Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6856
2026-07-21
Civiel recht; Arbeidsrecht
12032644 \ AZ VERZ 25-80
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Portugees recht van toepassing op de arbeidsovereenkomst. Partijen hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten waarop ook Portugees recht van toepassing is. Finale kwijting verleend. Geen recht op een billijke vergoeding.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11015 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.876 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12032644 \ AZ VERZ 25-80
Beschikking van 21 juli 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] (Portugal),
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. P.H. Pijpelink,
tegen
de vennootschap naar Portugees recht
CONSTRUCTION CONCEPT EUROPE LDA,
gevestigd te Lissabon en kantoorhoudende te Prinsenbeek,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. S.A.J. van Riel.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties,
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. Pijpelink,
de spreekaantekeningen van mr. Van Riel,
de e-mail van mr. Pijpelink van 26 mei 2026,
de brief van mr. Van Riel van 26 mei 2026,
de brief van mr. Pijpelink van 29 juni 2026.
1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1. Werkgever is een bouwonderneming, gespecialiseerd in de bouw van betonnen constructies voor industriële residentiële gebouwen en ondergrondse werken. Zij neemt projecten aan in Portugal, Nederland, België en Duitsland. Naast haar hoofdkantoor en twee vestigingen in Portugal, heeft werkgever vertegenwoordigingskantoren in Nederland, België en Duitsland.
2.2. Een Belgisch consortium ( [maatschappij] ) heeft een project aangenomen voor de bouw van een kunstmatig energie-eiland. Ten behoeve van dit project is in Nederland de vennootschap onder firma [V.O.F.] opgericht. Werkgever heeft in onderaanneming van [V.O.F.] een bouwklus aangenomen voor de bouw van betonnen constructies voor dit project. Werkgever heeft in Portugal arbeidskrachten geworven ter uitvoering van deze bouwklus.
2.3. Werknemer, geboren op [datum] 1972, heeft op 22 april 2024 twee overeenkomsten gesloten met werkgever die in de Portugese taal zijn opgesteld; ‘Contrato de Trabalho a Termo Incerto’ (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur) en ‘Acordo de Deslocação Temporária de Trabalhador (Produtivos)’ (overeenkomst inzake de tijdelijke detachering van werknemers). Deze overeenkomsten worden hierna respectievelijk de basisovereenkomst en het addendum genoemd. Op grond van deze overeenkomsten is werknemer op 22 april 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van Bekistings- timmerman 1e klasse. Werknemer is tewerkgesteld te [plaats 2] op het project van [maatschappij] .
2.4. In de basisovereenkomst is (vertaald) onder meer het volgende overeengekomen:
“Artikel 1 - Grondslag
1. Aan de Eerste Contractspartij werd op 4 januari 2024 de uitvoering toegewezen van het
bouwproject genaamd " [project] ", in Nederland, dat een duidelijk omschreven en tijdelijk karakter heeft, waarvan de geplande einddatum is vastgesteld overeenkomstig het onderaannemingscontract met de opdrachtgever, hoewel vertragingen of vervroegingen kunnen optreden, rekening houdend met de complexiteit van de werkzaamheden en de omstandigheden die zich kunnen voordoen.
2. De uitvoering van het bouwproject zal de professionele activiteit van de Werknemer gedurende een onzekere periode vereisen, hetgeen de onzekere aard van dit contract rechtvaardigt, zoals bepaald in de volgende clausule.
(…)
4. Gelet op het voorgaande is de onderbouwing van dit contract voor arbeid met onzekere termijn wettelijk toegestaan op grond van artikel 140, leden 1 en 2, onderdeel i), en lid 3 van het
Arbeidswetboek.
(…)
Artikel 2 - Duur
1.Dit Contract treedt in werking op 22 april 2024 en zal duren zolang als nodig is voor de vervulling van de tijdelijke behoeften van de professionele activiteit van de Werknemer in het kader van het project " [project] ", of totdat deze behoeften ophouden te bestaan. Niettemin is het op dit moment voorzien dat de taken en functies van de werknemer in dit project uiterlijk op 30 augustus 2026 zullen eindigen.
2.Dit Contract eindigt door middel van een kennisgeving van de Eerste Contractspartij aan de Tweede Contractspartij betreffende de beëindiging ervan, zodra de eerstgenoemde voorziet dat de tijdelijke behoeften zullen ophouden te bestaan, met inachtneming van een minimale opzegtermijn van 7 (zeven), 30 (dertig) of 60 (zestig) dagen, afhankelijk van of het contract minder dan 6 maanden, tussen 6 maanden en 2 jaar, of meer dan 2 jaar heeft geduurd.”
