Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6823
2026-07-24
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/3408
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
KINDER. Deze uitspraak gaat over de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2014 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Citeert (11)
- ECLI:NL:RVS:2022:1440 Raad van State 18-05-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4265 Rechtbank Midden-Nederland 23-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:918 Raad van State 18-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:918 Raad van State 18-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2009:BJ1093 Raad van State 01-07-2009
- ECLI:NL:RVS:2017:829 Raad van State 29-03-2017
- ECLI:NL:RVS:2018:2514 Raad van State 25-07-2018
- ECLI:NL:RVS:2017:829 Raad van State 29-03-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:2707 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-04-2017
- ECLI:NL:RVS:2018:713 Raad van State 28-02-2018
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.341 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3408 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2014 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover in het bestreden besluit van 27 mei 2025 geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over het toeslagjaar 2016. Het beroep is voor het overige ongegrond. Eiseres krijgt dus inhoudelijk gezien geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en onder 3 staat een verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage. De gronden van eiseres staan onder 4. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen; (onder 5) hoe verhouden de beslissingen op bezwaar van 27 mei 2025 en 17 juni 2026 zich tot elkaar, (onder 6) is de zienswijzefase juist doorlopen en (onder 7) heeft eiseres recht op meer compensatie dan de Dienst Toeslagen heeft toegekend? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres is afkomstig uit Sierra Leone en in 2002 Nederland binnengekomen. Zij heeft een zoon en een dochter. In september 2012 heeft eiseres kinderopvangtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over meerdere jaren (voorschotten) kinderopvangtoeslag toegekend.
2.1.
Eiseres had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2014 de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning afgewezen en het bezwaar van eiseres hiertegen bij besluit van 28 augustus 2014 ongegrond verklaard. Het daartegen ingediende beroep en vervolgens hoger beroep zijn beide ongegrond verklaard. In oktober 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Kinderpardonregeling. In 2016 heeft zij een verblijfstitel verkregen.
2.2.
Eiseres heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2.3.
Met de vooraankondigingen compensatie kinderopvangtoeslag van 16 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres medegedeeld dat zij recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2013 en 2014 en dat het voorlopig compensatiebedrag is vastgesteld op € 17.605,-. Zij krijgt daarom het minimale bedrag van € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.
2.4.
Met dagtekening 26 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen vier besluiten genomen, namelijk:
het besluit met [kenmerk 1] (primair besluit I) over toekenning van compensatie vanwege vooringenomen handelen over het toeslagjaar 2013 en januari tot en met 27 augustus 2014, het definitieve compensatiebedrag blijft € 30.000,-;
het besluit met [kenmerk 2] (primair besluit II) over toekenning van compensatie vanwege hardheid over de periode van 28 augustus tot en met 31 december 2014, het definitieve compensatiebedrag blijft € 30.000,-;
het besluit met [kenmerk 3] (primair besluit III) over afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2015, omdat geen sprake is van vooringenomen handelen, noch van hardheid of onterechte Opzet/Grove Schuld (O/GS)-kwalificatie;
het besluit met [kenmerk 4] (primair besluit IV) eveneens over afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2015.
2.5.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
2.5.
Met het besluit van 27 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en wel in die zin dat wijzigingen zijn doorgevoerd in de berekening van het compensatiebedrag over de jaren 2013 en 2014 ten aanzien van de componenten materiële schade, immateriële schade, toeslagrente en aanvullende schadevergoeding (1%). Uit de berekening volgt een nieuw schadebedrag van € 24.597,-. Omdat eiseres al € 30.000,- heeft ontvangen, betekent dit dat eiseres geen nabetaling ontvangt. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Het toeslagjaar 2016 is volgens Dienst Toeslagen terecht niet meegenomen in de beoordeling, maar zal nog afzonderlijk worden beoordeeld. Ook is een vergoeding in de proceskosten toegekend.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.7.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Met het besluit van 17 juni 2026 (bestreden besluit II) heeft de Dienst Toeslagen aanvullend beslist over de herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019. Uit deze herbeoordeling is gevolgd dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016, 2017 en 2019, maar wel voor het toeslagjaar 2018. De berekening van de compensatie leidt tot een totaalbedrag van € 33.993,-, wat resulteert in een nabetaling van € 3.993,-.
2.9.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II gronden ingediend.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [vertegenwoordiger] namens de Dienst Toeslagen.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres voert in beroep aan dat in het bestreden besluit I ten onrechte de herbeoordeling over het toeslagjaar 2016 ontbreekt. Ook heeft de Dienst Toeslagen nagelaten de zienswijzefase te doorlopen. Eiseres is hierdoor benadeeld, omdat zij genoodzaakt was bezwaar te maken. Ten aanzien van bestreden besluit II voert eiseres aan dat geen sprake is van een aanvullende beslissing op bezwaar, maar van een herroepen beslissing op bezwaar. Tevens stelt eiseres dat in de compensatieberekening over het toeslagjaar 2014 uitgegaan is van een onjuist bedrag in component B, namelijk € 6.470,- in plaats van € 9.864,-. Daarnaast is eiseres van mening dat zij recht heeft op compensatie vanwege hardheid over de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016. Voor andere toeslagen speelde volgens eiseres hetzelfde feitencomplex en heeft zij ook niet gekregen waar ze recht op had.
