacht wordt betrekking te hebben op het object [object 66] .
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8556 t/m 24/8577, 24/8579 t/m 24/8594, 24/8596 t/m 24/8600, 24/8602 t/m 24/8618, 24/8620 t/m 24/8626.
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 juli 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende
(gemachtigden: [gemachtigde 1] , verbonden aan [BV] en mr. drs. J.C. Scherff, verbonden aan Ostraka Belastingadviseurs BV),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaken (de objecten) op 1 januari 2022 vastgesteld. Met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (eigenaar niet-woning) van de gemeente [plaats 2] voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslagen). Voor zover hier van belang worden de objecten, de vastgestelde waarden en de opgelegde aanslagen vermeld in een aan deze uitspraak gehechte bijlage.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard. Voor zover hier van belang worden de in de uitspraken op bezwaar vastgestelde waarden vermeld in de in 1.1 bedoelde bijlage. De heffingsambtenaar heeft een kostenvergoeding voor de bezwaren toegekend van in totaal € 1.872 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek, maal 1,5 vanwege samenhangende zaken, maal € 624 per punt).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [gemachtigde 2] , tot bijstand vergezeld van [deskundige 1] (taxateur), [deskundige 2] (taxateur) en [persoon] (toehoorder).
Feiten
2. De objecten zijn alle gelegen in Winkelcentrum [plaats 2] . Belanghebbende heeft het winkelcomplex op 30 maart 2021 voor een bedrag van € 17.500.000 gekocht. Het winkelcomplex is onderdeel van een winkelgebied in [plaats 2] . Het winkelcomplex bestaat uit 3 kantoorunits en de overige objecten zijn winkelpanden, waarbij in sommige gevallen sprake is van twee bouwlagen, waarbij de bovenste laag dan steeds bestaat uit opslag- en/of kantoorruimte.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een verzamelbiljet toegezonden met daarop 71 waarde-beschikkingen. In de bezwaarfase zijn reeds 3 waarde-beschikkingen (en de bijbehorende aanslagen) vernietigd.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 1 december 2025 door [deskundige 2] betreffende alle objecten. Belanghebbende heeft in beroep schematisch een herleidingsberekening overgelegd, opgemaakt door [gemachtigde 1] (voornoemd), waarbij de koopsom is getransponeerd naar de gestelde WOZ-waarde.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de waarden van de in de bijlage genoemde objecten en de daarbij horende aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de vastgestelde waarden van de objecten en de aanslagen verlagen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Motivering
Vooraf
4. Ter zitting zijn drie zaken ingetrokken (BRE 24/8578, BRE 24/8595 en BRE 24/8619), omdat deze waardebeschikkingen in bezwaar reeds zijn vernietigd en partijen het over eens zijn dat er geen procesbelang meer is. Het betreft de objecten:
- [object 1] ;
- [object 2] ;
- [object 3] .
4.1.
Voor één object (BRE 24/8601) is in beroep geconcludeerd dat deze aanslag moet worden vernietigd. De rechtbank zal dienovereenkomstig oordelen. Het betreft het object:
- [object 4] .
4.2.
Het voorgaande leidt ertoe dat thans nog van 67 objecten de waarde-beschikkingen in geschil zijn (71 minus 4). Dat zijn de objecten die zijn genoemd in de bijlage.
4.3.
Verder heeft de heffingsambtenaar zich in de beroepsfase op het standpunt gesteld dat de WOZ-waarde van het object aan [adres] (BRE 24/8603) bij nader inzien niet hoger kan zijn dan € 1.109.505. In beroep verdedigt de heffingsambtenaar vervolgens een waarde van € 1.109.000. De rechtbank zal in haar beoordeling daarom toetsen of de door de heffingsambtenaar nader bepleite waarde van € 1.109.000 stand kan houden. Het beroep van belanghebbende is in zoverre reeds gegrond.
Zijn de waarden van de objecten en de aanslagen te hoog vastgesteld?
Toetsingskader van de rechtbank
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de objecten bepaald op de waarde die aan de objecten dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de objecten in de staat waarin die zich bevinden, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
5.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van de winkel te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor.
5.2.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarden van de objecten niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarden komen.
Dient de waardering te worden gedaan op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode of transponeren vanuit de eigen aankoopprijs?
6. Belanghebbende stelt dat het eigen aankoopcijfer (na correcties) het best bruikbare marktgegeven is. Volgens belanghebbende geeft het eigen aankoopcijfer beter de marktsituatie op de waardepeildatum weer dan de huurwaardekapitalisatiemethode.