2.5. In het addendum is (vertaald) onder meer het volgende overeengekomen:
“Overwegende dat:
(…)
(D) De Werknemer, gedurende de periode van zijn detachering in Nederland, zal worden geïntegreerd in de onderaanneming van de onderneming die in zijn arbeidsovereenkomst is vermeld, waarbij hij zijn band met de onderneming behoudt en blijft werken onder haar leiding en gezag.
(…)
ZEVENDE
(Beloning en arbeidsvoorwaarden)
Gedurende de detachering en zolang deze status voortduurt, ontvangt de Werknemer de in het land van bestemming geldende minimumbeloning en heeft hij recht op de arbeidsvoorwaarden zoals vermeld in Bijlage I bij deze Overeenkomst.
1. Na afloop van de tussen partijen overeengekomen detachering en bij terugkeer van de Werknemer naar het land van herkomst, ontvangt de Werknemer de bruto maandelijkse basisbeloning in Portugal zoals vastgelegd in de met de Eerste Contractpartij gesloten arbeidsovereenkomst, voor de duur van de arbeidsverhouding tussen partijen.
2 De Werknemer aanvaardt en erkent hierbij dat de in de voorgaande paragraaf bedoelde wijziging in overeenstemming is met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst die met de Eerste Contractpartij is gesloten.
(…)
TIENDE
(Einde van de detachering)
1 Na afloop van de detachering kan de Werknemer terugkeren naar zijn/haar land van herkomst en daar zijn/haar beroepsactiviteiten hervatten.
(…)”
2.6. Op 28 augustus 2025 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst(en) opgezegd met ingang van 31 oktober 2025.
2.7. Op 31 oktober 2025 hebben werkgever en werknemer een overeenkomst in de Portugese taal met elkaar gesloten met opschrift Revogação do Contrato de Trabalho por Mútuo Acordo das Partes (Beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg). Deze overeenkomst wordt hierna de beëindigingsovereenkomst genoemd. In clausule 3 ‘(kwijting)’ van deze overeenkomst verklaart werknemer – vertaald en verkort weergegeven – niets meer van werkgever te vorderen te hebben.
3. Het verzoek en het verweer
3.1. Werknemer verzoekt:
a. aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 10.000,00, althans een vergoeding naar Portugees recht van € 9.470,66,
b. aan hem een transitievergoeding toe te kennen van € 5.674,11 bruto;
c. werkgever te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten die werknemer heeft gemaakt, ter hoogte van de eigen bijdrage voor zijn toevoeging.
3.2. Werknemer stelt zich op het standpunt dat op de arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is. Volgens werknemer is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd nu hij niet met de opzegging heeft ingestemd en het UWV hiervoor ook geen toestemming heeft verleend. Met deze onrechtmatige opzegging heeft werkgever verwijtbaar gehandeld en komt aan werknemer een billijke vergoeding toe. Omdat werknemer heeft berust in de opzegging is de arbeidsovereenkomst geëindigd zodat hij ook recht heeft op een transitievergoeding. Werknemer stelt verder dat hij in de beëindigingsovereenkomst geen afstand heeft gedaan van de billijke vergoeding, de transitievergoeding of een vergoeding naar Portugees recht. Hij wist niet dat hij daar recht op zou hebben. Dan kan niet worden aangenomen dat hij ondubbelzinnig en welbewust afstand van het recht op deze vergoedingen heeft gedaan, althans is een beroep daarop door werkgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.3. Werkgever voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens haar is het Portugese recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing en heeft zij de arbeidsovereenkomst conform het Portugese recht rechtsgeldig opgezegd. Verder stelt zij dat werknemer niet in zijn verzoek kan worden ontvangen, dan wel dat dit moet worden afgewezen, nu hij in de beëindigingsovereenkomst finale kwijting heeft verleend.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
4.1. Nu werknemer woonachtig is in Portugal en ook werkgever (statutair) gevestigd is in Portugal heeft het verzoek een grensoverschrijdend karakter. De kantonrechter moet eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het geschil kennis te nemen. Op het geschil is Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) van toepassing. Nu werkgever in de procedure is verschenen zonder zich op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter te beroepen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 26 Brussel I bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Werkgever heeft ook geen verweer gevoerd tegen de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te Middelburg maar omdat het verzoek ziet op een arbeidsovereenkomst moet de kantonrechter deze relatieve bevoegdheid ambtshalve toetsen. In individuele arbeidszaken is stilzwijgende forumkeuze mogelijk indien de vordering of het verzoek door de werknemer is ingesteld. De kantonrechter is daarom ook relatief bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
toepasselijk recht; het juridisch kader
4.2. Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht op de arbeidsovereenkomst van werknemer van toepassing is. Hierover verschillen partijen van mening. In artikel 8 lid 1, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) is bepaald dat een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen overeenkomstig artikel 3 Rome I hebben gekozen. Een rechtskeuze kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden gedaan. In dat laatste geval moet de rechtskeuze duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. De tweede zin van artikel 8 lid 1 Rome I bepaalt verder dat een rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de werknemer de bescherming verliest die hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel van toepassing zou zijn geweest zonder rechtskeuze (het objectief toepasselijk recht).
