Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6941
2026-07-29
Bestuursrecht
BRE 26/1988
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek wijziging geregistreerde CO2-uitstoot auto
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23943 Rechtbank Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1026 Raad van State 12-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:1943 Raad van State 19-06-2019
- ECLI:NL:RVS:2026:1320 Raad van State 18-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:1321 Raad van State 18-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:1026 Raad van State 12-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3220 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1321 Raad van State 18-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.938 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1988
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW terecht eisers verzoek om wijziging van de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van de auto met [kenteken] (auto) te wijzigen. De RDW heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2025 (primair besluit) niet in behandeling genomen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de RDW eisers bezwaar gegrond verklaard en eisers verzoek afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. C. Vrolijk namens de RDW. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 16 juli 2025 heeft eiser de RDW verzocht om op grond van artikel 43e van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen. De auto was oorspronkelijk niet bestemd voor de Europese markt en beschikt daarom niet over een Europese typegoedkeuring. Bij de importkeuring voor de herregistratie van de auto is een geharmoniseerd kentekenbewijs uit Duitsland overgelegd op basis waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld. In het kentekenregister is op basis hiervan een CO2-uitstoot van 327 gr/km geregistreerd. Eiser heeft gegevens van een referentievoertuig overgelegd waarbij een lagere CO2-uitstoot van 254 gr/km is geregistreerd. Eiser heeft de CO2-uitstoot berekend aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. De CO2-uitstoot op basis van deze berekening komt overeen met het referentievoertuig.
3.1.
Met de brief van 24 juli 2025 heeft de RDW eiser verzocht om binnen vier weken bewijs te overleggen waarin staat wat de New European Driving Cycle (NEDC) waarde van het voertuig moet zijn.
3.2.
Met het primaire besluit heeft de RDW eisers verzoek niet in behandeling genomen, omdat hij de gevraagde informatie niet heeft opgestuurd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.3.
Met het bestreden besluit heeft de RWD eisers bezwaar gegrond verklaard, omdat de RDW het verzoek inhoudelijk had kunnen beoordelen op basis van de op dat moment beschikbare informatie, dan wel door zelf navraag te doen bij de lidstaat. De RDW heeft eisers verzoek daarom ten onrechte op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.
De RDW heeft in het bestreden besluit alsnog eisers verzoek inhoudelijk beoordeeld en dit afgewezen. De auto is in Nederland geregistreerd op basis van herregistratie. Op grond van artikel 4 van de kentekenbewijzenrichtlijn dient de RDW het Duitse kentekenbewijs te erkennen. De RDW komt niet toe aan een berekening van de CO2-uitstoot op basis van de Scandinavische rekenmethode als de CO2-uitstoot is af te leiden van een Duits kentekenbewijs. Eiser heeft echter voldoende twijfel gezaaid over de juistheid van de geregistreerde waarde, daarom heeft de RDW navraag gedaan bij de Duitse autoriteiten. De Duitse autoriteiten hebben laten weten dat zij de CO2-waarde van een gelijkwaardig getest model hebben overgenomen. Omdat uit de reactie van de Duitse autoriteiten niet blijkt dat in Duitsland een fout is gemaakt bij de vaststelling, blijft de RDW erbij dat de waarde op juiste gronden is overgenomen van het Duitse kentekenbewijs. Duitsland kent eigen nationale voorschriften voor het goedkeuren van voertuigen. Het is niet aan de RDW om na te gaan wat die nationale voorschriften zijn en of Duitsland die juist heeft toegepast. Alleen als een lidstaat laat weten een fout te hebben gemaakt bij de vaststelling van de CO2-uitstoot, zal de RDW overgaan tot wijziging van de waarde.
Daarnaast merkt de RDW op dat het aantonen van de juiste waarde niet kan op basis van referentievoertuigen. De RDW kan geen gegevens conformeren op basis van enkel de papieren registratiegegevens. De exacte CO2-uitstoot van dat voertuig kan immers verschillen en is sterk afhankelijk van de opties die bij het voertuig zijn gekozen.
