Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6787

2026-07-23 Bestuursrecht 25/2965
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/2965
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag toekennen vervoersvoorziening

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.677 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/2965 VEROR


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen (het college).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor het toekennen van een vervoersvoorziening voor haar zoon [zoon] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2025 (bestreden besluit).



2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens het college.



2.3.
De voor het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.




Beoordeling door de rechtbank


3. Eiseres heeft op 2 september 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding leerlingenvervoer 2024-2025 ten behoeve van haar zoon [zoon] . Het gaat hierbij om dagelijks vervoer tussen de woning in [woonplaats] en [school 1] in [plaats] . Eiseres brengt en haalt [zoon] elke schooldag zelf.


3.1.
Het college heeft de aanvraag van eiseres met een besluit van 7 november 2024 (primair besluit) afgewezen, omdat [school 1] niet de dichtstbijzijnde voor de zoon van eiseres toegankelijke school is. Dat is volgens het college [school 2] . Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Volgens het college heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [school 2] voor [zoon] niet toegankelijk zou zijn. Ook op [school 2] wordt speciaal onderwijs gegeven en uit de overgelegde verklaringen blijkt niet dat [school 2] geen passende onderwijsvoorziening is. De door eiseres aangevoerde omstandigheden waarom [school 2] niet toegankelijk is, zien op een gebrek aan vertrouwen bij de ouders van [zoon] , hetgeen afstemming tussen de ouders en de school in de weg zit. Er zijn door eiseres geen andere omstandigheden aangevoerd waarom de school niet toegankelijk zou zijn. Niet gebleken is dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat onder toepassing van de hardheidsclausule ten gunste van de ouders dient te worden afgeweken van de bepalingen in de verordening.



3.3.
Eiseres betwist dat [school 2] de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs voor [zoon] is. [school 1] is volgens eiseres de meest passende school voor [zoon] . Eiseres heeft onder meer een verklaring van de directeur van [school 2] , een verklaring van een onderwijsconsulent en een verklaring van de directeur van het Samenwerkingsverband Kind op 1 overgelegd. Daarnaast beroept eiseres zich op toepassing van de hardheidsclausule van artikel 27 van de Verordening.



Procesbelang




4. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep, nu de aanvraag voor het schooljaar 2024-2025 was en niet met terugwerkende kracht een vervoersvoorziening kan worden toegekend. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden behaald en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode of sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding.




4.1.
De rechtbank acht van belang dat eiseres, zoals zij ter zitting heeft gesteld, ook voor het huidige schooljaar een aanvraag tot bekostiging van leerlingenvervoer heeft ingediend en dat na een afwijzende beslissing terzake een bezwaarprocedure loopt. Dit betekent dat een inhoudelijk oordeel in deze procedure van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Gelet op het voorgaande heeft eiseres voldoende procesbelang bij de behandeling van dit beroep.





Toegankelijke school




5. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel [school 2] als [school 1] speciaal onderwijs aanbieden en dat [school 2] in afstand de dichtstbijzijnde school in de buurt van de woning van [zoon] is, en niet [school 1] . Partijen zijn verdeeld over de vraag of [school 2] kan worden aangemerkt als een voor [zoon] toegankelijke school.




5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan de ouders om aannemelijk te maken dat de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is. Daarbij moet het gaan om objectieve factoren die betrekking hebben op het gegeven onderwijs. Dat een ouder een andere school van de soort waarop het betrokken kind is aangewezen een betere vindt dan de dichtstbijzijnde school, maakt dus op zichzelf nog niet dat de dichtstbijzijnde school niet als toegankelijke school kan worden aangemerkt en een vervoersvoorziening moet worden toegekend.



5.2.
In dit geval heeft eiseres onder meer een verklaring van de directeur van [school 2] , een verklaring van een onderwijsconsulent en een verklaring van de directeur van het Samenwerkingsverband Kind op 1 overgelegd.