rechtskeuze
4.3. In dit geval hebben partijen geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt en verschillen zij van mening over de stilzwijgende rechtskeuze. De kantonrechter overweegt in dit kader het volgende. De stilzwijgende rechtskeuze moet met een zekere terughoudendheid worden aanvaard. Voor aanname van een stilzwijgende rechtskeuze moet ondubbelzinnig blijken dat partijen daadwerkelijk hebben gewild die keuze tot stand te brengen. Uit bepaalde verklaringen of gedragingen moet in de context van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst dus blijken dat partijen eenduidig voor een bepaald recht hebben gekozen.
4.4. De kantonrechter oordeelt dat deze stilzwijgende rechtskeuze in dit geval blijkt uit het feit dat in de arbeidsovereenkomst verwezen wordt naar artikelen uit de Portugese wet waarbij – zoals werkgever terecht heeft aangevoerd – bovendien is gekozen voor een specifieke contractsvorm die is geregeld in het Portugese arbeidswetboek. Werknemer heeft daartegenover aangevoerd dat in een aantal artikelen van de arbeidsovereenkomst het Nederlandse recht van toepassing wordt verklaard maar dit ziet op bijzonder dwingend recht zoals bedoeld in artikel 9 Rome I. Dit zijn regels die een zodanig dwingend karakter hebben dat ze toegepast moeten worden, ongeacht het recht dat op de overeenkomst van toepassing is. Dat in de overeenkomst op bepaalde onderwerpen het Nederlandse recht van toepassing wordt verklaard, betekent dus niet dat partijen daarmee ook hebben gewild het Nederlandse recht op de gehele overeenkomst van toepassing te laten zijn.
objectief toepasselijk recht
4.5. Om te kunnen beoordelen of werknemer door de keuze voor het Portugese recht bescherming van dwingende bepalingen uit het objectief toepasselijke recht verliest, moet eerst worden beoordeeld wat het objectief toepasselijke recht is. Uit het tweede lid van artikel 8 Rome I volgt dat dit het recht is van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt echter niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
4.6. Vast staat dat werknemer zijn werkzaamheden in het kader van de arbeidsovereenkomst heeft verricht in Nederland. Volgens werkgever waren dit echter tijdelijke werkzaamheden en was het de bedoeling dat werknemer na afronding van die werkzaamheden zou terugkeren naar Portugal. In de visie van werkgever is Nederland door deze tijdelijke tewerkstelling niet het gewoonlijk werkland geworden van werknemer. Werknemer heeft dit weersproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij uitsluitend voor het project in Nederland is aangeworven. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze eindigt op het moment dat het project eindigt. Uit de overeenkomst volgt volgens werknemer niet dat van hem werd verwacht dat hij na het einde van het project weer in Portugal zou gaan werken. Volgens werknemer is er dus geen sprake van tijdelijke werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 Rome I.
4.7. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet. In overweging 36 van Rome I staat dat het verrichten van werk in een ander land als tijdelijk wordt aangemerkt, als van de werknemer wordt verwacht dat hij na voltooiing van zijn taak in het buitenland opnieuw in het land van herkomst gaat werken. De kantonrechter oordeelt dat hiervoor niet is vereist dat werknemer dat werk voor dezelfde werkgever gaat verrichten. Ook indien werknemer voorafgaand aan de terbeschikkingstelling in Portugal werkte bij een andere werkgever en/of dat de verwachting is dat hij na afloop van de ter beschikkingstelling naar Portugal terugkeert om in dienst te treden bij een andere werkgever, kan dit tot de conclusie leiden dat het werk in Nederland tijdelijk was.
