Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6838

2026-07-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht BRE 25/6289
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/6289
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering vanwege schending inlichtingenplicht. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.891 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/6289 PW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),


en


het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (PW) voor de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 juli 2025 vanwege het schenden van de inlichtingenplicht. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Orionis heeft met het besluit van 2 september 2025 (primair besluit) eisers recht op bijstand over de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 juli 2025 herzien en het ten onrechte verstrekte bedrag van € 7.384,79 teruggevorderd.



2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 22 oktober 2025 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar ongegrond verklaard.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Orionis heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens Orionis [gemachtigde] .




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser heeft een bijstandsuitkering op grond van de PW ontvangen. De sociale recherche heeft onderzoek gedaan naar eisers recht op bijstand over de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 juli 2025. In het rapport van de sociale recherche is geconcludeerd dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres, [adres] te [plaats] , en dat hij in de betreffende periode op geld waardeerbare arbeid heeft verricht bij een restaurant.

4. Orionis heeft het recht op bijstand herzien en het te veel uitbetaalde bedrag aan bijstand teruggevorderd, omdat eiser niet heeft gemeld dat hij niet langer woonachtig was op het adres [adres] in [plaats] en dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hiermee heeft hij verzuimd (tijdig) informatie te verstrekken die van belang is voor het recht op bijstand. Eiser heeft vervolgens desgevraagd geen informatie verstrekt, waardoor Orionis het recht op bijstand niet kan vaststellen.



Was Orionis bevoegd om het recht op bijstand in te trekken en het bedrag terug te vorderen?



5. Niet in geschil is dat eiser in de periode van 24 januari tot en met 9 juli 2025 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en niet verbleef op het door hem opgegeven adres, en dat hij hiermee de inlichtingenplicht heeft geschonden.


5.1.
Vanwege het schenden van de inlichtingenplicht heeft Orionis het recht op bijstand niet kunnen vaststellen en heeft eiser ten onrechte bijstand ontvangen. Op grond van artikel 54, derde lid, van de PW was Orionis dan ook verplicht om het recht op bijstand te herzien. Ook was Orionis gehouden om op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW de bijstand terug te vorderen.



5.2.
In het achtste lid van dit artikel is bepaald dat Orionis kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij enkel een beroep doet op artikel 58, achtste lid, van de PW. Deze bevoegdheid ziet toe op het besluit tot terugvordering van de bijstand.



Heeft Orionis terecht geen aanleiding gezien voor dringende redenen om van terugvordering van de bijstand af te zien?




6. Eiser betoogt dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor de Nederlandse tak van de Kosovo Force-missie in Kosovo in de periode van 1999 tot 2001 last kreeg van oorlogsherinneringen. Hij heeft nachtmerries en slaapt slecht. Momenteel wordt eiser therapeutisch behandeld door een GGZ-praktijkondersteuner. Eiser stelt zich op het standpunt dat Orionis de oorzaak van de herziening en terugvordering niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiser verwijst naar de nieuwe lijn van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) sinds april 2024, waarmee intensiever wordt getoetst of sprake is van dringende redenen om van herziening en terugvordering af te zien.




6.1.
De rechtbank stelt voorop dat een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Een betrokkene moet feiten en omstandigheden aanvoeren die maken dat – volgens hem – sprake is van dringende redenen, waarbij wat wordt aangevoerd ruim moet worden uitgelegd. Het bestuursorgaan doet zo nodig nader onderzoek daarnaar.



6.2.
Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Eiser is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Een concrete onderbouwing ontbreekt namelijk. De rechtbank oordeelt dat Orionis in wat eiser heeft aangevoerd over zijn psychische klachten geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het is begrijpelijk dat eiser psychische problemen heeft door oorlogsherinneringen en het is goed dat hij hiervoor een behandeltraject volgt, maar dit doet niet af aan het feit dat eiser was gehouden om de (gewijzigde) omstandigheden uit eigen beweging bij Orionis te melden. Uit het dossier blijkt niet dat eiser door zijn trauma’s niet in staat was om aan de inlichtingenplicht te voldoen. Ter zitting heeft hij dit ook niet kunnen onderbouwen. Met de ter zitting ingenomen stelling dat medische informatie is overgelegd waarop Orionis niet heeft gereageerd en dat daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, miskent eiser de bewijslastverdeling nu hij heeft nagelaten een causaal verband tussen zijn klachten en het schenden van de inlichtingenplicht te onderbouwen. Overigens heeft eiser die informatie eerst in beroep overgelegd.



6.3.
Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De afweging die Orionis heeft gemaakt, waarbij Orionis het belang om gemeenschapsgeld zorgvuldig te besteden heeft laten prevaleren boven het belang van eiser, kan naar het oordeel van de rechtbank een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan.



6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis voldoende gemotiveerd dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering van de bijstand. Van strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel of motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.





Zie de uitspraken van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 en van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.


Zie de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:518.