Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6811

2026-06-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446701 / FA RK 26-1685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446701 / FA RK 26-1685
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Meerderjarigenadoptie door pleegouders van voormalig pleegkind (nu 57 jaar oud). Zwaarwegende belangen bij buiten toepassing laten van minderjarigheidsvereiste; verschoonbare termijnoverschrijding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.978 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/446701 / FA RK 26-1685



Datum uitspraak: 23 juni 2026




Beschikking over adoptie


in de zaak van





[pleegouder 1]
en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. P.J.A. Grosfeld uit Oosterhout.



De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:





[de vrouw]
, geboren op [geboortedag 1] 1969 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: de vrouw.





1Het procesverloop


1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:


het op 31 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 t/m 21;


de tijdens de zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. Grosfeld.





1.2.
Op 23 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:


de pleegouders, bijgestaan door mr. Grosfeld;


de vrouw.







2De feiten


2.1.
De vrouw is op [geboortedag 1] 1969 in [geboorteplaats 1] geboren als dochter van [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).



2.2.
Op de geboorteakte van de vrouw staat alleen de moeder als ouder vermeld.



2.3.
De moeder is op [datum 1] 2026 overleden.



2.4.
De biologische vader van de vrouw is onbekend. Hij is nooit betrokken geweest in het leven van de vrouw.



2.5.
De vrouw is op [geboortedag 1] 1987 meerderjarig geworden.



2.6.
De pleegouders zijn sinds [datum 2] 1967 met elkaar getrouwd. Uit de ambtshalve door de rechtbank geraadpleegde uittreksels van de pleegouders uit de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat zij in ieder geval sinds oktober 1970 aaneengesloten op dezelfde adressen staan ingeschreven bij de gemeente.



2.7.
De pleegouders en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De moeder had op het moment van haar overlijden de Nederlandse nationaliteit en woonde en had haar gewone verblijfplaats in Nederland.





3Het verzoek


3.1.
De pleegouders verzoeken om de adoptie van de vrouw door de pleegouders uit te spreken.



3.2.
Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, ingaan.





4De beoordeling door de rechtbank



Wat zegt de wet?




4.1.
Op grond van artikel 1:227, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. De rechtbank overweegt dat het verzoek op grond van artikel 1:227, derde lid BW vervolgens slechts alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.



4.2.
Op grond van artikel 1:228, eerste lid BW dient voorts aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:


dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;


het kind niet een kleinkind van een adoptant is;


dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;


at geen der ouders het verzoek tegenspreekt;


dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;


dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;


dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.





Inleiding





4.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.



4.4.
De vrouw is in juni 1972 op driejarige leeftijd uit huis geplaatst in een kindertehuis. Aangenomen wordt dat de moeder op dat moment niet in staat was om voor de vrouw te zorgen. Tot januari 1973 kwam de moeder twee- tot driemaal per maand bij de vrouw op bezoek. In de periode daarna steeds minder. In mei 1974, toen de vrouw net vijf jaar oud was, heeft de moeder aangegeven dat zij de vrouw wil en zal afstaan. Vanaf dat moment is er op geen enkele manier meer sprake geweest van contact tussen de vrouw en haar moeder. Nadat de vrouw tijdelijk in een kandidaatpleeggezin is geplaatst en zij weer is teruggeplaatst in het kindertehuis, is zij op 20 december 1975 bij de pleegouders geplaatst. De vrouw kampt met een verstandelijke beperking en met lichamelijke en psychische (gezondheids)problemen. Hoewel de verzorging en opvoeding van de vrouw bij de pleegouders niet altijd gemakkelijk is verlopen, heeft de vrouw zich, dankzij de niet aflatende inzet van de pleegouders, bij de pleegouders positief ontwikkeld richting haar volwassenheid. Tot op de dag van vandaag wordt de vrouw door haar pleegouders zowel emotioneel als praktisch ondersteund. De pleegouders hebben de vrouw omarmd en vervolgens verzorgd en opgevoed alsof zij hun eigen dochter is. Andersom beschouwt de vrouw haar pleegouders als haar eigen ouders. Zoals de vrouw ter zitting heeft gezegd: mijn ouders zijn diegene die mij hebben gemaakt zoals ik nu ben.



4.5.
De pleegouders en de vrouw hebben al langdurig de wens om de onderlinge ouder-kindrelatie juridisch te bevestigen door een adoptie. Toen de vrouw nog minderjarig was, hebben de pleegouders deze wens besproken met onder meer de betrokken instanties. Adoptie werd destijds echter nadrukkelijk afgeraden door de Raad voor de Kinderbescherming. De pleegouders hebben [persoon], de pleegbroer van de vrouw, wel geadopteerd toen hij nog minderjarig was. In 1985 heeft de vrouw haar achternaam formeel gewijzigd in die van de pleegouders. Hoewel de pleegouders en de vrouw elkaar zien alsof zij in een ouder-kindrelatie tot elkaar staan en er volgens de pleegouders geen onderscheid bestaat tussen de vrouw en haar pleegbroer [persoon], ervaart de vrouw wel een verschil. De vrouw wil daarom heel graag, net als haar pleegbroer, door haar pleegouders geadopteerd worden, zodat zij er voor haar gevoel echt bij hoort.