4.8. Anders dan werknemer betoogt, volgt uit de (vertaling van de) arbeidsovereenkomst wel dat het de bedoeling was van partijen dat werknemer na afloop van de detachering zou terugkeren naar zijn land van herkomst om daar zijn beroepsactiviteiten te hervatten (artikel 7 en 10 van het addendum). Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat partijen ook hebben gehandeld overeenkomstig deze bedoeling. Zo is onweersproken gebleven dat werknemer gedurende de looptijd van zijn arbeidsovereenkomst fiscaal inwoner van Portugal is gebleven, dat werkgever een ‘home-leave’ vergoeding heeft betaald, dat werkgever een PD U1 verklaring heeft aangevraagd bij het UWV voor werknemer, dat werknemer na afloop van het contract naar Portugal is teruggekeerd en dat hij in dat land (met behulp van de PD U1 verklaring) een WW-uitkering heeft aangevraagd. Daarbij komt dat als onweersproken vaststaat dat werkgever een melding heeft gemaakt van tijdelijke tewerkstelling in Nederland op grond van artikel 8 lid 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (hierna te noemen: WagwEU). De WagwEu is alleen van toepassing op werknemers die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verrichten in Nederland en niet gewoonlijk in of vanuit Nederland arbeid verrichten.
4.9. Uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat de werkzaamheden van werknemer in Nederland tijdelijk van aard waren zodat Nederland niet het gewoonlijk werkland van werknemer is geworden. Portugal dient als het gewone werkland te worden aangemerkt.
4.10. Werknemer heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat de arbeidsovereenkomst desondanks een nauwere band heeft met Nederland zodat op grond van artikel 8 lid 4 Rome I toch het Nederlandse recht het objectief toepasselijke recht zou zijn.
4.11. Dit betekent dat het Portugese recht – naast het gekozen recht – ook het objectief toepasselijke recht is. Werknemer geniet daardoor niet de bescherming van in het Nederlandse recht neergelegde dwingende regels op grond van artikel 8 Rome I.
bepalingen van bijzonder dwingend recht
4.12. De kantonrechter moet vervolgens beoordelen of er bepalingen van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 Rome I van toepassing zijn. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van openbare belangen, dat deze moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer van dat land valt, ongeacht welk recht van toepassing is op de overeenkomst op grond van de verwijzingsregels uit Rome I.
4.13. Bepalingen van bijzonder dwingend recht moeten worden onderscheiden van dwingende bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken. Bepalingen van bijzonder dwingend recht kunnen het recht dat ingevolge de verwijzingsregels de overeenkomst beheerst, doorbreken. Er is een aantal Nederlandse arbeidsrechtelijke voorrangsregels, waarvan de regels uit de WagwEU en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet AVV) van belang zijn voor de beoordeling van het verzoek van werknemer.
4.14. In artikel 2 lid 1 WagwEU is een aantal bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaard op gedetacheerde werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door ander recht dan het Nederlandse recht. In lid 2 is vervolgens bepaald dat wanneer een detachering meer dan twaalf maanden bedraagt, op de gedetacheerde werknemer vanaf de dertiende maand alle wettelijke arbeidsvoorwaarden en
-omstandigheden van toepassing zijn, met uitzondering van procedures, formaliteiten en voorwaarden van de sluiting en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
beëindigingsovereenkomst
4.15. Ook hierop is Portugees recht van toepassing, zijnde het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden (artikel 4 Rome I). Werkgever is gevestigd in Portugal en ook werknemer woont daar. In de overeenkomst hebben partijen geen rechtskeuze gedaan. Verder geldt dat zij in deze overeenkomst tot een beëindiging komen van de arbeidsovereenkomst, waarover hiervoor is geoordeeld dat daarop Portugees recht van toepassing is. Het ligt dan in de rede dat gelet op de samenhang tussen deze twee overeenkomsten hierop hetzelfde nationale recht van toepassing is.
4.16. In clausule 3 van de beëindigingsovereenkomst heeft werknemer aan werkgever finale kwijting verleend. Daarmee heeft hij afgezien van mogelijke vorderingen uit hoofde van (de beëindiging van) de arbeidsovereenkomst. De rechtsgeldigheid van de beëindigingsovereenkomst staat in deze procedure niet ter discussie, zodat partijen aan de afspraken die daarin zijn gemaakt jegens elkaar zijn gebonden. De vraag of werknemer wel afstand kan doen van rechten waarvan hij het bestaan niet kende, ligt daarmee hier niet voor. De stelling van werknemer dat het naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is hem aan de finale kwijtingsclausule te houden, kan hem evenmin baten. Werknemer heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat werkgever, door werknemer te houden aan de finale kwijtingsclausule, de grenzen overschrijdt, die haar worden opgelegd door de goede trouw, de goede zeden of het sociale of economische doel van haar recht.