De RDW heeft verder overwogen dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat in het aangehaalde bezwaardossier een fout is gemaakt en dit beginsel een bestuursorgaan niet dwingt om een fout te herhalen.
Beroepsgronden
4. Eiser heeft gesteld dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 maart 2025 de CO2-uitstoot van auto’s die niet beschikken over een Europese typegoedkeuring moet worden vastgesteld op basis van de Scandinavische rekenmethode. De CO2-uitstoot van eisers auto moet dan ook conform deze rekenmethode worden vastgesteld op 254 gr/km. De RDW dient de CO2-uitstoot altijd Scandinavisch vast te stellen, aangezien de Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 waarin deze rekenmethode is opgenomen rechtstreekse werking heeft en het in zoverre niet relevant is op welke wijze de Duitse autoriteiten de CO2-uitstoot hebben vastgesteld.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de RDW niet verplicht is de Scandinavische rekenmethode toe te passen, is eiser van mening dat de RDW zich niet mocht baseren op de CO2-uitstoot zoals die in Duitsland is vastgesteld. In de eerste plaats is niet relevant welke CO2-uitstoot is vastgesteld voor een andere auto. Het gaat namelijk om de juiste vaststelling van de CO2-uitstoot van eisers auto. De geteste auto heeft heel andere parameters, zo is sprake van een ander “leergewicht” en andere banden. Kennelijk is het krachtens Duits recht toegestaan om de CO2-uitstoot van auto A toe te passen voor auto B, maar dat is in Nederland niet toegestaan. Verder heeft eiser verwezen naar een in Nederland geregistreerd referentievoertuig. Niet is in te zien waarom de in Duitsland toegepaste vergelijkingsmethode door de RDW wordt overgenomen, maar een beroep op de vergelijkingsmethode ten aanzien van een Nederlands referentievoertuig door de RDW wordt afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019 blijkt daarnaast dat als de in Duitsland vastgestelde waarde niet juist is de RDW niet gehouden is dit onjuiste gegeven over te nemen.
Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij in aanmerking dient te komen voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase, omdat het besluit dat strekte tot buiten behandeling stellen van de aanvraag onterecht was.
Verweerschrift
5. De RDW heeft in de beroepsgronden geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Doorslaggevend is dat de Duitse vaststelling berust op een controleerbare en toegestane methode binnen het Europese kader. Van een kennelijke fout of evidente onjuistheid, zoals in voorgenoemde uitspraak van 19 juni 2019, is geen sprake. De Scandinavische rekenmethode fungeert als vangnet voor gevallen waarin geen betrouwbare CO2-waarde beschikbaar is. Nu de Duitse autoriteiten de CO2-uitstoot op het kentekenbewijs hebben vastgesteld, dat wederzijds wordt erkend en zij deze vaststelling hebben toegelicht, bestaat geen aanleiding om deze te wijzigen.
De Afdeling heeft overwogen dat het overleggen van maar twee andere referentievoertuigen waarbij weliswaar merk, type en variant overeenkomen niet voldoende is. Eiser heeft slechts één referentievoertuig overgelegd waarbij de datum van de eerste toelating van het voertuig niet in hetzelfde jaar ligt. Tevens komen de milieuklasses niet overeen en wijkt de catalogusprijs aanzienlijk af. Dit laatste duidt op een afwijkende uitvoering en uitrustingsvariant. Tot slot wordt opgemerkt dat het referentievoertuig een andere wielbasis heeft.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
7. De RDW heeft het verzoek van eiser om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen afgewezen, omdat volgens de RDW uit moet worden gegaan van de op het Duitse kentekenbewijs geregistreerde CO2-uitstoot nu die registratie niet evident onjuist is.
