Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6782

2026-07-24 Bestuursrecht BRE 25/6098
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/6098
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wht, informele private schuld. Terecht geweigerd deze schuld te vergoeden.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.644 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/6098


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),


en


de minister van Financiën.


Samenvatting


1. De minister heeft de aanvraag van eiseres om een (reeds betaalde) schuld over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of terecht is geweigerd de schuld over te nemen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft besloten de reeds betaalde schuld niet over te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan de Sociale Banken Nederland (SBN) gevraagd om vergoeding van een al afbetaalde schuld. Het gaat om een schuld van € 19.500 aan [personen] .



2.1
Met het besluit van 6 juni 2025 heeft de minister geweigerd om de al betaalde schuld terug te betalen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



2.2
Met het besluit van 14 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en haar gemachtigde.








Beoordeling door de rechtbank



Wettelijk kader


3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.



Standpunt eiseres


4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte de eis heeft gesteld dat er een notariële akte moet zijn. Ook op andere manieren kan bewijs worden geleverd van het bestaan van een lening. Met de verklaringen van de heer en mevrouw [personen] en het bewijs van terugbetaling is dit bewijs geleverd.

4.1

Verder heeft eiseres nog opgemerkt dat de motivering van de minister niet te volgen is. De afwijzing is enerzijds gebaseerd op het ontbreken van een notariële akte en anderzijds wordt zonder voorbehoud gesteld dat de schuld niet goed beoordeeld kan worden en dat nader bewijs moet worden geleverd. Volgens eiser is dit niet met elkaar te rijmen.

Overwegingen rechtbank

5. De door eiseres opgegeven schuld is aan te merken als een informele private schuld zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder b van de Wht. Dit betekent dat, als aan de overige voorwaarden is voldaan, deze schuld overgenomen kan worden als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, of als deze schuld blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.



5.1
Volgens vaste rechtspraak kan in bijzondere situaties waarbij toepassing van artikel 4.1, derde lid, van de Wht, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Een bijzondere situatie kan zich voordoen als aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Ter zitting heeft eiseres ook verwezen naar deze rechtspraak.



5.2
Anders dan eiseres heeft opgemerkt blijkt uit de beslissing op bezwaar dat de minister bij de beoordeling of de schuld overgenomen kan worden, bovenstaande uitgangspunten uit de rechtspraak heeft betrokken. De minister heeft immers eerst vastgesteld dat er geen notariële akte is. Vervolgens heeft de minister beoordeeld of er voldoende bewijs is overgelegd om te kunnen beoordelen of er een schuld is en zo ja of deze voldoet aan de eisen voor overname van de schuld. De stelling van eiseres dat de motivering van het bestreden besluit niet te volgen is, volgt de rechtbank dus niet.



5.3
Niet in geschil is dat er geen sprake is van een notariële akte. Daarom moet beoordeeld worden of uit de door eiseres overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat er sprake was van een schuld en dat deze ook voldoet aan de eisen van artikel 4.1, tweede lid, onder a en b. Dit betekent dat uit de overgelegde stukken moet blijken dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en dat deze voor 1 juni 2021 opeisbaar was.


5.4
Ter onderbouwing van het bestaan van de schuld heeft eiseres het volgende overgelegd:
- een verklaring van de [personen] gedateerd november 2021.Hierin staat dat zij in de loop van de jaren 2016 tot en met 2021 bedragen hebben geleend aan eiseres ter voorziening in haar levensonderhoud, voor in totaal € 19.500. Dit bedrag heeft eiseres terugbetaald op 26 juli 2021.
- een kopie van een bankafschrift van eiseres gedateerd 26 juli 2021waarop een overschrijving is te zien naar [personen] tot een bedrag van € 19.500 met de vermelding ‘aflossing lening’.
- een print van onlinebankieren van [personen] gedateerd 13 mei 2021met omschrijving ‘pret argent camionette’. Uit deze print blijkt verder niet welk bedrag is overgeschreven.



5.5
Eiseres kan gevolgd worden in haar stelling dat hiermee de door SBN gevraagde stukken zijn overgelegd. Dit betekent echter niet dat daarmee ook de schuld overgenomen kan worden. Er zal immers beoordeeld moeten worden of met de overgelegde stukken de aanwezigheid van de schuld kan worden aangenomen en of deze voldoet aan de overige eisen voor overname. Anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld, betekent deze inhoudelijke beoordeling niet dat de minister nadere eisen aan eiseres heeft gesteld.



5.6

Hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres een bedrag heeft overgemaakt aan [personen] is dit onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van een terugbetaalde schuld die moet worden overgenomen. Uit de overgelegde stukken blijkt immers niet wat de hoogte van de schuld was, wanneer de schuld is aangegaan en welke afspraken er zijn gemaakt over de terugbetaling. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat ze in goed vertrouwen steeds contant geld heeft geleend van [personen] (per keer steeds ongeveer
€ 500) voor boodschappen en dat zij zelf een lijstje van die bedragen heeft bijgehouden. In totaal zou zij een bedrag van € 19.500 hebben geleend. Deze verklaring ter zitting komt niet overeen met de print van onlinebankieren die eiseres bij de SBN heeft overgelegd (waarin [personen] verwijst naar een geldlening voor een bestelwagen) en wordt verder ook niet onderbouwd met stukken. Van belang is verder dat uit de stukken niet op te maken is welke afspraken er zijn gemaakt over de terugbetaling, zodat ook niet beoordeeld kan worden of voldaan is aan de eis van opeisbaarheid van de schuld. De rechtbank stelt verder vast dat de verklaring van de [personen] is opgemaakt na 1 juni 2021, dus pas nadat eiseres als gedupeerde is aangemerkt, zodat hieraan ook niet de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan hecht.




5.7
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat met de door eiseres overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat de door eiseres geclaimde schuld voldoet aan de eisen voor overname van de schuld. De minister heeft het verzoek van eiseres dan ook op goede gronden afgewezen.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt zij het griffierecht niet vergoed.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.




Bijlage wettelijk kader



Wet hersteloperatie toeslagen




Artikel 4.1, eerste lid,
Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.



Artikel 4.1, tweede lid,
De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.


Artikel 4.1, derde lid, onder b,
Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt.



Artikel 4.3, eerste lid
Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.



Artikel 4.3, derde lid, onder a
De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:

a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of


Artikel 9.1, tweede lid, onder a
Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3.




Opgenomen in artikel 4.1, tweede lid onder a en b van de Wht en artikel 4.3 van de Wht


ECLI:NL:RVS:2026:3158


ECLI:NL:RVS:2026:2890


Zie ook ECLI:NL:RVS:2025:6128