4.17. Uit het voorgaande volgt dat werknemer werkgever finale kwijting heeft verleend en werkgever werknemer daaraan mag houden. De verzochte billijke vergoeding, transitievergoeding of vergoeding naar Portugees recht moeten alleen al daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de verzochte vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
proceskosten
4.18. De kantonrechter oordeelt in de omstandigheden van het geval voldoende redenen aanwezig om ieder van partijen de eigen proceskosten te laten dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1. wijst het verzoek af,
5.2. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11015, r.o. 2.13 en 2.14.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12032644 \ AZ VERZ 25-80
Beschikking van 21 juli 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] (Portugal),
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. P.H. Pijpelink,
tegen
de vennootschap naar Portugees recht
CONSTRUCTION CONCEPT EUROPE LDA,
gevestigd te Lissabon en kantoorhoudende te Prinsenbeek,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. S.A.J. van Riel.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties,
het verweerschrift met producties,
de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. Pijpelink,
de spreekaantekeningen van mr. Van Riel,
de e-mail van mr. Pijpelink van 26 mei 2026,
de brief van mr. Van Riel van 26 mei 2026,
de brief van mr. Pijpelink van 29 juni 2026.
1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1. Werkgever is een bouwonderneming, gespecialiseerd in de bouw van betonnen constructies voor industriële residentiële gebouwen en ondergrondse werken. Zij neemt projecten aan in Portugal, Nederland, België en Duitsland. Naast haar hoofdkantoor en twee vestigingen in Portugal, heeft werkgever vertegenwoordigingskantoren in Nederland, België en Duitsland.
2.2. Een Belgisch consortium ( [maatschappij] ) heeft een project aangenomen voor de bouw van een kunstmatig energie-eiland. Ten behoeve van dit project is in Nederland de vennootschap onder firma [V.O.F.] opgericht. Werkgever heeft in onderaanneming van [V.O.F.] een bouwklus aangenomen voor de bouw van betonnen constructies voor dit project. Werkgever heeft in Portugal arbeidskrachten geworven ter uitvoering van deze bouwklus.
2.3. Werknemer, geboren op [datum] 1972, heeft op 22 april 2024 twee overeenkomsten gesloten met werkgever die in de Portugese taal zijn opgesteld; ‘Contrato de Trabalho a Termo Incerto’ (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur) en ‘Acordo de Deslocação Temporária de Trabalhador (Produtivos)’ (overeenkomst inzake de tijdelijke detachering van werknemers). Deze overeenkomsten worden hierna respectievelijk de basisovereenkomst en het addendum genoemd. Op grond van deze overeenkomsten is werknemer op 22 april 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van Bekistings- timmerman 1e klasse. Werknemer is tewerkgesteld te [plaats 2] op het project van [maatschappij] .
2.4. In de basisovereenkomst is (vertaald) onder meer het volgende overeengekomen:
“Artikel 1 - Grondslag
1. Aan de Eerste Contractspartij werd op 4 januari 2024 de uitvoering toegewezen van het
bouwproject genaamd " [project] ", in Nederland, dat een duidelijk omschreven en tijdelijk karakter heeft, waarvan de geplande einddatum is vastgesteld overeenkomstig het onderaannemingscontract met de opdrachtgever, hoewel vertragingen of vervroegingen kunnen optreden, rekening houdend met de complexiteit van de werkzaamheden en de omstandigheden die zich kunnen voordoen.
2. De uitvoering van het bouwproject zal de professionele activiteit van de Werknemer gedurende een onzekere periode vereisen, hetgeen de onzekere aard van dit contract rechtvaardigt, zoals bepaald in de volgende clausule.
(…)
4. Gelet op het voorgaande is de onderbouwing van dit contract voor arbeid met onzekere termijn wettelijk toegestaan op grond van artikel 140, leden 1 en 2, onderdeel i), en lid 3 van het
Arbeidswetboek.
(…)
Artikel 2 - Duur
1.Dit Contract treedt in werking op 22 april 2024 en zal duren zolang als nodig is voor de vervulling van de tijdelijke behoeften van de professionele activiteit van de Werknemer in het kader van het project " [project] ", of totdat deze behoeften ophouden te bestaan. Niettemin is het op dit moment voorzien dat de taken en functies van de werknemer in dit project uiterlijk op 30 augustus 2026 zullen eindigen.
2.Dit Contract eindigt door middel van een kennisgeving van de Eerste Contractspartij aan de Tweede Contractspartij betreffende de beëindiging ervan, zodra de eerstgenoemde voorziet dat de tijdelijke behoeften zullen ophouden te bestaan, met inachtneming van een minimale opzegtermijn van 7 (zeven), 30 (dertig) of 60 (zestig) dagen, afhankelijk van of het contract minder dan 6 maanden, tussen 6 maanden en 2 jaar, of meer dan 2 jaar heeft geduurd.”
2.5. In het addendum is (vertaald) onder meer het volgende overeengekomen:
“Overwegende dat:
(…)
(D) De Werknemer, gedurende de periode van zijn detachering in Nederland, zal worden geïntegreerd in de onderaanneming van de onderneming die in zijn arbeidsovereenkomst is vermeld, waarbij hij zijn band met de onderneming behoudt en blijft werken onder haar leiding en gezag.