Beoordeling door de rechtbank
De bestreden besluiten I en II
5. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit I ten onrechte een herbeoordeling over het jaar 2016 ontbreekt. Ook is het bestreden besluit II volgens eiseres geen aanvullende beslissing op bezwaar, maar een herroepen beslissing op bezwaar.
5.1.
De Dienst Toeslagen erkent in het verweerschrift dat in het bestreden besluit I ten onrechte het toeslagjaar 2016 niet is meegenomen, dat het beroep in zoverre gegrond is en dat eiseres recht heeft op vergoeding van haar proceskosten in beroep en het betaalde griffierecht.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015 en het niet meenemen van toeslagjaar 2016. Het bestreden besluit II ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019. Het bestreden besluit II is daarmee een herroeping van het bestreden besluit I voor zover daarin het toeslagjaar 2016 niet is meegenomen. Voor het overige is bestreden besluit II een aanvullende beslissing op bezwaar, omdat daarin een herbeoordeling heeft plaatsgevonden over andere toeslagjaren. Het beroep tegen bestreden besluit I is daarom mede gericht tegen het bestreden besluit II.
Heeft de Dienst Toeslagen de zienswijzefase juist doorlopen?
6. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen nagelaten de zienswijzefase te
doorlopen. Hierdoor was eiseres genoodzaakt bezwaar te maken. Zij is hierdoor benadeeld, omdat met de zienswijze een bezwaarprocedure voorkomen had kunnen worden en dat de duur van de procedure dan korter was geweest. Dit gebrek kan volgens eiseres niet gepasseerd worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiseres vooraankondigingen zijn verzonden, waarin de gelegenheid is geboden om te reageren. De Dienst Toeslagen heeft in bestreden besluit I erkend dat sprake was van een procedureel gebrek. Het bezwaardossier was namelijk niet met de vooraankondigingen toegestuurd, waardoor eiseres niet in de gelegenheid was een (inhoudelijke) zienswijze kenbaar te maken. Dit gebrek is in de bezwaarfase hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, maar is eiseres hierdoor niet in haar belangen geschaad. Zij had de mogelijkheid om haar standpunten in bezwaar en in beroep naar voren te brengen en Dienst Toeslagen heeft deze standpunten betrokken in de besluitvorming. Haar stelling dat de bezwaarprocedure voorkomen had kunnen worden, volgt de rechtbank niet. Eiseres is het immers nog altijd niet eens met het door de Dienst Toeslagen grotendeels gehandhaafde standpunt in zowel de primaire besluiten als de bestreden besluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Heeft eiseres recht op meer compensatie dan de Dienst Toeslagen heeft toegekend?
7. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
7.1.
In de bestreden besluiten I en II samen heeft een herbeoordeling plaatsgevonden over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. Eiseres heeft gronden aangevoerd die zien op de hoogte van het compensatiebedrag over het toeslagjaar 2014 en het recht op compensatie over de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016. De overige beoordeelde toeslagjaren behoeven daarom geen bespreking.
7.2.
De rechtbank komt daarnaast niet toe aan beoordeling van de grond van eiseres over andere toeslagen die zij niet zou hebben ontvangen, omdat de bestreden besluiten I en II uitsluitend zien op compensatie ten aanzien van kinderopvangtoeslag en dus niet over andere toeslagen.
Toeslagjaar 2012
7.3.
Eiseres stelt dat zij in september 2012 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, wat tijdig is om voor het gehele jaar, of in ieder geval met terugwerkende kracht voor drie maanden, kinderopvangtoeslag toe te kennen. Zij was verplicht om de kinderen naar de opvang te brengen en heeft daar het gehele jaar gebruik van gemaakt, zo blijkt ook uit de jaaropgave. Eiseres is van mening dat sprake is van vooringenomenheid of hardheid, dan wel dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
7.4.
De rechtbank stelt aan de hand van de stukken vast dat eiseres of iemand namens haar op 11 september 2012 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd per 16 september 2012 en op 26 september 2012 een wijziging van de ingangsdatum van de aanvraag naar 16 oktober 2012 heeft doorgegeven. Op basis van de gegevens in de aanvraag heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht kinderopvangtoeslag toegekend vanaf 16 oktober 2012 tot en met 31 december 2012. Dat eiseres wel het gehele jaar opvang heeft afgenomen, maakt niet dat per eerdere datum kinderopvangtoeslag is aangevraagd. De Belastingdienst/ Toeslagen heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet vooringenomen gehandeld.
7.5.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat geen sprake is van hardheid van het stelsel. Uit de stukken in het dossier blijkt namelijk niet dat over het toeslagjaar 2012 kinderopvangtoeslag is teruggevorderd.
7.6.
Eiseres heeft vervolgens een beroep gedaan op de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht. De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Uit recente rechtspraak van de Afdeling komt naar voren dat de hardheidsclausule toepasbaar is als een gedupeerde toeslagouder zich bevindt in een bijzondere en/of schrijnende situatie, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij moet het gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) de toepasselijke wettelijke bepalingen over compensatie en niet om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
7.7.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij in 2012 klem is komen zitten. Zij zat in de daklozenopvang en moest haar kinderen naar de opvang doen. Daarnaast had zij problemen met haar verblijfsstatus waardoor zij niet kon werken. Door dit alles heeft zij zelf het grootste deel van de kinderopvang in 2012 moeten betalen.
