Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6832

2026-07-15 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12238943 VV EXPL 26-42 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12238943 VV EXPL 26-42 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van loon in kort geding wordt bij verstek toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.715 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: 12238943 \ VV EXPL 26-42




Vonnis in kort geding van 15 juli 2026




in de zaak van





[werknemer]
,
wonende in [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: mr. P.K.B. Palazzi, jurist bij FNV,



tegen




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
niet verschenen.






1De zaak in het kort



[werknemer] is bij [werkgever] in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst en heeft na zijn ziekmelding bij [werkgever] geen loon meer ontvangen. [werknemer] vordert dat [werkgever] hem oproept voor een bezoek bij de bedrijfsarts, zijn arbeidsovereenkomst afgeeft en loon betaalt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [werknemer] bij verstek toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2026 met producties 1 tot en met 5;
- de door [werknemer] toegestuurde aanvullende productie 6;- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.









3De feiten


3.1.
Op 1 oktober 2024 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden als chauffeur tegen een loon van laatstelijk € 3.520,40 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.



3.2.
Op de gesloten arbeidsovereenkomst is de Cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur van mobiele kranen van toepassing verklaard.



3.3.
Op 3 februari 2026 heeft [werknemer] zich telefonisch ziek gemeld bij [werkgever].



3.4.

[werknemer] en zijn gemachtigde hebben [werkgever] aangemaand tot betaling van achterstallig loon. Daarbij is [werkgever] ook verzocht om de overeengekomen arbeidsovereenkomst aan [werknemer] te verstrekken. [werkgever] is daartoe niet overgegaan.





4Het geschil


4.1.


[werknemer] vordert – samengevat – dat [werkgever] wordt veroordeeld om:
I. hem binnen 48 uur na het te wijzen vonnis op te roepen tot het bezoeken van een bedrijfsarts, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke week of deel daarvan dat [werkgever] binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;
II. aan hem de arbeidsovereenkomst af te geven, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke week of deel daarvan dat [werkgever] binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;
III. aan hem te betalen het loon over de maanden februari, maart en april 2026 ten bedrage van € 8.952,28 netto;
IV. aan hem te betalen het loon van € 3.520,40 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en alle overige emolumenten vanaf mei 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
V. aan hem te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) van 50% over de hiervoor genoemde posten;
VI. aan hem te betalen een bedrag van € 880,61 aan buitengerechtelijke incassokosten;
VII. aan hem te betalen de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;
VIII. de kosten van de procedure te betalen.




4.2.

[werknemer] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Vanwege ziekte dient [werkgever] [werknemer] op te roepen bij de bedrijfsarts ter beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid. Daarnaast beschikt [werknemer] niet over de arbeidsovereenkomst, zodat [werkgever] deze dient te verstrekken. [werkgever] heeft verder het loon van [werknemer] vanaf februari 2026 ten onrechte niet betaald. [werknemer] heeft [werkgever] voorafgaand aan de procedure gesommeerd om buiten rechte tot afdoening van de zaak te komen, maar [werkgever] heeft hier niet aan voldaan. [werknemer] heeft daarom aanspraak op een bedrag van € 880,61 aan buitengerechtelijke incassokosten.









5De beoordeling



Verstek




5.1.

[werkgever] is niet verschenen. Omdat uit de dagvaarding blijkt dat [werkgever] behoorlijk is opgeroepen en de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, zal tegen [werkgever] verstek worden verleend.



Spoedeisend belang





5.2.
Een eis in kort geding kan worden behandeld als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Uit de aard van de vorderingen van [werknemer] (waaronder een loonvordering) blijkt voldoende dat er sprake is van een spoedeisend belang. [werknemer] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.



Oproepen tot bezoeken bedrijfsarts





5.3.
De vordering van [werknemer] dat [werkgever] hem dient op te roepen bij een bedrijfsarts zal worden toegewezen op straffe van een dwangsom van € 250,- per week of deel daarvan. De gevorderde dwangsom zal daarbij worden gemaximeerd tot € 5.000,00.



Afgeven arbeidsovereenkomst





5.4.


[werknemer] heeft onweersproken gesteld dat er een arbeidsovereenkomst is opgemaakt en vordert afgifte van die arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 250,- per week of deel daarvan. Deze vordering zal ingevolge artikel 7:655 BW worden toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot € 2.500,00.

Loonvorderingen





5.5.

[werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij zich op 3 februari 2026 bij [werkgever] heeft ziek gemeld, dat hij tijdens ziekte recht heeft op doorbetaling van 100% van het loon en [werkgever] ten onrechte niet is overgegaan tot doorbetaling van loon. Doorbetaling van 100% loon tijdens ziekte wordt ook vermeld op de door [werkgever] verstrekte loonstroken van maart en april 2026 (overgelegd als productie 1). Dit betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat [werknemer] recht heeft op 100% doorbetaling van het loon tijdens ziekte en dat [werkgever] ten onrechte het gevorderde loon vanaf februari 2026 niet heeft uitbetaald aan [werknemer]. De vordering tot betaling van € 8.952,28 netto aan loon over de maanden februari, maart en april 2026 (zoals vermeld is op de als productie 1 overgelegde loonstroken van die maanden) zal daarom worden toegewezen. Daarnaast zal het gevorderde loon van € 3.520,40 bruto per maand vanaf mei 2026 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eventueel rechtsgeldig is geëindigd worden toegewezen.



Wettelijke verhoging





5.6.

Omdat [werkgever] het loon niet tijdig heeft betaald, is [werkgever] hierover de wettelijke verhoging van maximaal 50% verschuldigd als bedoeld in artikel 7:625 BW. De wettelijke verhoging is toewijsbaar over de maanden februari 2026 tot en met juni 2026. Voor toewijzing van de wettelijke verhoging over toekomstig loon vanaf juli 2026 bestaat in het kader van dit kort geding geen aanleiding, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten





5.7.

[werknemer] vordert een bedrag van € 880,61 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze gevorderde kosten worden toegewezen omdat aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan.



Wettelijke rente





5.8.
De gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is toewijsbaar over het loon en de wettelijke verhoging vanaf de data van opeisbaarheid. Omdat [werknemer] niet heeft gesteld dat hij de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft betaald, zal de gevorderde rente daarover worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding (2 juni 2026).



Proceskosten





5.9.

[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


155,67







- griffierecht


€


265,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.141,67













6De beslissing


De kantonrechter



6.1.
veroordeelt [werkgever] om [werknemer] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op te roepen tot het bezoeken van een bedrijfsarts, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke week of deel daarvan dat [werkgever] binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen, dit met een maximum van € 5.000,00,



6.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de arbeidsovereenkomst af te geven, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke week of deel daarvan dat [werkgever] binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen, dit met een maximum van € 2.500,00,



6.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
I. het loon over de maanden februari, maart en april 2026 van € 8.952,28 netto,
II. het loon van € 3.520,40 bruto per maand vanaf mei 2026, te vermeerderen met de vakantiebijslag op het moment dat dit opeisbaar is, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd,
III. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 50% over de maanden februari 2026 tot en met juni 2026,
IV. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de vorderingen I tot en met III vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
V. een bedrag van € 880,61 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 2 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,



6.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.141,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.