8. Bij de herregistratie van een voertuig in een andere lidstaat, zoals hier het geval, is Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 (de Kentekenbewijzenrichtlijn) van toepassing. Uit artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn volgt dat de RDW in beginsel gehouden is om een voertuig op basis van een geharmoniseerd kentekenbewijs in te schrijven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de RDW echter niet gehouden om onder alle omstandigheden zonder controle het geharmoniseerd kentekenbewijs te erkennen. Er kan sprake zijn van een bijzondere situatie. In geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens zal de RDW navraag doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto niet is gebouwd voor de Europese markt en daarom geen Europese typegoedkeuring heeft waaruit de CO2-uitstoot volgt. De CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op een geharmoniseerd kentekenbewijs uit Duitsland. Eiser heeft voor de auto met toepassing van de Scandinavische rekenmethode een berekening gemaakt met een andere uitkomst dan is vermeld op het Duitse kentekenbewijs. Ter zitting heeft de RDW desgevraagd aangegeven dat de uitkomst van eisers berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode an sich niet wordt betwist.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat eiser hiermee zodanige twijfel heeft gezaaid bij de juistheid van de op het Duitse kentekenbewijs vermelde CO2-uitstoot dat de RDW met inachtneming van artikel 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn navraag bij de bevoegde Duitse autoriteiten heeft gedaan. Uit navraag bij de Duitse autoriteiten is gebleken dat de CO2-uitstoot van de auto is vastgesteld op basis van een test uitgevoerd op een andere auto van hetzelfde merk en type.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dwingt artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn niet tot het overnemen van evidente fouten in door andere lidstaten afgegeven kentekenbewijzen. Aangezien als uitgangspunt geldt dat de RDW op grond van dat artikel gehouden is om een voertuig op basis van een geharmoniseerd kentekenbewijs in te schrijven, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat op het Duitse kentekenbewijs een evidente fout is vermeld.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de vermelde CO2-uitstoot op het Duitse geharmoniseerd kentekenbewijs evident fout is.
Ter zitting heeft de RDW toegelicht dat de voor de Scandinavische rekenmethode relevante parameters van de door de Duitse autoriteiten geteste auto hetzelfde zijn als de auto van eiser. Hieruit is dus niet gebleken dat sprake is van een evidente fout. Ter zitting heeft de RDW eveneens toegelicht dat het verschil in massa ledig gewicht van de auto’s in het voordeel van eiser uitpakt, omdat de auto van eiser zwaarder is dan de door de Duitse autoriteiten geteste auto. Dat zou zelfs tot een nog hogere CO2-uitstoot kunnen leiden dan de RDW nu heeft geregistreerd.
Met de door hem overgelegde gegevens van een referentievoertuig waarvoor een lagere CO2-uitstoot is geregistreerd heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een evidente onjuiste CO2-waarde. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt namelijk dat de gegevens van één referentievoertuig daartoe onvoldoende zijn. Bovendien wijken de auto en het door eiser aangehaalde referentievoertuig op relevante kenmerken, waaronder de milieuklasse en de datum van eerste toelating op de weg, van elkaar af.
Ook de uitkomst van de berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode onderbouwt niet dat sprake is van een evidente fout. Deze rekenmethode leidt namelijk tot een zuiver theoretische berekening, terwijl daartegenover een rapport van de Duitse autoriteiten ligt dat conform de toepasselijke normen is opgesteld.
Proceskosten in bezwaar
10. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door de RDW uitsluitend vergoed op verzoek van de eiser. Op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb moet dit verzoek zijn gedaan voordat op het bezwaar wordt beslist.
Aangezien uit het dossier niet blijkt dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 1999, L 138)
Artikel 4
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat.
Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2011, L 53)
Aanhangsel 2 van Bijlage IV bevat de zogenoemde Scandinavische rekenmethode
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
(…)
2. kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
(…)
Een formule voor de bepaling van de CO2-uitstoot neergelegd in Verordening (EU) nr. 183/2011.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23943).