7.8.
De rechtbank acht invoelbaar dat de omstandigheden voor eiseres in 2012 erg zwaar waren. Deze omstandigheden kunnen echter niet aangemerkt worden als actuele omstandigheden zoals genoemd in de rechtspraak. Deze omstandigheden hebben zich immers voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok. Eiseres heeft geen andere omstandigheden gesteld waaruit opgemaakt kan worden dat er sprake is van een bijzondere of schrijnende situatie die samenhangt met (de gevolgen van) de toepasselijke wettelijke bepalingen ten aanzien van het niet toekennen van compensatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
7.9.
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geweigerd aan eiseres compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2012.
Toeslagjaar 2014
7.10.
Aan eiseres is compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2014. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de toegekende compensatie en met name over het bedrag in component B van de berekening. In dit toeslagjaar hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat bij de eerste neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag over de periode van 1 januari 2014 tot 28 augustus 2014 sprake was van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Die bijstelling heeft geleid tot een verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag van € 15.646,- naar € 9.864,-. De tweede neerwaartse bijstelling over de periode van 28 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 betreft een verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag van € 9.864,- naar € 6.470,-, met een daarop gevolgde terugvordering.
7.11.
De Dienst Toeslagen stelt in het verweerschrift dat voor component B terecht is uitgegaan van het bedrag van € 9.864,-, maar dat de eerdere motivering in het bestreden besluit I onjuist is. De tweede neerwaartse bijstelling naar € 6.470,- is in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit I staat volgens de Dienst Toeslagen niet het gevolg van hardheid, maar een reguliere correctie. Eiseres had namelijk vanaf 28 augustus 2014 geen geldige verblijfstitel meer en dus geen recht meer op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen verzoekt de rechtbank het gebrek in de motivering van bestreden besluit I te passeren met een beroep op artikel 6:22 van de Awb.
7.12.
Eiseres stelt dat in de compensatieberekening voor component B uitgegaan moet worden van het bedrag van € 6.470,-. Zij heeft ter zitting toegelicht dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in het verleden heel vaak verkeerde verblijfsstatuscodes heeft doorgegeven. Het had op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen om uit zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de besluitvorming ten aanzien van compensatie de verblijfsstatus van eiseres over het jaar 2014 te controleren. Eiseres had namelijk vanaf oktober 2014 weer een verblijfsstatus vanwege haar procedure in het kader van de Kinderpardonregeling en daarmee ook recht op kinderopvangtoeslag. Daarnaast doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel onder verwijzing naar de conclusie van Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2022:1440). De tweede neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag en de daaruit gevolgde terugvordering is volgens eiseres het gevolg van hardheid van het wettelijk systeem.
7.13.
De rechtbank overweegt dat degene die aanspraak wil maken op kinderopvangtoeslag aan een aantal voorwaarden moet voldoen. Een van deze voorwaarden is dat een vreemdeling een geldige verblijfstitel heeft en dus een rechtmatig verblijf in Nederland.
7.14.
Naar vaste rechtspraak van de Afdeling mag de Dienst Toeslagen (en mocht de Belastingdienst/Toeslagen in 2014) zich bij de beoordeling of er sprake is van rechtmatig verblijf baseren op de verblijfstitelcodes die door de IND zijn vastgelegd, omdat de IND namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de aangewezen instantie is om te beoordelen in hoeverre een vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. Indien een vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de aan hem toegekende verblijfstitelcode naar voren heeft gebracht, dient de Belastingdienst/Toeslagen nader onderzoek te doen naar de juistheid van die verblijfstitelcode.
7.15.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in de periode van 2014 tot en met 2016 heeft geprocedeerd over haar verblijfsstatus en de betekenis daarvan voor haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Uit deze uitspraken van de Afdeling volgt dat eiseres tot het besluit van 28 augustus 2014 rechtmatig verblijf had in Nederland. De Belastingdienst/Toeslagen is voor de periode na 28 augustus 2014 uitgegaan van de door de IND aangegeven verblijfscode 98 en heeft de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 september 2014 beëindigd. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat de IND in het verleden verkeerde verblijfsstatuscodes heeft doorgegeven, maar die enkele stelling kan zonder onderbouwde concrete aanknopingspunten voor twijfel niet worden gevolgd.
7.16.
Ook de stelling van eiseres dat zij vervolgens vanaf 3 oktober 2014 in afwachting van de beslissing op haar aanvraag om een verblijfsvergunning in het kader van de Kinderpardonregeling opnieuw rechtmatig verblijf had, kan haar niet baten. Er was immers een verblijfsgat tussen 28 augustus 2014 en 3 oktober 2014. Als zij vanaf 3 oktober 2014 weer aanspraak wilde maken op kinderopvangtoeslag, dan had het op haar weg gelegen om daartoe een aanvraag in te dienen. Hiervan is niet gebleken.
7.17.
Vervolgens beroept eiseres zich op het evenredigheidsbeginsel en stelt zij dat het beleid veel te hard is geweest, omdat er geen rekening is gehouden met haar mensenrechten. Met het weigeren van de kinderopvangtoeslag vanwege een gebrek aan status is ook geen doel bereikt. Eiseres heeft inmiddels al jarenlang een status en het doel van het koppelingsbeginsel is niet uithongeren en niets geven.