Kennelijk belang





4.6.
De rechtbank overweegt, gezien het voorgaande, dat er al vanaf de minderjarigheid van de vrouw (toen zij vijf jaar oud was) feitelijk sprake is van een onafgebroken ouder-kindrelatie tussen de pleegouders en de vrouw. Hoewel zij elkaar zien als ouders en kind en niet als pleegouders en pleegkind, is de rechtbank, met het oog op het belang van het juridisch bestendigen van deze relatie en de verdere (identiteits)ontwikkeling van de vrouw, van oordeel dat de verzochte adoptie door de pleegouders van de vrouw in het kennelijk belang van de vrouw moet worden geacht.



Niets meer te verwachten van de moeder als ouder





4.7.
Nu de vrouw op vijfjarige leeftijd is afgestaan door haar moeder en zij sindsdien geen enkel contact meer met elkaar hebben gehad en de moeder dus ook geen enkele verantwoordelijkheid meer heeft genomen voor de verzorging en opvoeding van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op dit moment, inmiddels ruim vijftig jaar later, niets meer van haar moeder als ouder te verwachten heeft. Daarbij komt nog dat inmiddels is gebleken dat de moeder op [datum 1] 2026 is overleden, waardoor de vrouw ook om die reden niets meer van haar moeder als ouder te verwachten heeft.



Minderjarigheidsvereiste





4.8.
De rechtbank stelt vervolgens vast, op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, dat aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 1:228, eerste lid BW is voldaan, behalve aan de voorwaarde zoals genoemd onder sub a. Vaststaat dat de vrouw ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in deze zaak (op 31 maart 2026) 56 jaar oud en dus meerderjarig was, waardoor niet wordt voldaan aan voormelde voorwaarde dat het verzoekschrift moet worden ingediend tijdens de minderjarigheid van het kind.



4.9.
Gelet op richtinggevende (internationale) jurisprudentie op dit punt, ligt aan de rechtbank de vraag ter beoordeling voor of een weigering om adoptie toe te staan in dit geval een ongeoorloofde inmenging in het gezins- of familieleven of het privéleven van de pleegouders en/of de vrouw oplevert zoals bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en of om die reden toepassing van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en sub a BW achterwege dient te blijven.



4.10.
De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Hoewel adoptie door de wetgever primair werd gezien als een maatregel van kinderbescherming, gaat adoptie in haar effecten verder dan voor het doel van kinderbescherming vereist is. Bovendien grijpt zij in, in het afstammingsrecht en in het bijzonder waar zij familierechtelijke betrekkingen tot stand brengt tussen de adoptiefouders en hun bloed- en aanverwanten enerzijds, en het adoptiefkind en zijn of haar eventuele toekomstige echtgenoot en nakomelingen anderzijds, welke betrekkingen ook na het meerderjarig worden van het kind blijven bestaan en nog kunnen ontstaan. Daarnaast worden de familierechtelijke banden met de bestaande familieleden beëindigd. Betrokkenen kunnen bij het ontstaan van de hiervoor bedoelde familierechtelijke betrekkingen ook tijdens die meerderjarigheid nog belang hebben, ook al kan de adoptie wegens de bereikte meerderjarigheid niet meer het karakter van een maatregel van kinderbescherming hebben. De wet voorziet niet in een (andere) manier waarop die familiebanden na de bereikte meerderjarigheid nog zouden kunnen ontstaan.



4.11.
Vooropgesteld moet worden dat aan artikel 8, eerste lid EVRM geen ongeclausuleerd recht op adoptie kan worden ontleend. Dat adoptie slechts mogelijk is indien wordt voldaan aan de door de nationale wet daaraan gestelde eisen, levert dus op zichzelf bezien geen ongeoorloofde inbreuk op een door artikel 8, eerste lid EVRM beschermd recht op. Aan artikel 8, eerste lid EVRM kan wel het recht op bescherming van het gezinsleven tussen de (pleeg)ouders en een door hen in hun gezin opgenomen kind worden ontleend, maar niet het recht om dat kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet in de artikelen 1:227 en 1:228 BW aan adoptie gestelde vereisten en voorwaarden (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2000, NJ 2001, 103). Die voorwaarden zijn bovendien van openbare orde. Het buiten toepassing laten van zo’n voorwaarde kan daarom slechts plaatsvinden indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Een tweede aspect dat van belang is, is of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. De staat maakt immers geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden (te) lang wachten met het indienen van een verzoekschrift.



Zeer bijzondere omstandigheden





4.12.
De rechtbank is van oordeel, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, dat er in deze zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het verzoek tot adoptie door de pleegouders van de vrouw op grond van artikel 1:299 BW, ondanks dat niet wordt voldaan aan het minderjarigheidsvereiste zoals genoemd in artikel 1:228, eerste lid, sub a BW, dient te worden toegewezen. De rechtbank zal dit hierna toelichten.