(…)
ZEVENDE
(Beloning en arbeidsvoorwaarden)
Gedurende de detachering en zolang deze status voortduurt, ontvangt de Werknemer de in het land van bestemming geldende minimumbeloning en heeft hij recht op de arbeidsvoorwaarden zoals vermeld in Bijlage I bij deze Overeenkomst.
1. Na afloop van de tussen partijen overeengekomen detachering en bij terugkeer van de Werknemer naar het land van herkomst, ontvangt de Werknemer de bruto maandelijkse basisbeloning in Portugal zoals vastgelegd in de met de Eerste Contractpartij gesloten arbeidsovereenkomst, voor de duur van de arbeidsverhouding tussen partijen.
2 De Werknemer aanvaardt en erkent hierbij dat de in de voorgaande paragraaf bedoelde wijziging in overeenstemming is met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst die met de Eerste Contractpartij is gesloten.
(…)
TIENDE
(Einde van de detachering)
1 Na afloop van de detachering kan de Werknemer terugkeren naar zijn/haar land van herkomst en daar zijn/haar beroepsactiviteiten hervatten.
(…)”
2.6. Op 28 augustus 2025 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst(en) opgezegd met ingang van 31 oktober 2025.
2.7. Op 31 oktober 2025 hebben werkgever en werknemer een overeenkomst in de Portugese taal met elkaar gesloten met opschrift Revogação do Contrato de Trabalho por Mútuo Acordo das Partes (Beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg). Deze overeenkomst wordt hierna de beëindigingsovereenkomst genoemd. In clausule 3 ‘(kwijting)’ van deze overeenkomst verklaart werknemer – vertaald en verkort weergegeven – niets meer van werkgever te vorderen te hebben.
3. Het verzoek en het verweer
3.1. Werknemer verzoekt:
a. aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 10.000,00, althans een vergoeding naar Portugees recht van € 9.470,66,
b. aan hem een transitievergoeding toe te kennen van € 5.674,11 bruto;
c. werkgever te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten die werknemer heeft gemaakt, ter hoogte van de eigen bijdrage voor zijn toevoeging.
3.2. Werknemer stelt zich op het standpunt dat op de arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is. Volgens werknemer is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd nu hij niet met de opzegging heeft ingestemd en het UWV hiervoor ook geen toestemming heeft verleend. Met deze onrechtmatige opzegging heeft werkgever verwijtbaar gehandeld en komt aan werknemer een billijke vergoeding toe. Omdat werknemer heeft berust in de opzegging is de arbeidsovereenkomst geëindigd zodat hij ook recht heeft op een transitievergoeding. Werknemer stelt verder dat hij in de beëindigingsovereenkomst geen afstand heeft gedaan van de billijke vergoeding, de transitievergoeding of een vergoeding naar Portugees recht. Hij wist niet dat hij daar recht op zou hebben. Dan kan niet worden aangenomen dat hij ondubbelzinnig en welbewust afstand van het recht op deze vergoedingen heeft gedaan, althans is een beroep daarop door werkgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.3. Werkgever voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens haar is het Portugese recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing en heeft zij de arbeidsovereenkomst conform het Portugese recht rechtsgeldig opgezegd. Verder stelt zij dat werknemer niet in zijn verzoek kan worden ontvangen, dan wel dat dit moet worden afgewezen, nu hij in de beëindigingsovereenkomst finale kwijting heeft verleend.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
4.1. Nu werknemer woonachtig is in Portugal en ook werkgever (statutair) gevestigd is in Portugal heeft het verzoek een grensoverschrijdend karakter. De kantonrechter moet eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het geschil kennis te nemen. Op het geschil is Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) van toepassing. Nu werkgever in de procedure is verschenen zonder zich op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter te beroepen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 26 Brussel I bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Werkgever heeft ook geen verweer gevoerd tegen de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te Middelburg maar omdat het verzoek ziet op een arbeidsovereenkomst moet de kantonrechter deze relatieve bevoegdheid ambtshalve toetsen. In individuele arbeidszaken is stilzwijgende forumkeuze mogelijk indien de vordering of het verzoek door de werknemer is ingesteld. De kantonrechter is daarom ook relatief bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
toepasselijk recht; het juridisch kader
4.2. Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht op de arbeidsovereenkomst van werknemer van toepassing is. Hierover verschillen partijen van mening. In artikel 8 lid 1, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) is bepaald dat een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen overeenkomstig artikel 3 Rome I hebben gekozen. Een rechtskeuze kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden gedaan. In dat laatste geval moet de rechtskeuze duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. De tweede zin van artikel 8 lid 1 Rome I bepaalt verder dat een rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de werknemer de bescherming verliest die hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel van toepassing zou zijn geweest zonder rechtskeuze (het objectief toepasselijk recht).