7.18.
Dit beroep kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank overweegt daartoe dat de Wht, de Awir en de Vreemdelingenwet 2000 wetten in formele zin zijn. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven als sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit rechtspraak volgt dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
7.19.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. Het is de bedoeling van de wetgever dat personen die niet beschikken over rechtmatig verblijf, geen aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Dat de financiële situatie van eiseres door het beëindigen van de toeslag is verslechterd, is een gevolg dat de wetgever heeft voorzien. De grond van eiseres slaagt niet.
7.20.
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 september 2014 terecht heeft aangemerkt als een reguliere wijziging, omdat op dat moment niet meer werd voldaan aan de basisvoorwaarden voor recht op kinderopvangtoeslag. Hieruit volgt dat geen sprake was van hardheid van het wettelijk systeem. De Dienst Toeslagen is bij de berekening van de compensatie over 2014 voor component B terecht uitgegaan van het bedrag van € 9.864,-. Hieruit volgt tevens dat eiseres niet wordt benadeeld in haar belangen door de wijziging in motivering op dit onderdeel. De rechtbank passeert daarom het motiveringsgebrek in het bestreden besluit I met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Toeslagjaren 2015 en 2016
7.21.
Eiseres stelt dat zij op grond van een gelijk samenstel van feiten als in 2014 recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2015 en 2016. Zij was verplicht haar kind naar de opvang te brengen en had rechtmatig verblijf hangende de aanvraag inzake de Kinderpardonregeling tot de beslissing op bezwaar (van 3 oktober 2014 tot 17 september 2015). In 2016 werd haar verblijfsrecht definitief erkend. Niet valt in te zien waarom eiseres wel compensatie heeft gekregen vanwege hardheid over de periode van 28 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 en niet over de toeslagjaren 2015 en 2016. Dat er in 2015 geen kinderopvangtoeslag is toegekend en later teruggevorderd, komt doordat de Belastingdienst/ Toeslagen de aanvraag heeft tegengehouden.
7.22.
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat het recht op kinderopvangtoeslag terecht is beëindigd per 1 september 2014 en dat niet gebleken is dat eiseres na 3 oktober 2014 een nieuwe aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Hierdoor is het recht op kinderopvangtoeslag ook niet automatisch doorgelopen voor de jaren 2015 en 2016.
7.23.
De Dienst Toeslagen heeft ter zitting erkend dat in 2015 een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ontvangen, maar dat deze is tegengehouden omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarde van een rechtsgeldig verblijf in Nederland om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Desondanks bevinden zich in het dossier van eiseres geen stukken waaruit blijkt dat zij in 2015 of 2016 een aanvraag heeft ingediend om kinderopvangtoeslag dan wel dat deze zou zijn afgewezen. Ook is niet gebleken dat sprake is van beschikkingen met toekenning, uitbetaling of terugvordering van kinderopvangtoeslag.
7.24.
Gelet op het voorgaande, kan eiseres over de toeslagjaren 2015 en 2016 geen schade hebben geleden als bedoeld in de voorwaarden van artikel 2.1 van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft op basis van de aanwezige stukken kunnen concluderen dat er over de jaren 2015 en 2016 geen sprake is geweest van vooringenomenheid door de Belastingdienst/ Toeslagen of van hardheid van het stelsel.
7.25.
Eiseres heeft ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2016 geen gronden aangevoerd die zien op de hardheidsclausule noch op haar actuele situatie ten tijde van de afwijzing van haar verzoek tot compensatie.
7.2.6
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geweigerd aan eiseres compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2015 en 2016.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank concludeert dat de gronden van eiseres niet leiden tot aanpassing van de door de Dienst Toeslagen verleende compensatie over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2018. Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat in de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016 sprake kan zijn geweest van institutionele vooringenomenheid door de Dienst Toeslagen of van hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I van 27 mei 2025 is gegrond, voor zover daarin geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over toeslagjaar 2016. Voor het overige is het beroep ongegrond. Het bestreden besluit I blijft, afgezien van de vaststelling dat daarin het toeslagjaar 2016 ten onrechte niet is herbeoordeeld, voor het overige in stand. Ook het aanvullend bestreden besluit II van 17 juni 2026 blijft, onder verbetering van de motivering over het toeslagjaar 2014, in stand.
8.1.
Omdat het bestreden besluit I niet volledig was en is aangevuld met het bestreden besluit II en mede vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ten aanzien van de gewijzigde motivering, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
8.2.
De Dienst Toeslagen moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), de gronden aangevuld naar aanleiding van het bestreden besluit II (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voorzover in het bestreden besluit I geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over toeslagjaar 2016;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 9, eerste lid
Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8 (voor zover van toepassing)
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven tot dat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
Artikel 10, eerste lid
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
Artikel 9.1, eerste lid
De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
Stcrt. 2021, 14691.
Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4265 en vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:918, r.o. 9.1.
ECLI:NL:RVS:2026:918
Dit volgt uit de artikelen 8 en 10 van de Vreemdelingenwet 2000 gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
Zie onder andere ECLI:NL:RVS:2009:BJ1093, ECLI:NL:RVS:2017:829
ECLI:NL:RVS:2018:2514
ECLI:NL:RVS:2017:829, ECLI:NL:RBZWB:2017:2707 en ECLI:NL:RVS:2018:713.
ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECCLI:NL:RVS:2023:852.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3408 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
de Dienst Toeslagen (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2014 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover in het bestreden besluit van 27 mei 2025 geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over het toeslagjaar 2016. Het beroep is voor het overige ongegrond. Eiseres krijgt dus inhoudelijk gezien geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en onder 3 staat een verwijzing naar het wettelijk kader in de bijlage. De gronden van eiseres staan onder 4. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen; (onder 5) hoe verhouden de beslissingen op bezwaar van 27 mei 2025 en 17 juni 2026 zich tot elkaar, (onder 6) is de zienswijzefase juist doorlopen en (onder 7) heeft eiseres recht op meer compensatie dan de Dienst Toeslagen heeft toegekend? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres is afkomstig uit Sierra Leone en in 2002 Nederland binnengekomen. Zij heeft een zoon en een dochter. In september 2012 heeft eiseres kinderopvangtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over meerdere jaren (voorschotten) kinderopvangtoeslag toegekend.
2.1.
Eiseres had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2014 de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning afgewezen en het bezwaar van eiseres hiertegen bij besluit van 28 augustus 2014 ongegrond verklaard. Het daartegen ingediende beroep en vervolgens hoger beroep zijn beide ongegrond verklaard. In oktober 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Kinderpardonregeling. In 2016 heeft zij een verblijfstitel verkregen.
2.2.
Eiseres heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2.3.
Met de vooraankondigingen compensatie kinderopvangtoeslag van 16 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres medegedeeld dat zij recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2013 en 2014 en dat het voorlopig compensatiebedrag is vastgesteld op € 17.605,-. Zij krijgt daarom het minimale bedrag van € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.
2.4.
Met dagtekening 26 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen vier besluiten genomen, namelijk:
het besluit met [kenmerk 1] (primair besluit I) over toekenning van compensatie vanwege vooringenomen handelen over het toeslagjaar 2013 en januari tot en met 27 augustus 2014, het definitieve compensatiebedrag blijft € 30.000,-;
het besluit met [kenmerk 2] (primair besluit II) over toekenning van compensatie vanwege hardheid over de periode van 28 augustus tot en met 31 december 2014, het definitieve compensatiebedrag blijft € 30.000,-;
het besluit met [kenmerk 3] (primair besluit III) over afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2015, omdat geen sprake is van vooringenomen handelen, noch van hardheid of onterechte Opzet/Grove Schuld (O/GS)-kwalificatie;
het besluit met [kenmerk 4] (primair besluit IV) eveneens over afwijzing van compensatie over het toeslagjaar 2015.
2.5.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
2.5.
Met het besluit van 27 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en wel in die zin dat wijzigingen zijn doorgevoerd in de berekening van het compensatiebedrag over de jaren 2013 en 2014 ten aanzien van de componenten materiële schade, immateriële schade, toeslagrente en aanvullende schadevergoeding (1%). Uit de berekening volgt een nieuw schadebedrag van € 24.597,-. Omdat eiseres al € 30.000,- heeft ontvangen, betekent dit dat eiseres geen nabetaling ontvangt. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Het toeslagjaar 2016 is volgens Dienst Toeslagen terecht niet meegenomen in de beoordeling, maar zal nog afzonderlijk worden beoordeeld. Ook is een vergoeding in de proceskosten toegekend.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.7.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Met het besluit van 17 juni 2026 (bestreden besluit II) heeft de Dienst Toeslagen aanvullend beslist over de herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019. Uit deze herbeoordeling is gevolgd dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016, 2017 en 2019, maar wel voor het toeslagjaar 2018. De berekening van de compensatie leidt tot een totaalbedrag van € 33.993,-, wat resulteert in een nabetaling van € 3.993,-.
2.9.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II gronden ingediend.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [vertegenwoordiger] namens de Dienst Toeslagen.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres voert in beroep aan dat in het bestreden besluit I ten onrechte de herbeoordeling over het toeslagjaar 2016 ontbreekt. Ook heeft de Dienst Toeslagen nagelaten de zienswijzefase te doorlopen. Eiseres is hierdoor benadeeld, omdat zij genoodzaakt was bezwaar te maken. Ten aanzien van bestreden besluit II voert eiseres aan dat geen sprake is van een aanvullende beslissing op bezwaar, maar van een herroepen beslissing op bezwaar. Tevens stelt eiseres dat in de compensatieberekening over het toeslagjaar 2014 uitgegaan is van een onjuist bedrag in component B, namelijk € 6.470,- in plaats van € 9.864,-. Daarnaast is eiseres van mening dat zij recht heeft op compensatie vanwege hardheid over de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016. Voor andere toeslagen speelde volgens eiseres hetzelfde feitencomplex en heeft zij ook niet gekregen waar ze recht op had.
Beoordeling door de rechtbank
De bestreden besluiten I en II
5. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit I ten onrechte een herbeoordeling over het jaar 2016 ontbreekt. Ook is het bestreden besluit II volgens eiseres geen aanvullende beslissing op bezwaar, maar een herroepen beslissing op bezwaar.
5.1.