4.13.
De ouder-kindrelatie tussen de pleegouders en de vrouw bestaat, zoals hiervoor al is overwogen, feitelijk al sinds de vrouw vijf jaar oud is. Deze relatie heeft gedurende de hele minderjarigheid van de vrouw bestaan en bestaat nu nog steeds. De pleegouders zijn altijd de stabiele factor in het leven van de vrouw geweest en zijn dit nu nog steeds. Doordat de moeder de vrouw op vijfjarige leeftijd heeft achtergelaten en er vanaf dat moment op geen enkele manier sprake is geweest van contact tussen hen, kan bovendien niet worden gesteld dat er sprake is (geweest) van een emotionele band tussen hen. De vrouw kent haar moeder niet en heeft geen (betekenisvolle) herinneringen aan haar. Daarbij komt dat een adoptie door de pleegouders van de vrouw, met het oog op de persoonlijke problematiek van de vrouw, in het belang van de verdere (identiteits)ontwikkeling van de vrouw noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank acht het aannemelijk dat een afwijzing van het verzoek negatieve effecten zal hebben of zelfs schadelijk zal zijn voor (de verdere identiteitsontwikkeling van) de vrouw. Uit recente, richtinggevende jurisprudentie van gerechtshoven en rechtbanken blijkt dat er in toenemende mate veel gewicht wordt toegekend aan het bestaan van een langdurige, feitelijke ouder-kindrelatie bij de beoordeling van verzoeken tot meerderjarigenadoptie (zie onder meer de uitspraak van gerechtshof Den Haag 15 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2605). Dit is ook in lijn met het wetsvoorstel Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel dat de wetgever begin dit jaar heeft ingediend. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt dat de wetgever voornemens is om meerderjarigenadoptie in de toekomst mogelijk te maken. Daarbij wordt de situatie benoemd waarin sprake is van een duurzame ouder-kindrelatie die tijdens de jeugd is ontstaan, maar die nooit is geformaliseerd, zoals die van pleegouders en hun pleegkind.



4.14.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gebleken is dat de pleegouders hun wens om de vrouw te adopteren bespreekbaar hebben gemaakt toen de vrouw nog minderjarig was, maar dat dit destijds nadrukkelijk is afgeraden door de Raad voor de Kinderbescherming (dus van overheidswege). Dat de pleegouders de wens tot adoptie hadden, wordt ondersteund door het feit dat zij pleegbroer [persoon] wel hebben geadopteerd toen hij nog minderjarig was. De pleegouders en de vrouw waren vervolgens jarenlang in de veronderstelling dat een adoptie van een meerderjarig kind niet mogelijk is. Pas nadat zij zijn geattendeerd op een krantenartikel uit BN De Stem van 17 januari 2026, hebben de pleegouders contact gezocht met hun advocaat, waarna het verzoekschrift in deze zaak is ingediend. Het is de rechtbank duidelijk gebleken dat als de pleegouders hadden geweten dat een meerderjarigenadoptie tot de mogelijkheden behoort, zij zeker stappen daartoe zouden hebben gezet. Van stilzitten of een verwijtbare termijnoverschrijding is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen enkele sprake. De rechtbank is daarom van oordeel dat de termijnoverschrijding de pleegouders niet kan worden verweten. Gezien voormelde omstandigheden acht de rechtbank deze overschrijding dan ook verschoonbaar.



Conclusie





4.15.
De rechtbank is, gezien voormelde zeer bijzondere omstandigheden, van oordeel dat een weigering om adoptie van de vrouw door de pleegouders toe te staan een ongeoorloofde inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van de vrouw en de pleegouders, als bedoeld in artikel 8, tweede lid EVRM, oplevert. Hoewel adoptie in dit geval niet meer het karakter heeft van een maatregel van kinderbescherming, is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft bij het vestigen van een familierechtelijke betrekking met de pleegouders, alsmede bij de juridische bevestiging van de emotionele band die zij met de pleegouders heeft en van het gevoel dat zij en de pleegouders tot één gezin en familie behoren.



4.16.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de pleegouders, dat niet is weersproken, toewijzen in die zin dat zij de adoptie door de pleegouders van de vrouw zal uitspreken.



Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand





4.17.
De rechtbank zal bepalen dat de griffier van deze rechtbank, wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel wanneer de termijn voor het instellen van een hoger beroep tegen de beslissing is verstreken, een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar de vrouw is geboren, in dit geval de gemeente Eindhoven, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.



Verdeling proceskosten





4.18.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten van partijen in deze procedure tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing van de rechtbank


De rechtbank:



5.1.
spreekt uit de adoptie door [pleegouder 1], geboren op [geboortedag 2] 1944 in [geboorteplaats 2], en [pleegouder 2], geboren op [geboortedag 3] 1945 in [geboorteplaats 3] van [de vrouw], geboren op [geboortedag 1] 1969 in [geboorteplaats 1];



5.2.
draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Eindhoven om daarin aantekening te doen van deze beschikking;



5.3.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door mr. Phillips, rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 13 juli 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:




door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.