ECLI:NL:RVS:2025:1026.
ECLI:NL:RVS:2019:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1320).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1321).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1026).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3220).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1321).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1988
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW terecht eisers verzoek om wijziging van de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek ingediend om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van de auto met [kenteken] (auto) te wijzigen. De RDW heeft deze aanvraag met het besluit van 22 augustus 2025 (primair besluit) niet in behandeling genomen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de RDW eisers bezwaar gegrond verklaard en eisers verzoek afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. C. Vrolijk namens de RDW. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 16 juli 2025 heeft eiser de RDW verzocht om op grond van artikel 43e van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen. De auto was oorspronkelijk niet bestemd voor de Europese markt en beschikt daarom niet over een Europese typegoedkeuring. Bij de importkeuring voor de herregistratie van de auto is een geharmoniseerd kentekenbewijs uit Duitsland overgelegd op basis waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld. In het kentekenregister is op basis hiervan een CO2-uitstoot van 327 gr/km geregistreerd. Eiser heeft gegevens van een referentievoertuig overgelegd waarbij een lagere CO2-uitstoot van 254 gr/km is geregistreerd. Eiser heeft de CO2-uitstoot berekend aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. De CO2-uitstoot op basis van deze berekening komt overeen met het referentievoertuig.
3.1.
Met de brief van 24 juli 2025 heeft de RDW eiser verzocht om binnen vier weken bewijs te overleggen waarin staat wat de New European Driving Cycle (NEDC) waarde van het voertuig moet zijn.
3.2.
Met het primaire besluit heeft de RDW eisers verzoek niet in behandeling genomen, omdat hij de gevraagde informatie niet heeft opgestuurd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.3.
Met het bestreden besluit heeft de RWD eisers bezwaar gegrond verklaard, omdat de RDW het verzoek inhoudelijk had kunnen beoordelen op basis van de op dat moment beschikbare informatie, dan wel door zelf navraag te doen bij de lidstaat. De RDW heeft eisers verzoek daarom ten onrechte op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.
De RDW heeft in het bestreden besluit alsnog eisers verzoek inhoudelijk beoordeeld en dit afgewezen. De auto is in Nederland geregistreerd op basis van herregistratie. Op grond van artikel 4 van de kentekenbewijzenrichtlijn dient de RDW het Duitse kentekenbewijs te erkennen. De RDW komt niet toe aan een berekening van de CO2-uitstoot op basis van de Scandinavische rekenmethode als de CO2-uitstoot is af te leiden van een Duits kentekenbewijs. Eiser heeft echter voldoende twijfel gezaaid over de juistheid van de geregistreerde waarde, daarom heeft de RDW navraag gedaan bij de Duitse autoriteiten. De Duitse autoriteiten hebben laten weten dat zij de CO2-waarde van een gelijkwaardig getest model hebben overgenomen. Omdat uit de reactie van de Duitse autoriteiten niet blijkt dat in Duitsland een fout is gemaakt bij de vaststelling, blijft de RDW erbij dat de waarde op juiste gronden is overgenomen van het Duitse kentekenbewijs. Duitsland kent eigen nationale voorschriften voor het goedkeuren van voertuigen. Het is niet aan de RDW om na te gaan wat die nationale voorschriften zijn en of Duitsland die juist heeft toegepast. Alleen als een lidstaat laat weten een fout te hebben gemaakt bij de vaststelling van de CO2-uitstoot, zal de RDW overgaan tot wijziging van de waarde.
Daarnaast merkt de RDW op dat het aantonen van de juiste waarde niet kan op basis van referentievoertuigen. De RDW kan geen gegevens conformeren op basis van enkel de papieren registratiegegevens. De exacte CO2-uitstoot van dat voertuig kan immers verschillen en is sterk afhankelijk van de opties die bij het voertuig zijn gekozen.