rechtskeuze
4.3. In dit geval hebben partijen geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt en verschillen zij van mening over de stilzwijgende rechtskeuze. De kantonrechter overweegt in dit kader het volgende. De stilzwijgende rechtskeuze moet met een zekere terughoudendheid worden aanvaard. Voor aanname van een stilzwijgende rechtskeuze moet ondubbelzinnig blijken dat partijen daadwerkelijk hebben gewild die keuze tot stand te brengen. Uit bepaalde verklaringen of gedragingen moet in de context van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst dus blijken dat partijen eenduidig voor een bepaald recht hebben gekozen.
4.4. De kantonrechter oordeelt dat deze stilzwijgende rechtskeuze in dit geval blijkt uit het feit dat in de arbeidsovereenkomst verwezen wordt naar artikelen uit de Portugese wet waarbij – zoals werkgever terecht heeft aangevoerd – bovendien is gekozen voor een specifieke contractsvorm die is geregeld in het Portugese arbeidswetboek. Werknemer heeft daartegenover aangevoerd dat in een aantal artikelen van de arbeidsovereenkomst het Nederlandse recht van toepassing wordt verklaard maar dit ziet op bijzonder dwingend recht zoals bedoeld in artikel 9 Rome I. Dit zijn regels die een zodanig dwingend karakter hebben dat ze toegepast moeten worden, ongeacht het recht dat op de overeenkomst van toepassing is. Dat in de overeenkomst op bepaalde onderwerpen het Nederlandse recht van toepassing wordt verklaard, betekent dus niet dat partijen daarmee ook hebben gewild het Nederlandse recht op de gehele overeenkomst van toepassing te laten zijn.
objectief toepasselijk recht
4.5. Om te kunnen beoordelen of werknemer door de keuze voor het Portugese recht bescherming van dwingende bepalingen uit het objectief toepasselijke recht verliest, moet eerst worden beoordeeld wat het objectief toepasselijke recht is. Uit het tweede lid van artikel 8 Rome I volgt dat dit het recht is van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt echter niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
4.6. Vast staat dat werknemer zijn werkzaamheden in het kader van de arbeidsovereenkomst heeft verricht in Nederland. Volgens werkgever waren dit echter tijdelijke werkzaamheden en was het de bedoeling dat werknemer na afronding van die werkzaamheden zou terugkeren naar Portugal. In de visie van werkgever is Nederland door deze tijdelijke tewerkstelling niet het gewoonlijk werkland geworden van werknemer. Werknemer heeft dit weersproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij uitsluitend voor het project in Nederland is aangeworven. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze eindigt op het moment dat het project eindigt. Uit de overeenkomst volgt volgens werknemer niet dat van hem werd verwacht dat hij na het einde van het project weer in Portugal zou gaan werken. Volgens werknemer is er dus geen sprake van tijdelijke werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 Rome I.
4.7. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet. In overweging 36 van Rome I staat dat het verrichten van werk in een ander land als tijdelijk wordt aangemerkt, als van de werknemer wordt verwacht dat hij na voltooiing van zijn taak in het buitenland opnieuw in het land van herkomst gaat werken. De kantonrechter oordeelt dat hiervoor niet is vereist dat werknemer dat werk voor dezelfde werkgever gaat verrichten. Ook indien werknemer voorafgaand aan de terbeschikkingstelling in Portugal werkte bij een andere werkgever en/of dat de verwachting is dat hij na afloop van de ter beschikkingstelling naar Portugal terugkeert om in dienst te treden bij een andere werkgever, kan dit tot de conclusie leiden dat het werk in Nederland tijdelijk was.
4.8. Anders dan werknemer betoogt, volgt uit de (vertaling van de) arbeidsovereenkomst wel dat het de bedoeling was van partijen dat werknemer na afloop van de detachering zou terugkeren naar zijn land van herkomst om daar zijn beroepsactiviteiten te hervatten (artikel 7 en 10 van het addendum). Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat partijen ook hebben gehandeld overeenkomstig deze bedoeling. Zo is onweersproken gebleven dat werknemer gedurende de looptijd van zijn arbeidsovereenkomst fiscaal inwoner van Portugal is gebleven, dat werkgever een ‘home-leave’ vergoeding heeft betaald, dat werkgever een PD U1 verklaring heeft aangevraagd bij het UWV voor werknemer, dat werknemer na afloop van het contract naar Portugal is teruggekeerd en dat hij in dat land (met behulp van de PD U1 verklaring) een WW-uitkering heeft aangevraagd. Daarbij komt dat als onweersproken vaststaat dat werkgever een melding heeft gemaakt van tijdelijke tewerkstelling in Nederland op grond van artikel 8 lid 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (hierna te noemen: WagwEU). De WagwEu is alleen van toepassing op werknemers die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verrichten in Nederland en niet gewoonlijk in of vanuit Nederland arbeid verrichten.