De Dienst Toeslagen erkent in het verweerschrift dat in het bestreden besluit I ten onrechte het toeslagjaar 2016 niet is meegenomen, dat het beroep in zoverre gegrond is en dat eiseres recht heeft op vergoeding van haar proceskosten in beroep en het betaalde griffierecht.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015 en het niet meenemen van toeslagjaar 2016. Het bestreden besluit II ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2005 tot en met 2012 en 2016 tot en met 2019. Het bestreden besluit II is daarmee een herroeping van het bestreden besluit I voor zover daarin het toeslagjaar 2016 niet is meegenomen. Voor het overige is bestreden besluit II een aanvullende beslissing op bezwaar, omdat daarin een herbeoordeling heeft plaatsgevonden over andere toeslagjaren. Het beroep tegen bestreden besluit I is daarom mede gericht tegen het bestreden besluit II.
Heeft de Dienst Toeslagen de zienswijzefase juist doorlopen?
6. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen nagelaten de zienswijzefase te
doorlopen. Hierdoor was eiseres genoodzaakt bezwaar te maken. Zij is hierdoor benadeeld, omdat met de zienswijze een bezwaarprocedure voorkomen had kunnen worden en dat de duur van de procedure dan korter was geweest. Dit gebrek kan volgens eiseres niet gepasseerd worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiseres vooraankondigingen zijn verzonden, waarin de gelegenheid is geboden om te reageren. De Dienst Toeslagen heeft in bestreden besluit I erkend dat sprake was van een procedureel gebrek. Het bezwaardossier was namelijk niet met de vooraankondigingen toegestuurd, waardoor eiseres niet in de gelegenheid was een (inhoudelijke) zienswijze kenbaar te maken. Dit gebrek is in de bezwaarfase hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, maar is eiseres hierdoor niet in haar belangen geschaad. Zij had de mogelijkheid om haar standpunten in bezwaar en in beroep naar voren te brengen en Dienst Toeslagen heeft deze standpunten betrokken in de besluitvorming. Haar stelling dat de bezwaarprocedure voorkomen had kunnen worden, volgt de rechtbank niet. Eiseres is het immers nog altijd niet eens met het door de Dienst Toeslagen grotendeels gehandhaafde standpunt in zowel de primaire besluiten als de bestreden besluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Heeft eiseres recht op meer compensatie dan de Dienst Toeslagen heeft toegekend?
7. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
7.1.
In de bestreden besluiten I en II samen heeft een herbeoordeling plaatsgevonden over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. Eiseres heeft gronden aangevoerd die zien op de hoogte van het compensatiebedrag over het toeslagjaar 2014 en het recht op compensatie over de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016. De overige beoordeelde toeslagjaren behoeven daarom geen bespreking.
7.2.
De rechtbank komt daarnaast niet toe aan beoordeling van de grond van eiseres over andere toeslagen die zij niet zou hebben ontvangen, omdat de bestreden besluiten I en II uitsluitend zien op compensatie ten aanzien van kinderopvangtoeslag en dus niet over andere toeslagen.
Toeslagjaar 2012
7.3.
Eiseres stelt dat zij in september 2012 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, wat tijdig is om voor het gehele jaar, of in ieder geval met terugwerkende kracht voor drie maanden, kinderopvangtoeslag toe te kennen. Zij was verplicht om de kinderen naar de opvang te brengen en heeft daar het gehele jaar gebruik van gemaakt, zo blijkt ook uit de jaaropgave. Eiseres is van mening dat sprake is van vooringenomenheid of hardheid, dan wel dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
7.4.
De rechtbank stelt aan de hand van de stukken vast dat eiseres of iemand namens haar op 11 september 2012 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd per 16 september 2012 en op 26 september 2012 een wijziging van de ingangsdatum van de aanvraag naar 16 oktober 2012 heeft doorgegeven. Op basis van de gegevens in de aanvraag heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht kinderopvangtoeslag toegekend vanaf 16 oktober 2012 tot en met 31 december 2012. Dat eiseres wel het gehele jaar opvang heeft afgenomen, maakt niet dat per eerdere datum kinderopvangtoeslag is aangevraagd. De Belastingdienst/ Toeslagen heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet vooringenomen gehandeld.
7.5.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat geen sprake is van hardheid van het stelsel. Uit de stukken in het dossier blijkt namelijk niet dat over het toeslagjaar 2012 kinderopvangtoeslag is teruggevorderd.
7.6.
Eiseres heeft vervolgens een beroep gedaan op de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht. De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Uit recente rechtspraak van de Afdeling komt naar voren dat de hardheidsclausule toepasbaar is als een gedupeerde toeslagouder zich bevindt in een bijzondere en/of schrijnende situatie, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij moet het gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) de toepasselijke wettelijke bepalingen over compensatie en niet om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
7.7.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij in 2012 klem is komen zitten. Zij zat in de daklozenopvang en moest haar kinderen naar de opvang doen. Daarnaast had zij problemen met haar verblijfsstatus waardoor zij niet kon werken. Door dit alles heeft zij zelf het grootste deel van de kinderopvang in 2012 moeten betalen.
7.8.