De RDW heeft verder overwogen dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat in het aangehaalde bezwaardossier een fout is gemaakt en dit beginsel een bestuursorgaan niet dwingt om een fout te herhalen.
Beroepsgronden
4. Eiser heeft gesteld dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 maart 2025 de CO2-uitstoot van auto’s die niet beschikken over een Europese typegoedkeuring moet worden vastgesteld op basis van de Scandinavische rekenmethode. De CO2-uitstoot van eisers auto moet dan ook conform deze rekenmethode worden vastgesteld op 254 gr/km. De RDW dient de CO2-uitstoot altijd Scandinavisch vast te stellen, aangezien de Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 waarin deze rekenmethode is opgenomen rechtstreekse werking heeft en het in zoverre niet relevant is op welke wijze de Duitse autoriteiten de CO2-uitstoot hebben vastgesteld.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de RDW niet verplicht is de Scandinavische rekenmethode toe te passen, is eiser van mening dat de RDW zich niet mocht baseren op de CO2-uitstoot zoals die in Duitsland is vastgesteld. In de eerste plaats is niet relevant welke CO2-uitstoot is vastgesteld voor een andere auto. Het gaat namelijk om de juiste vaststelling van de CO2-uitstoot van eisers auto. De geteste auto heeft heel andere parameters, zo is sprake van een ander “leergewicht” en andere banden. Kennelijk is het krachtens Duits recht toegestaan om de CO2-uitstoot van auto A toe te passen voor auto B, maar dat is in Nederland niet toegestaan. Verder heeft eiser verwezen naar een in Nederland geregistreerd referentievoertuig. Niet is in te zien waarom de in Duitsland toegepaste vergelijkingsmethode door de RDW wordt overgenomen, maar een beroep op de vergelijkingsmethode ten aanzien van een Nederlands referentievoertuig door de RDW wordt afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019 blijkt daarnaast dat als de in Duitsland vastgestelde waarde niet juist is de RDW niet gehouden is dit onjuiste gegeven over te nemen.
Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij in aanmerking dient te komen voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase, omdat het besluit dat strekte tot buiten behandeling stellen van de aanvraag onterecht was.
Verweerschrift
5. De RDW heeft in de beroepsgronden geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Doorslaggevend is dat de Duitse vaststelling berust op een controleerbare en toegestane methode binnen het Europese kader. Van een kennelijke fout of evidente onjuistheid, zoals in voorgenoemde uitspraak van 19 juni 2019, is geen sprake. De Scandinavische rekenmethode fungeert als vangnet voor gevallen waarin geen betrouwbare CO2-waarde beschikbaar is. Nu de Duitse autoriteiten de CO2-uitstoot op het kentekenbewijs hebben vastgesteld, dat wederzijds wordt erkend en zij deze vaststelling hebben toegelicht, bestaat geen aanleiding om deze te wijzigen.
De Afdeling heeft overwogen dat het overleggen van maar twee andere referentievoertuigen waarbij weliswaar merk, type en variant overeenkomen niet voldoende is. Eiser heeft slechts één referentievoertuig overgelegd waarbij de datum van de eerste toelating van het voertuig niet in hetzelfde jaar ligt. Tevens komen de milieuklasses niet overeen en wijkt de catalogusprijs aanzienlijk af. Dit laatste duidt op een afwijkende uitvoering en uitrustingsvariant. Tot slot wordt opgemerkt dat het referentievoertuig een andere wielbasis heeft.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
7. De RDW heeft het verzoek van eiser om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van zijn auto te wijzigen afgewezen, omdat volgens de RDW uit moet worden gegaan van de op het Duitse kentekenbewijs geregistreerde CO2-uitstoot nu die registratie niet evident onjuist is.