6.1.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende de stelling van de heffingsambtenaar, inhoudende dat het winkelcomplex is aangekocht als beleggingsportefeuille, onvoldoende heeft weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die omstandigheid dat ervan uit moet worden gegaan dat belanghebbende, als feitelijke koper, andere afwegingen heeft gemaakt bij de aankoop van het totale complex, dan de denkbeeldiger koper zou doen waar de wetgever bij het vormgeven van artikel 17 Wet WOZ vanuit is gegaan. Immers, in het licht van de systematiek van de Wet WOZ moet worden aangesloten bij de kleinst mogelijke eenheid, uitgaande van de individuele gebruiker (splitsen), om vervolgens eenheden die dezelfde eigenaar en gebruiker hebben, bij elkaar te nemen (samenvoegen). Vast staat dat alle panden afzonderlijke adressen hebben en afzonderlijk verhuurd worden. Voor dat geval moet de waarde worden bepaald alsof deze eenheden afzonderlijk verkocht zouden worden, abstraherend van de omstandigheid dat voor de huidige eigenaar de eenheden tezamen één beleggingsportefeuille vormen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de eigen aankoop de koopprijs tot stand gekomen is op een gelijke wijze als bij afzonderlijke aankoop van de eenheden. Belanghebbende heeft ook geen berekening ingebracht hoe uit de aankoopprijs de prijs per object zou kunnen worden gedestilleerd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het eigen aankoopcijfer niet voor de waardering kan dienen. De heffingsambtenaar heeft terecht vastgehouden aan de uitgangspunten die zijn geformuleerd in de Wet WOZ.
De waardering door de heffingsambtenaar
7. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarden van de objecten wordt bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Gezien de gelijkenis tussen de objecten heeft de heffingsambtenaar ervoor gekozen om slechts één taxatierapport in te dienen. De heffingsambtenaar heeft onderscheid gemaakt tussen de kantoorunits en de winkels.
7.1.
Voor de kantoorunits ( [kantoorunit 1] , [kantoorunit 2] en [kantoorunit 3] ) is een kapitalisatiefactor van 9,5 gehanteerd. De heffingsambtenaar is op de eerste verdieping uitgegaan van een huurprijs van € 85 per m². Voor de opslagruimten op de eerste verdieping is de huurprijs vastgesteld op € 41 per m².
7.2.
Voor de winkelunits is een kapitalisatiefactor van 11 gehanteerd. In het taxatierapport is de kapitalisatiefactor middels zowel de ‘top down’- als de ‘bottom up’-berekening onderbouwd. Voor de ‘top down’-berekening is uitgegaan van de verkoopprijs van het object [object 5] , dat op 16 juni 2023 is verkocht voor € 690.000. De ‘bottom up’-berekening is op basis van de huurreferenties [referentie-object 1] , [referentie-object 2] , [referentie-object 3] , [referentie-object 4] en [referentie-object 5] . Tot slot heeft de heffingsambtenaar het Winkelcomplex vergeleken met de winkelcentra [winkelcentrum 1] te [plaats 3] , [winkelcentrum 2] te [plaats 4] , [winkelcentrum 3] te [plaats 5] , [winkelcentrum 4] te [plaats 6] , [winkelcentrum 5] te [plaats 7] en [winkelcentrum 6] te [plaats 2] .
7.3.
Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er niet meer markttransacties van vergelijkbare objecten beschikbaar zijn. De transacties die de heffingsambtenaar heeft gebruikt, zijn volgens de heffingsambtenaar de best bruikbare referenties maar in feite ook de enige transacties rondom de waardepeildatum. Belanghebbende heeft de keuze voor de referenties niet betwist.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de datum van de huurtransactie van referentieobject [referentie-object 5] te ver van waardepeildatum gelegen. Ten aanzien van de huurreferenties [object 5] en [referentie-object 2] heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt hoe de m²-prijs tot stand is gekomen, aangezien sprake is van een onderscheid tussen winkelvloer en opslagvloer waarvoor geen verklaring door de heffingsambtenaar is gegeven. Voor de overige huurreferenties, [referentie-object 3] en [referentie-object 4] , zijn geen huurovereenkomsten overgelegd. De huurovereenkomsten die wel zijn overgelegd hebben betrekking op objecten die niet zijn gebruikt bij de waardering, zoals [object 6] .
7.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de waarden, zoals deze luidt na de uitspraken op bezwaar, niet te hoog is. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt welke huurprijs per m² vloeroppervlakte gehanteerd moet worden en daarom ontvalt de overtuigingskracht van het ingediende taxatierapport. De verwijzing naar andere winkelcomplexen kan de heffingsambtenaar eveneens niet baten, om dezelfde reden als genoemd in overweging 6.1.
De waardering door belanghebbende
8. Naar het oordeel van de rechtbank, gelet op wat is overwogen in 6.1, heeft belanghebbende evenmin de door haar verdedigde waarden aannemelijk gemaakt.
