Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6788

2026-07-23 Bestuursrecht 25/6231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/6231
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Invordering verbeurde dwangsom vanwege overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.923 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/6231


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Stolting),


en


de burgemeester van de gemeente Roosendaal (de burgemeester), verweerder.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een verbeurde dwangsom. De burgemeester heeft eerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Algemene plaatselijke verordening (APV). Volgens de burgemeester heeft eiser niet aan deze last voldaan en is daarom een dwangsom verbeurd. Eiser is het niet eens met de invordering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de verbeurde dwangsom mocht invorderen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en de invordering van de last onder dwangsom blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Bij besluit van 30 juni 2025 heeft de burgemeester een verbeurde dwangsom van € 5.000,- ingevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



2.1.
Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester het bezwaar gegrond verklaard en het besluit tot invordering van de dwangsom in stand gelaten. Op 24 oktober 2025 heeft de burgemeester geconstateerd dat het bestreden besluit schrijffouten bevat en het bezwaar ten onrechte gegrond is verklaard. Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft de burgemeester de geconstateerde omissies hersteld en het bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit van 24 oktober 2025 wordt op grond van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling van het beroep betrokken.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de burgemeester.




Beoordeling door de rechtbank



Feiten




3. Op 10 februari 2025 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2:74 van de APV. De burgemeester heeft eiser gelast om de geconstateerde overtreding van artikel 2:74 van de APV niet te herhalen. Als eiser niet aan de last voldoet en wederom artikel 2:74, eerste lid, van de APV overtreedt, verbeurt hij van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding met een maximumbedrag van € 20.000,-. Dit besluit is onherroepelijk.



3.1.
De politie heeft op 21 mei 2025 een bestuurlijke rapportage opgesteld, waarin is vastgelegd dat op 17 mei 2025 omstreeks 20:05 uur een personenauto van het merk Lynk en Co, voorzien van het kenteken [kenteken] , werd gezien op de [straat 1] in [woonplaats] . De bestuurder van de auto werd door de politie herkend als eiser. Omstreeks 20:06 uur zag de politie een vermoedelijke overdracht op de [straat 2] in [woonplaats] via het bestuurdersraam van de genoemde auto. Uit de rapportage komt naar voren dat de bestuurder van de auto zijn auto had geparkeerd en de auto dus stilstond. Volgens deze rapportage stapte de vermoedelijke koper hierna in een andere personenauto en deze werd later staande gehouden. De koper werd op straat gehoord als getuige en deze verklaarde dat hij zojuist zes gram hennep had gekocht op de [straat 2] voor € 45,-. Bij de koper werd een boterhamzakje met hennep aangetroffen. Eiser is hierop om 21:35 uur thuis aangehouden op verdenking van handel in softdrugs.



3.2.
Tijdens de hoorzitting bij de Commissie voor de bezwaarschriften heeft de burgemeester aan de hand van een aanvullend e-mailbericht van de politie bevestigd dat de politie na de overdracht de koper niet uit het oog had verloren en hem had gevolgd totdat hij werd staande gehouden. Eiser heeft het bestaan en de inhoud van dit aanvullende bericht niet weersproken.



De beroepsgronden




4. Eiser voert aan dat hij artikel 2:74 van de APV niet heeft overtreden. Eiser ontkent dat hij op 17 mei 2025 op de [straat 2] was. Eiser was op de bewuste avond thuis en is niet met de auto weggeweest. De auto had een lekke band. Eiser heeft dit telefonisch gemeld bij de ANWB en de ANWB is die avond bij de woning geweest. Eiser heeft een WhatsApp-bericht van zijn buren overgelegd ter bevestiging dat hij die avond thuis was. Er zijn bij eiser en/of in de auto geen drugs gevonden. Eiser had dus geen drugs en zijn bezit en heeft er ook niet in gehandeld. De verklaring van de getuige wordt niet onderbouwd.




4.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat hij in beginsel mag uitgaan van de inhoud van een bestuurlijke rapportage. De bestuurlijke rapportage is gebaseerd op processen-verbaal die op ambtseed dan wel ambtsbelofte zijn opgemaakt. Eiser ontkent weliswaar dat hij artikel 2:74 van de APV heeft overtreden, maar hij heeft de feiten en omstandigheden in de bestuurlijke rapportage niet gemotiveerd en onderbouwd weersproken. Het standpunt van eiser dat het onmogelijk is dat hij op 17 mei 2025 door de politie in zijn auto is gezien omdat hij op dat moment thuis was en zijn auto een lekke band had, acht de burgemeester niet aannemelijk. Het WhatsApp-bericht van de buren dat eiser op 17 mei 2025 thuis zou zijn, is volgens de burgemeester onvoldoende.



Oordeel van de rechtbank





Is de last overtreden?




5. Als de last is overtreden, geldt als uitgangspunt dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd en dat slechts in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien. Het ligt op de weg van de overtreder om dergelijke omstandigheden onder de aandacht te brengen.




5.1.
De last is opgelegd voor overtreding van artikel 2:74, eerste lid, van de APV. Op grond van artikel 2:74 van de APV is het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zich op 17 mei 2025 op een openbare weg in [woonplaats] ophield met het kennelijke doel drugs te verhandelen. De bestuurlijke rapportage is gebaseerd op processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte zijn opgemaakt en op politieregistratiesystemen. De burgemeester mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn neergelegd. Als die bevindingen worden betwist, zal hij moeten onderzoeken of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



5.3.
In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat hij ten tijde van de waarneming op de [straat 2] thuis was en zijn auto een lekke band had, vindt geen steun in objectieve gegevens. Ook het feit dat de ANWB later die avond (namelijk vanaf kort voor de aanhouding om 21:35 uur) aanwezig is geweest, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het voertuig om circa 20:05 uur niet op de [straat 2] kon zijn. Het is immers maar drie minuten rijden van de woning van eiser naar de [straat 2] en onderbouwende stukken over hoe laat contact is opgenomen met de ANWB ontbreken bijvoorbeeld. De rechtbank volgt de burgemeester in het standpunt dat er geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage en evenmin om af te wijken van het uitgangspunt dat van de daarin vastgestelde waarnemingen mag worden uitgegaan.



5.4.
Ook de verklaring van de buren dat eiser op 17 mei 2025 thuis zou zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel. De verklaring bevat tweemaal een verkeerd jaartal en de verklaring zegt niets over de stelling dat eiser onafgebroken thuis is geweest. Daarmee is de verklaring onvoldoende om afbreuk te doen aan de bevindingen in de bestuurlijke rapportage. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit die rapportage volgt dat eiser door de politie is herkend als bestuurder van het voertuig en dat de koper kort na de waargenomen overdracht is staande gehouden met een hoeveelheid hennep die volgens zijn verklaring kort daarvoor bij eiser was gekocht. Eiser heeft de betrouwbaarheid van deze verklaring weliswaar betwist, maar heeft niet concreet toegelicht waarom aan deze verklaring moet worden getwijfeld. De enkele betwisting daarvan is onvoldoende om de juistheid van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage in twijfel te trekken.



5.5.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor overtreding van dit artikel niet vereist dat drugs worden aangetroffen. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van een overtreding van de last niet hoeft vast te staan dat (in strafrechtelijke zin) kan worden bewezen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan drugshandel in de zin van genoemde bepalingen uit de Opiumwet.



5.6.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van invordering had moeten worden afgezien. Ook overigens zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken.



5.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de dwangsom op goede gronden heeft ingevorderd. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.












Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van A. Lemaire, griffier, op 23 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
















rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.




Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.


ECLI:NL:RVS:2026:336


Uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117


Zie uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2748 en 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2555.