8. Bij de herregistratie van een voertuig in een andere lidstaat, zoals hier het geval, is Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 (de Kentekenbewijzenrichtlijn) van toepassing. Uit artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn volgt dat de RDW in beginsel gehouden is om een voertuig op basis van een geharmoniseerd kentekenbewijs in te schrijven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de RDW echter niet gehouden om onder alle omstandigheden zonder controle het geharmoniseerd kentekenbewijs te erkennen. Er kan sprake zijn van een bijzondere situatie. In geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens zal de RDW navraag doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto niet is gebouwd voor de Europese markt en daarom geen Europese typegoedkeuring heeft waaruit de CO2-uitstoot volgt. De CO2-uitstoot van de auto is gebaseerd op een geharmoniseerd kentekenbewijs uit Duitsland. Eiser heeft voor de auto met toepassing van de Scandinavische rekenmethode een berekening gemaakt met een andere uitkomst dan is vermeld op het Duitse kentekenbewijs. Ter zitting heeft de RDW desgevraagd aangegeven dat de uitkomst van eisers berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode an sich niet wordt betwist.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat eiser hiermee zodanige twijfel heeft gezaaid bij de juistheid van de op het Duitse kentekenbewijs vermelde CO2-uitstoot dat de RDW met inachtneming van artikel 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn navraag bij de bevoegde Duitse autoriteiten heeft gedaan. Uit navraag bij de Duitse autoriteiten is gebleken dat de CO2-uitstoot van de auto is vastgesteld op basis van een test uitgevoerd op een andere auto van hetzelfde merk en type.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dwingt artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn niet tot het overnemen van evidente fouten in door andere lidstaten afgegeven kentekenbewijzen. Aangezien als uitgangspunt geldt dat de RDW op grond van dat artikel gehouden is om een voertuig op basis van een geharmoniseerd kentekenbewijs in te schrijven, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat op het Duitse kentekenbewijs een evidente fout is vermeld.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de vermelde CO2-uitstoot op het Duitse geharmoniseerd kentekenbewijs evident fout is.
Ter zitting heeft de RDW toegelicht dat de voor de Scandinavische rekenmethode relevante parameters van de door de Duitse autoriteiten geteste auto hetzelfde zijn als de auto van eiser. Hieruit is dus niet gebleken dat sprake is van een evidente fout. Ter zitting heeft de RDW eveneens toegelicht dat het verschil in massa ledig gewicht van de auto’s in het voordeel van eiser uitpakt, omdat de auto van eiser zwaarder is dan de door de Duitse autoriteiten geteste auto. Dat zou zelfs tot een nog hogere CO2-uitstoot kunnen leiden dan de RDW nu heeft geregistreerd.
Met de door hem overgelegde gegevens van een referentievoertuig waarvoor een lagere CO2-uitstoot is geregistreerd heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een evidente onjuiste CO2-waarde. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt namelijk dat de gegevens van één referentievoertuig daartoe onvoldoende zijn. Bovendien wijken de auto en het door eiser aangehaalde referentievoertuig op relevante kenmerken, waaronder de milieuklasse en de datum van eerste toelating op de weg, van elkaar af.
Ook de uitkomst van de berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode onderbouwt niet dat sprake is van een evidente fout. Deze rekenmethode leidt namelijk tot een zuiver theoretische berekening, terwijl daartegenover een rapport van de Duitse autoriteiten ligt dat conform de toepasselijke normen is opgesteld.
Proceskosten in bezwaar
10. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door de RDW uitsluitend vergoed op verzoek van de eiser. Op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb moet dit verzoek zijn gedaan voordat op het bezwaar wordt beslist.
Aangezien uit het dossier niet blijkt dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 29 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 1999, L 138)
Artikel 4
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat.
Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2011, L 53)
Aanhangsel 2 van Bijlage IV bevat de zogenoemde Scandinavische rekenmethode
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
(…)
2. kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
(…)
Een formule voor de bepaling van de CO2-uitstoot neergelegd in Verordening (EU) nr. 183/2011.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23943).
ECLI:NL:RVS:2025:1026.
ECLI:NL:RVS:2019:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1320).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1321).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1026).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3220).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1321).