De vaststelling van de waarden door de rechtbank
9. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevraagde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarden van de winkels op de waardepeildatum schattenderwijs (in goede justitie) op de in de bijlage bij deze uitspraak genoemde bedragen. Deze vaststelling behoeft geen motivering.
9.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarden van de objecten en de aanslagen te hoog vastgesteld. De beroepen zullen gegrond worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn gegrond omdat de waarden van de objecten en de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.
10.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De heffingsambtenaar heeft een kostenvergoeding van € 1.872 voor de bezwaarfase toegekend (zie 1.2), welke – uitgaande van de destijds geldende tarieven – niet te laag is vastgesteld. De berekening daarvan is in beroep niet betwist. Belanghebbende krijgt daarom alleen nog een vergoeding van haar proceskosten voor de beroepsfase.
10.2.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van samenhang tussen alle zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de heffingsambtenaar en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde(n) van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft voor de beroepsfase recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. Vanwege het aantal samenhangende zaken past de rechtbank een factor van 1,5 toe. De dagtekening van uitspraak op bezwaar is 20 november 2024. Belanghebbende heeft niet gesteld dat ten aanzien van de werkzaamheden van haar gemachtigde(n) sprake is van een bijzonder geval, waarvoor toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet blijven. De forfaitaire proceskostenvergoeding wordt daarom op grond van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ met een factor van 0,25 vermenigvuldigd. De vergoeding bedraagt in totaal € 700,50.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vernietigt de beschikking met betrekking tot het object [object 4] (zaaknummer BRE 24/8601) en de daarmee samenhangende aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning;
vermindert de bij beschikking vastgestelde waarden van de overige 67 objecten conform de aan deze uitspraak gehechte bijlage en vermindert de voor de objecten opgelegde aanslagen onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Bijlage
Zaaknr. rechtbank
Object
Vastgestelde waarde
Aanslag
Waarde na UOB
Waarde na beroep
1
24/8556
[referentie-object 2]
€ 228.000
€ 432,29
€ 228.000
€ 224.000
2
24/8557
[object 7]
€ 561.000
€ 1.063,66
€ 561.000
€ 505.000
3
24/8558
[referentie-object 3]
€ 395.000
€ 748,92
€ 395.000
€ 355.000
4
24/8559
[object 8]
€ 478.000
€ 906,29
€ 478.000
€ 430.000
5
24/8560
[referentie-object 5]
€ 972.000
€ 1.842,91
€ 796.000
€ 740.000
6
24/8561
[object 9]
€ 262.000
€ 496,75
€ 262.000
€ 256.000
7
24/8562
[object 10]
€ 653.000
€ 1.238,09
€ 359.000
€ 323.000
8
24/8563
[object 11]
€ 136.000
€ 257,86
€ 136.000
€ 130.000
9
24/8564
[object 12]
€ 830.000
€ 1.573,68
€ 477.000
€ 429.000
10
24/8565
[object 13]
€ 365.000
€ 692,04
€ 365.000
€ 358.000
11
24/8566
[object 14]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 372.000
12
24/8567
[object 15]
€ 356.000
€ 674,98
€ 356.000
€ 350.000
13
24/8568
[object 16]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 376.000
14
24/8569
[object 17]
€ 681.000
€ 1.291,18
€ 681.000
€ 612.000
15
24/8570
[object 18]
€ 543.000
€ 1.029,53
€ 543.000
€ 513.000
16
24/8571
[object 6]
€ 473.000
€ 896,81
€ 473.000
€ 455.000
17
24/8572
[object 19]
€ 480.000
€ 910,08
€ 480.000
€ 432.000
18
24/8573
[object 20]
€ 384.000
€ 728,06
€ 384.000
€ 345.000
19
24/8574
[object 21]