4.9. Uit deze omstandigheden kan worden afgeleid dat de werkzaamheden van werknemer in Nederland tijdelijk van aard waren zodat Nederland niet het gewoonlijk werkland van werknemer is geworden. Portugal dient als het gewone werkland te worden aangemerkt.
4.10. Werknemer heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die met zich brengen dat de arbeidsovereenkomst desondanks een nauwere band heeft met Nederland zodat op grond van artikel 8 lid 4 Rome I toch het Nederlandse recht het objectief toepasselijke recht zou zijn.
4.11. Dit betekent dat het Portugese recht – naast het gekozen recht – ook het objectief toepasselijke recht is. Werknemer geniet daardoor niet de bescherming van in het Nederlandse recht neergelegde dwingende regels op grond van artikel 8 Rome I.
bepalingen van bijzonder dwingend recht
4.12. De kantonrechter moet vervolgens beoordelen of er bepalingen van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 Rome I van toepassing zijn. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van openbare belangen, dat deze moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer van dat land valt, ongeacht welk recht van toepassing is op de overeenkomst op grond van de verwijzingsregels uit Rome I.
4.13. Bepalingen van bijzonder dwingend recht moeten worden onderscheiden van dwingende bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken. Bepalingen van bijzonder dwingend recht kunnen het recht dat ingevolge de verwijzingsregels de overeenkomst beheerst, doorbreken. Er is een aantal Nederlandse arbeidsrechtelijke voorrangsregels, waarvan de regels uit de WagwEU en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet AVV) van belang zijn voor de beoordeling van het verzoek van werknemer.
4.14. In artikel 2 lid 1 WagwEU is een aantal bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaard op gedetacheerde werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door ander recht dan het Nederlandse recht. In lid 2 is vervolgens bepaald dat wanneer een detachering meer dan twaalf maanden bedraagt, op de gedetacheerde werknemer vanaf de dertiende maand alle wettelijke arbeidsvoorwaarden en
-omstandigheden van toepassing zijn, met uitzondering van procedures, formaliteiten en voorwaarden van de sluiting en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
beëindigingsovereenkomst
4.15. Ook hierop is Portugees recht van toepassing, zijnde het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden (artikel 4 Rome I). Werkgever is gevestigd in Portugal en ook werknemer woont daar. In de overeenkomst hebben partijen geen rechtskeuze gedaan. Verder geldt dat zij in deze overeenkomst tot een beëindiging komen van de arbeidsovereenkomst, waarover hiervoor is geoordeeld dat daarop Portugees recht van toepassing is. Het ligt dan in de rede dat gelet op de samenhang tussen deze twee overeenkomsten hierop hetzelfde nationale recht van toepassing is.
4.16. In clausule 3 van de beëindigingsovereenkomst heeft werknemer aan werkgever finale kwijting verleend. Daarmee heeft hij afgezien van mogelijke vorderingen uit hoofde van (de beëindiging van) de arbeidsovereenkomst. De rechtsgeldigheid van de beëindigingsovereenkomst staat in deze procedure niet ter discussie, zodat partijen aan de afspraken die daarin zijn gemaakt jegens elkaar zijn gebonden. De vraag of werknemer wel afstand kan doen van rechten waarvan hij het bestaan niet kende, ligt daarmee hier niet voor. De stelling van werknemer dat het naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is hem aan de finale kwijtingsclausule te houden, kan hem evenmin baten. Werknemer heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat werkgever, door werknemer te houden aan de finale kwijtingsclausule, de grenzen overschrijdt, die haar worden opgelegd door de goede trouw, de goede zeden of het sociale of economische doel van haar recht.
4.17. Uit het voorgaande volgt dat werknemer werkgever finale kwijting heeft verleend en werkgever werknemer daaraan mag houden. De verzochte billijke vergoeding, transitievergoeding of vergoeding naar Portugees recht moeten alleen al daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de verzochte vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
proceskosten
4.18. De kantonrechter oordeelt in de omstandigheden van het geval voldoende redenen aanwezig om ieder van partijen de eigen proceskosten te laten dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1. wijst het verzoek af,
5.2. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11015, r.o. 2.13 en 2.14.