Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6946

2026-07-30 Bestuursrecht; Belastingrecht 23/3297
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/3297
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM, aanmaningskosten

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.125 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/3297


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde], verbonden aan Hefna BV Juridische Dienstverlening),


en




de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 25 mei 2023.



1.1.
De ontvanger heeft met dagtekening 24 november 2022 aan belanghebbende € 18 aanmaningskosten (de aanmaningskosten) in rekening gebracht in verband met een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) met aanslagnummer [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag).



1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en [persoon]. Namens de ontvanger hebben deelgenomen mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].




Feiten


2. Aan belanghebbende is met dagtekening 21 mei 2021 de naheffingsaanslag ter hoogte van € 6.242 (inclusief belastingrente) opgelegd.



2.1.

Belanghebbende heeft op 17 juni 2021 bezwaar ingediend tegen
de naheffingsaanslag. Tijdens de behandeling van het bezwaar is uitstel van betaling door de ontvanger verleend voor de betaling van de naheffingsaanslag.




2.2.
Met dagtekening 4 oktober 2022 is door de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan ten aanzien van de naheffingsaanslag. Daarin is vermeld dat het uitstel van betaling is komen te vervallen.



2.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2022. Voor de beroepsfase heeft belanghebbende niet verzocht om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag.



2.4.
Belanghebbende heeft, nadat de ontvanger hem een betalingsherinnering heeft gestuurd, op 24 november 2022 een aanmaning ontvangen voor het openstaande bedrag van de naheffingsaanslag.



2.5.
Belanghebbende heeft op 2 december 2022 bezwaar ingediend tegen de aanmaningskosten en de ontvanger alsnog verzocht om uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag te verlenen.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht aanmaningskosten in rekening heeft gebracht. De rechtbank beoordeelt verder of terecht griffierecht is geheven en of terecht geen kostenvergoeding in de bezwaarfase is toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. De grond dat de hoorplicht is geschonden heeft belanghebbende ter zitting ingetrokken.



3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Conclusie en gevolgen



Vooraf




4. Belanghebbende stelt dat de verplichting tot het betalen van griffierecht in de procedure in strijd is met het Unierecht. Volgens belanghebbende betreft de hoogte van het griffierecht een veelvoud van de hoogte van de bestreden invorderingskosten en belemmert dit de toegang tot de rechter.



4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit Unierecht niet dat in dit geval een lager bedrag aan griffierecht moet worden geheven en leidt het heffen van het griffierecht niet tot een belemmering van de toegang tot de rechter. Dit geldt ook als het griffierecht zoals in deze procedure het bedrag dat wordt bestreden te boven gaat. De rechtbank sluit hierbij aan bij de door de Hoge Raad gegeven uitleg van het Unierecht in haar arrest van 12 juni 2026.



Aanmaningskosten





4.2.
De rechtbank stelt vast dat de ontvanger bij de uitspraak op bezwaar niet tegemoet is gekomen aan het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten en deze heeft gehandhaafd. Belanghebbende stelt dat de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht omdat de procedure met betrekking tot de naheffingsaanslag nog loopt. Volgens belanghebbende is de invordering van de naheffingsaanslag en het heffen van aanmaningskosten terwijl over de aanslag nog een procedure loopt in strijd met het Unierecht. De ontvanger stelt dat de aanmaningskosten in overeenstemming met de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de Leidraad invordering 2008 in rekening zijn gebracht.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht. Belanghebbende heeft ten tijde van de bezwaarfase uitstel van betaling gekregen voor de naheffingsaanslag. Het uitstel van betaling is met de uitspraak op bezwaar komen te vervallen. Voor de beroepsfase had belanghebbende een separaat verzoek tot uitstel van betaling kunnen doen. Dit verzoek heeft belanghebbende pas bij het bezwaar tegen de aanmaningskosten gedaan. Aangezien er op het moment van het in rekening brengen van de aanmaningskosten geen uitstel van betaling gold voor de naheffingsaanslag en niet binnen de uiterste betaaltermijn in de betalingsherinnering is betaald, zijn de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht. Ook uit het Unierecht volgt niet dat de naheffingsaanslag niet tijdens een procedure daartegen kan worden ingevorderd of de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht.



Kostenvergoeding





4.4.
Belanghebbende stelt dat het geschil wordt beheerst door bepalingen van het Unierecht en dat voor de vergoeding van de gemaakte proceskosten het Unierecht als uitgangspunt moet worden genomen. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen kostenvergoeding is toegekend voor de bezwaarfase nu de ontvanger aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet is gekomen.



4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de gemaakte kosten voor de bezwaar- en beroepsfase. Zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar is, in tegenstelling tot wat belanghebbende stelt, het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Er is geen sprake van een herroeping van het besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Alsdan bestaat er geen recht op een vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaar- en beroepsfase. Ook op basis van het Unierecht bestaat er geen recht op een (proces)kostenvergoeding.



Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn





4.6.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg in beginsel twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade. In gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Is de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden overschreden, dan beslist de belastingrechter naar bevind van zaken.



4.7.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 2 december 2022 door de ontvanger is ontvangen. De ontvanger heeft op 25 mei 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 30 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 20 maanden overschreden. Het financiële belang bedraagt niet meer dan € 1.000. Weliswaar is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, maar na een afweging van de belangen en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om een professioneel autobedrijf voor wie een financieel belang van € 18 over het algemeen beperkte impact heeft en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die extra spanning en frustratie hebben opgeleverd.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bij beschikking vastgestelde aanmaningskosten gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten en geen immateriële schadevergoeding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




De griffier is verhinderd


deze uitspraak te ondertekenen.











griffier




rechter





De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.


Artikel 25.2.2. van de Leidraad invordering 2008.


Artikel 1 en 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.


Artikel 7.15 van de Algemene wet bestuursrecht.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.