€ 230.000
€ 436,08
€ 230.000
€ 212.000
20
24/8575
[object 22]
€ 127.000
€ 240,79
€ 127.000
€ 117.000
21
24/8576
[object 23]
€ 147.000
€ 278,71
€ 147.000
€ 140.000
22
24/8577
[object 24]
€ 1.049.000
€ 1.988,90
€ 670.000
€ 610.000
23
24/8579
[object 25]
€ 337.000
€ 638,95
€ 234.000
€ 215.000
24
24/8580
[object 26]
€ 158.000
€ 299,57
€ 158.000
€ 148.000
25
24/8581
[kantoorunit 1]
€ 73.000
€ 138,41
€ 54.000
€ 50.000
26
24/8582
[object 27]
€ 402.000
€ 762,19
€ 311.000
€ 285.000
27
24/8583
[object 28]
€ 280.000
€ 530,88
€ 280.000
€ 262.000
28
24/8584
[object 29]
€ 241.000
€ 456,94
€ 241.000
€ 220.000
29
24/8585
[object 30]
€ 448.000
€ 849,41
€ 448.000
€ 430.000
30
24/8586
[object 31]
€ 286.000
€ 542,26
€ 286.000
€ 278.000
31
24/8587
[object 32]
€ 316.000
€ 599,14
€ 316.000
€ 305.000
32
24/8588
[object 33]
€ 453.000
€ 858,89
€ 453.000
€ 435.000
33
24/8589
[object 34]
€ 283.000
€ 536,57
€ 283.000
€ 275.000
34
24/8590
[object 35]
€ 218.000
€ 413,33
€ 218.000
€ 208.000
35
24/8591
[object 36]
€ 174.000
€ 329,90
€ 174.000
€ 162.000
36
24/8592
[object 37]
€ 183.000
€ 346,97
€ 183.000
€ 165.000
37
24/8593
[object 38]
€ 198.000
€ 375,41
€ 198.000
€ 185.000
38
24/8594
[object 39]
€ 96.000
€ 182,02
€ 96.000
€ 86.000
39
24/8596
[object 40]
€ 676.000
€ 1.281,70
€ 540.000
€ 510.000
40
24/8597
[object 41]
€ 96.000
€ 182,02
€ 96.000
€ 88.000
41
24/8598
[object 42]
€ 890.000
€ 1.687,44
€ 744.000
€ 685.000
42
24/8599
[object 43]
€ 342.000
€ 648,43
€ 342.000
€ 315.000
43
24/8600
[object 44]
€ 183.000
€ 346,97
€ 183.000
€ 168.000
44
24/8602
[kantoorunit 2]
€ 138.000
€ 261,65
€ 118.000
€ 110.000
45
24/8603
[kantoorunit 3]
€ 1.259.000
€ 2.387,06
€ 1.216.000
€ 1.050.000
46
24/8604
[object 45]
€ 123.000
€ 233,21
€ 123.000
€ 110.000
47
24/8605
[object 46]
€ 477.000
€ 904,39
€ 477.000
€ 430.000
48
24/8606
[object 47]
€ 295.000
€ 559,32
€ 233.000
€ 227.000
49
24/8607
[object 48]
€ 448.000
€ 849,41
€ 448.000
€ 405.000
50
24/8608
[object 49]
€ 334.000
€ 633,26
€ 334.000
€ 302.000
51
24/8609
[object 50]
€ 422.000
€ 800,11
€ 422.000
€ 392.000
52
24/8610
[object 51]
€ 1.271.000
€ 2.409,82
€ 916.000
€ 902.000
53
24/8611
[object 52]
€ 365.000
€ 692,04
€ 365.000
€ 342.000
54
24/8612
[object 53]
€ 814.000
€ 1.543,34
€ 814.000
€ 732.000
55
24/8613
[object 54]
€ 422.000
€ 800,11
€ 371.000
€ 356.000
56
24/8614
[object 55]
€ 342.000
€ 648,43
€ 342.000
€ 332.000
57
24/8615
[object 56]
€ 116.000
€ 219,94
€ 116.000
€ 110.000
58
24/8616
[object 57]
€ 305.000
€ 578,28
€ 305.000
€ 297.000
59
24/8617
[object 58]
€ 957.000
€ 1.814,47
€ 576.000
€ 550.000
60
24/8618
[object 59]
€ 212.000
€ 401,95
€ 212.000
€ 201.000
61
24/8620
[object 60]
€ 218.000
€ 413,33
€ 218.000
€ 212.000
62
24/8621
[object 61]
€ 694.000
€ 1.315,82
€ 694.000
€ 620.000
63
24/8622
[object 62]
€ 533.000
€ 1.010,57
€ 424.000
€ 408.000
64
24/8623
[object 63]
€ 463.000
€ 877,85
€ 392.000
€ 384.000
65
24/8624
[object 64]
€ 156.000
€ 295,78
€ 156.000
€ 149.000
66
24/8625
[object 65]
€ 441.000
€ 836,14
€ 198.000
€ 188.000
67
24/8626
[object 66]
€ 99.000
€ 187,70
€ 99.000
€ 95.000
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
Vergelijk ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5229.
Hoge Raad, 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 en Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
Voor object [referentie-object 2] waren ten onrechte 2 zaaknummers aangemaakt (BRE 24/8556 en BRE 24/8626), terwijl voor object [object 66] een zaaknummer ontbrak (dat was per abuis samengevoegd met [object 49] , zaaknummer BRE 8608). Ter zitting is met partijen afgestemd om de registratie verbeterd te lezen, met dien verstande dat zaaknummer BRE 24/8626 geacht wordt betrekking te hebben op het object [object 66] .