5.3.
In de verklaring van de directeur van [school 2] staat onder meer: “Het onderwijs op [school 2] kan alleen slagen als beide systemen, thuis en school, goed (voldoende) op elkaar afgestemd zijn en blijven. Bij een eventuele plaatsing bespreken we altijd de visie van de school en de ouders op: opvoeding, kindbeeld, aansturing, straffen, belonen, enzovoort. Als blijkt dat de visies niet op elkaar af te stemmen zijn, is plaatsing niet in het belang van de ontwikkeling van het kind. Vader en oma kennen de [school 2] ( [school 2] ) uit eigen ervaring en beleving. Dit verleden zit afstemming tussen ouder en school behoorlijk in de weg. Daarom is plaatsing van [zoon] op [school 2] niet mogelijk.”.



5.4.
In de verklaring van de onderwijsconsulent regio Zeeland, [persoon] is onder meer vermeld: “Ik raad dan ook ten zeerste af om [zoon] hier [de rechtbank begrijpt: bij [school 2] ] onderwijs te laten ontvangen. Kijken we dan in de regio welke plek binnen speciaal (basis) onderwijs vervolgens het meest passend en thuisnabij is dan zien we dat het aanbod op [school 1] in [plaats] precies de onderwijssetting biedt die past bij de ondersteuningsbehoeften en de pedagogische benadering, zoals die ook thuis in de opvoeding wordt aangeboden.”.



5.5.
In de verklaring van de directeur van het Samenwerkingsverband Kind op 1 is onder meer vermeld: “Wij zien dit niet als een eenvoudige keuze-optie, maar als enige optie voor [zoon] om passend onderwijs te volgen. Daarmee is dit [de rechtbank begrijpt: [school 1] ] dus de dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie voor [zoon] ”.



5.6.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de overgelegde verklaringen heeft aangetoond dat [school 2] voor [zoon] niet toegankelijk is. Gelet op de overgelegde verklaringen moet [school 1] als dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [zoon] worden aangemerkt. Het argument van het college dat [school 2] toegankelijk zou zijn geweest als de ouders zich anders hadden opgesteld, berust naar het oordeel van de rechtbank op een hypothetische veronderstelling. Deze veronderstelling kan, zonder nadere objectieve onderbouwing, niet afdoen aan de door eiseres overgelegde verklaringen waaruit volgt dat de school voor [zoon] niet toegankelijk is.



5.7.
Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat [school 1] de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, behoeft het beroep van eiseres op de hardheidsclausule geen nadere bespreking meer.




Conclusie en gevolgen


6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat aan eiseres een vervoersvoorziening wordt toegekend. Ter zitting heeft het college verklaard dat deze vergoeding bestaat uit 200 schooldagen maal
€ 0,23 per kilometer. Eiseres heeft dit niet weersproken. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt de afstand tussen het woonadres en het schooladres gemeten met de routeplanner van ANWB op www.ANWB.nl met als instelling ‘kortste route’. De rechtbank stelt de afstand vast op 23,4 kilometer enkele reis. De rechtbank stelt de vergoeding vast op 200 x € 0,23 x 46,8 kilometer = € 2.152,80.



6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



























Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat aan eiseres een vervoersvoorziening wordt toegekend van € 2.152,80 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 23 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wet op het primair onderwijs





Artikel 4



1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag vergoeding van de door het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerkosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
(…)
5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke basisschool of, indien een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen, de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs,



Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Vlissingen 2023





Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:
(…)toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;




Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, eerste lid


1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.



Artikel 9. Afstandsgrens, eerste lid


1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:
a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer;
b. speciale basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer; of
c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer.



Artikel 21. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer




(…)


Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigen burgemeester en wethouders aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:



(…)
c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer.




Nadere regels en beleidsregels Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Vlissingen 2023





Artikel 4. Hoogte van de vergoeding

Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding, als bedoeld in art. 16 van de Verordening, wordt de afstand tussen het woonadres en het schooladres gemeten met de routeplanner van ANWB op www.ANWB.nl op basis van het voertuig waarvoor de vergoeding is bestemd (fiets dan wel auto) met als instelling ‘kortste route’. De afstand wordt afgerond tot op een cijfer achter de komma.







Bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:2995


zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4422.


ECLI:NL:RVS:2023:4538