De rechtbank acht invoelbaar dat de omstandigheden voor eiseres in 2012 erg zwaar waren. Deze omstandigheden kunnen echter niet aangemerkt worden als actuele omstandigheden zoals genoemd in de rechtspraak. Deze omstandigheden hebben zich immers voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok. Eiseres heeft geen andere omstandigheden gesteld waaruit opgemaakt kan worden dat er sprake is van een bijzondere of schrijnende situatie die samenhangt met (de gevolgen van) de toepasselijke wettelijke bepalingen ten aanzien van het niet toekennen van compensatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
7.9.
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geweigerd aan eiseres compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2012.
Toeslagjaar 2014
7.10.
Aan eiseres is compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2014. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de toegekende compensatie en met name over het bedrag in component B van de berekening. In dit toeslagjaar hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat bij de eerste neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag over de periode van 1 januari 2014 tot 28 augustus 2014 sprake was van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Die bijstelling heeft geleid tot een verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag van € 15.646,- naar € 9.864,-. De tweede neerwaartse bijstelling over de periode van 28 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 betreft een verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag van € 9.864,- naar € 6.470,-, met een daarop gevolgde terugvordering.
7.11.
De Dienst Toeslagen stelt in het verweerschrift dat voor component B terecht is uitgegaan van het bedrag van € 9.864,-, maar dat de eerdere motivering in het bestreden besluit I onjuist is. De tweede neerwaartse bijstelling naar € 6.470,- is in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit I staat volgens de Dienst Toeslagen niet het gevolg van hardheid, maar een reguliere correctie. Eiseres had namelijk vanaf 28 augustus 2014 geen geldige verblijfstitel meer en dus geen recht meer op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen verzoekt de rechtbank het gebrek in de motivering van bestreden besluit I te passeren met een beroep op artikel 6:22 van de Awb.
7.12.
Eiseres stelt dat in de compensatieberekening voor component B uitgegaan moet worden van het bedrag van € 6.470,-. Zij heeft ter zitting toegelicht dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in het verleden heel vaak verkeerde verblijfsstatuscodes heeft doorgegeven. Het had op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen om uit zorgvuldigheid bij de voorbereiding van de besluitvorming ten aanzien van compensatie de verblijfsstatus van eiseres over het jaar 2014 te controleren. Eiseres had namelijk vanaf oktober 2014 weer een verblijfsstatus vanwege haar procedure in het kader van de Kinderpardonregeling en daarmee ook recht op kinderopvangtoeslag. Daarnaast doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel onder verwijzing naar de conclusie van Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2022:1440). De tweede neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag en de daaruit gevolgde terugvordering is volgens eiseres het gevolg van hardheid van het wettelijk systeem.
7.13.
De rechtbank overweegt dat degene die aanspraak wil maken op kinderopvangtoeslag aan een aantal voorwaarden moet voldoen. Een van deze voorwaarden is dat een vreemdeling een geldige verblijfstitel heeft en dus een rechtmatig verblijf in Nederland.
7.14.
Naar vaste rechtspraak van de Afdeling mag de Dienst Toeslagen (en mocht de Belastingdienst/Toeslagen in 2014) zich bij de beoordeling of er sprake is van rechtmatig verblijf baseren op de verblijfstitelcodes die door de IND zijn vastgelegd, omdat de IND namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de aangewezen instantie is om te beoordelen in hoeverre een vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. Indien een vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de aan hem toegekende verblijfstitelcode naar voren heeft gebracht, dient de Belastingdienst/Toeslagen nader onderzoek te doen naar de juistheid van die verblijfstitelcode.
7.15.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in de periode van 2014 tot en met 2016 heeft geprocedeerd over haar verblijfsstatus en de betekenis daarvan voor haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Uit deze uitspraken van de Afdeling volgt dat eiseres tot het besluit van 28 augustus 2014 rechtmatig verblijf had in Nederland. De Belastingdienst/Toeslagen is voor de periode na 28 augustus 2014 uitgegaan van de door de IND aangegeven verblijfscode 98 en heeft de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 september 2014 beëindigd. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat de IND in het verleden verkeerde verblijfsstatuscodes heeft doorgegeven, maar die enkele stelling kan zonder onderbouwde concrete aanknopingspunten voor twijfel niet worden gevolgd.
7.16.
Ook de stelling van eiseres dat zij vervolgens vanaf 3 oktober 2014 in afwachting van de beslissing op haar aanvraag om een verblijfsvergunning in het kader van de Kinderpardonregeling opnieuw rechtmatig verblijf had, kan haar niet baten. Er was immers een verblijfsgat tussen 28 augustus 2014 en 3 oktober 2014. Als zij vanaf 3 oktober 2014 weer aanspraak wilde maken op kinderopvangtoeslag, dan had het op haar weg gelegen om daartoe een aanvraag in te dienen. Hiervan is niet gebleken.
7.17.
Vervolgens beroept eiseres zich op het evenredigheidsbeginsel en stelt zij dat het beleid veel te hard is geweest, omdat er geen rekening is gehouden met haar mensenrechten. Met het weigeren van de kinderopvangtoeslag vanwege een gebrek aan status is ook geen doel bereikt. Eiseres heeft inmiddels al jarenlang een status en het doel van het koppelingsbeginsel is niet uithongeren en niets geven.
7.18.
Dit beroep kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank overweegt daartoe dat de Wht, de Awir en de Vreemdelingenwet 2000 wetten in formele zin zijn. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven als sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit rechtspraak volgt dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
7.19.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. Het is de bedoeling van de wetgever dat personen die niet beschikken over rechtmatig verblijf, geen aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Dat de financiële situatie van eiseres door het beëindigen van de toeslag is verslechterd, is een gevolg dat de wetgever heeft voorzien. De grond van eiseres slaagt niet.
7.20.
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 september 2014 terecht heeft aangemerkt als een reguliere wijziging, omdat op dat moment niet meer werd voldaan aan de basisvoorwaarden voor recht op kinderopvangtoeslag. Hieruit volgt dat geen sprake was van hardheid van het wettelijk systeem. De Dienst Toeslagen is bij de berekening van de compensatie over 2014 voor component B terecht uitgegaan van het bedrag van € 9.864,-. Hieruit volgt tevens dat eiseres niet wordt benadeeld in haar belangen door de wijziging in motivering op dit onderdeel. De rechtbank passeert daarom het motiveringsgebrek in het bestreden besluit I met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Toeslagjaren 2015 en 2016
7.21.
Eiseres stelt dat zij op grond van een gelijk samenstel van feiten als in 2014 recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2015 en 2016. Zij was verplicht haar kind naar de opvang te brengen en had rechtmatig verblijf hangende de aanvraag inzake de Kinderpardonregeling tot de beslissing op bezwaar (van 3 oktober 2014 tot 17 september 2015). In 2016 werd haar verblijfsrecht definitief erkend. Niet valt in te zien waarom eiseres wel compensatie heeft gekregen vanwege hardheid over de periode van 28 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 en niet over de toeslagjaren 2015 en 2016. Dat er in 2015 geen kinderopvangtoeslag is toegekend en later teruggevorderd, komt doordat de Belastingdienst/ Toeslagen de aanvraag heeft tegengehouden.
7.22.
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat het recht op kinderopvangtoeslag terecht is beëindigd per 1 september 2014 en dat niet gebleken is dat eiseres na 3 oktober 2014 een nieuwe aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Hierdoor is het recht op kinderopvangtoeslag ook niet automatisch doorgelopen voor de jaren 2015 en 2016.
7.23.
De Dienst Toeslagen heeft ter zitting erkend dat in 2015 een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ontvangen, maar dat deze is tegengehouden omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarde van een rechtsgeldig verblijf in Nederland om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Desondanks bevinden zich in het dossier van eiseres geen stukken waaruit blijkt dat zij in 2015 of 2016 een aanvraag heeft ingediend om kinderopvangtoeslag dan wel dat deze zou zijn afgewezen. Ook is niet gebleken dat sprake is van beschikkingen met toekenning, uitbetaling of terugvordering van kinderopvangtoeslag.
7.24.
Gelet op het voorgaande, kan eiseres over de toeslagjaren 2015 en 2016 geen schade hebben geleden als bedoeld in de voorwaarden van artikel 2.1 van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft op basis van de aanwezige stukken kunnen concluderen dat er over de jaren 2015 en 2016 geen sprake is geweest van vooringenomenheid door de Belastingdienst/ Toeslagen of van hardheid van het stelsel.
7.25.
Eiseres heeft ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2016 geen gronden aangevoerd die zien op de hardheidsclausule noch op haar actuele situatie ten tijde van de afwijzing van haar verzoek tot compensatie.
7.2.6
De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geweigerd aan eiseres compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2015 en 2016.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank concludeert dat de gronden van eiseres niet leiden tot aanpassing van de door de Dienst Toeslagen verleende compensatie over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2018. Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat in de toeslagjaren 2012, 2015 en 2016 sprake kan zijn geweest van institutionele vooringenomenheid door de Dienst Toeslagen of van hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I van 27 mei 2025 is gegrond, voor zover daarin geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over toeslagjaar 2016. Voor het overige is het beroep ongegrond. Het bestreden besluit I blijft, afgezien van de vaststelling dat daarin het toeslagjaar 2016 ten onrechte niet is herbeoordeeld, voor het overige in stand. Ook het aanvullend bestreden besluit II van 17 juni 2026 blijft, onder verbetering van de motivering over het toeslagjaar 2014, in stand.
8.1.
Omdat het bestreden besluit I niet volledig was en is aangevuld met het bestreden besluit II en mede vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ten aanzien van de gewijzigde motivering, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
8.2.
De Dienst Toeslagen moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), de gronden aangevuld naar aanleiding van het bestreden besluit II (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voorzover in het bestreden besluit I geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden over toeslagjaar 2016;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 9, eerste lid
Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8 (voor zover van toepassing)
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven tot dat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
Artikel 10, eerste lid
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
Artikel 9.1, eerste lid
De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
Stcrt. 2021, 14691.
Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4265 en vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:918, r.o. 9.1.
ECLI:NL:RVS:2026:918
Dit volgt uit de artikelen 8 en 10 van de Vreemdelingenwet 2000 gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
Zie onder andere ECLI:NL:RVS:2009:BJ1093, ECLI:NL:RVS:2017:829
ECLI:NL:RVS:2018:2514
ECLI:NL:RVS:2017:829, ECLI:NL:RBZWB:2017:2707 en ECLI:NL:RVS:2018:713.
ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECCLI:NL:RVS:2023:852.