Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6743
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/443222/HA ZA 25-693 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser leverde beton aan gedaagde. Tijdens het afleveren heeft er een incident plaatsgevonden tussen de chauffeur die het beton vervoerde en de bestuurder van gedaagde. Dit was voor eiser aanleiding om verdere leveringen op te schorten. Eiser vordert betaling van facturen voor reeds geleverd beton. Gedaagde betwist de facturen niet maar stelt dat de schade die zij heeft geleden als gevolg van het staken van de levering deze vordering overstijgt. Gedaagde beroept zich op verrekening en vordert in reconventie schadevergoeding.De rechtbank wijst de conventie toe en de reconventie af. Er is terecht opgeschort door eiser.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.803 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/443222 / HA ZA 25-693
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
HEIDELBERG MATERIALS NEDERLAND BETON B.V.,
te 's-Hertogenbosch,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Heidelberg,
advocaat: mr. J. Stokmans,
tegen
[bedrijf] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. D. van Rein.
1De zaak in het kort
1.1.
Heidelberg leverde beton aan [bedrijf] . Tijdens het afleveren heeft er een incident plaatsgevonden tussen de chauffeur die het beton vervoerde en de bestuurder van [bedrijf] . Dit was voor Heidelberg aanleiding om verdere leveringen op te schorten. Heidelberg vordert betaling van facturen voor reeds geleverd beton. [bedrijf] betwist de facturen niet maar stelt dat de schade die zij heeft geleden als gevolg van het staken van de levering deze vordering overstijgt. [bedrijf] beroept zich op verrekening en vordert in reconventie schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat Heidelberg op goede gronden heeft opgeschort. De vordering van Heidelberg wordt toegewezen. De reconventionele vordering van [bedrijf] wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken,
de conclusie van antwoord in reconventie, met drie producties,
de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen,
de akte overlegging producties van [bedrijf] , met vier producties.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Heidelberg is producent en leverancier van beton(mortel). [bedrijf] produceert betonnen producten voor de bouw. De bestuurder van [bedrijf] is de heer [persoon 1] .
3.2.
Voor het bestellen van beton hadden medewerkers van beide bedrijven contact met elkaar. De bestellingen werden in het systeem van Heidelberg gezet en vervolgens in de planning opgenomen. Wanneer de bestelling in het systeem van Heidelberg was opgenomen, ontving de klant een sms-bericht als bevestiging daarvan. De levering moest daarna nog wel telefonisch bevestigd worden. Omdat beton een bederfelijk product is, moet het kort na levering gebruikt worden. Het is daardoor gebruikelijk dat leveringen en tijdstippen kort van tevoren gewijzigd worden. Wanneer een klant een bestelling korter dan 24 uur voor de geplande levering annuleert, brengt Heidelberg daar kosten voor in rekening.
3.3.
Op 14 maart 2025 heeft een medewerker van [bedrijf] (de heer [persoon 2] , [functie 1] , hierna: [persoon 2] ) diverse sms-berichten ontvangen met bevestigingen voor leveringen van verschillende bestellingen in de week van maandag 17 maart 2025 tot en met vrijdag 21 maart 2025.
3.4.
Op 14 maart 2025 zou Heidelberg meerdere vrachten beton leveren aan [bedrijf] . Eén van deze leveringen werd bezorgd in een vrachtwagen met mixer die werd bestuurd door [chauffeur] (hierna: [chauffeur] ). Bij aankomst kon [chauffeur] zijn lading niet lossen, omdat er op dat moment nog een andere mixer van Heidelberg werd gelost. [chauffeur] maakte zich zorgen dat het beton in de vrachtwagen zou uitharden. [chauffeur] is op enig moment vertrokken, zonder de lading te lossen. Na telefonisch contact tussen [bedrijf] en Heidelberg is [chauffeur] teruggekeerd. Er heeft daarna een woordenwisseling plaatsgevonden tussen chauffeur [chauffeur] en [persoon 1] , waarna de chauffeur is weggegaan. [persoon 1] is daarna in zijn auto achter [chauffeur] aangereden. Door over een parallelweg te rijden in plaats van de N-weg te nemen, wist [persoon 1] vóór de vrachtwagen van [chauffeur] te komen en is voor hem gaan rijden.
3.5.
Op 18 maart 2025 heeft Heidelberg digitaal aangifte gedaan tegen [persoon 1] van bedreiging. Op 2 april 2025 heeft een vertegenwoordiger van Heidelberg namens [chauffeur] in persoon opnieuw aangifte gedaan (via beeldverbinding). In de aangifte is vermeld dat [persoon 1] het volgende tegen [chauffeur] zou hebben gezegd: “Als je weggaat sla ik je op je bek en ik zal ook de voorruit van je auto inslaan”. Volgens de aangifte had [chauffeur] op dat moment zijn collega de heer [persoon 3] ( [functie 2] , hierna: [persoon 3] ) aan de lijn, die de uitlating van [persoon 1] gehoord zou hebben. In de aangifte staat verder dat [persoon 1] [chauffeur] heeft achtervolgd en, nadat hij vóór [chauffeur] op de weg was gekomen, langzaam is gaan rijden en herhaaldelijk zou hebben geremd. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 9 juli 2026 was bij partijen nog niets bekend over de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek.
3.6.
Na het incident op 14 maart 2025 heeft op dezelfde dag telefonisch contact plaatsgevonden tussen Heidelberg en [bedrijf] . Namens [bedrijf] is gevraagd of Heidelberg op maandag 17 maart 2025 nog zou leveren. De heer [persoon 4] ( [functie 3] , hierna: [persoon 4] ) heeft namens Heidelberg bevestigd dat er nog wel geleverd zou worden.
3.7.
Toen [persoon 2] op maandag 17 maart 2025 telefonisch contact opnam met Heidelberg om de levering voor die dag te bevestigen, werd hem door [persoon 4] medegedeeld dat Heidelberg alle leveringen aan [bedrijf] had gestaakt.
3.8.
Op 17 maart 2025 is door de heer [persoon 5] namens [bedrijf] een e-mail gestuurd met daarin onder meer het volgende:
“Ik begrijp dat jullie ons hebben medegedeeld per omgaande geen beton te leveren op onze projecten en in onze prefab hal.
Afgelopen vrijdag hebben [persoon 1] en ik met [persoon 4] telefonisch gesproken over het voorval. Er is zowel bij [persoon 1] als bij mij bevestigd dat jullie zouden leveren totdat er een gesprek was geweest. Ook zou er hoor- en wederhoor plaatsvinden.
Jullie komen op deze manier niet de gemaakte toezegging na en brengen de onderneming met deze actie dermate grote schade toe dat wij dan ook genoodzaakt zijn per omgaande de betalingen (…) op te schorten. Ook behouden wij ons het recht voor om eventuele gemaakte kosten van welke aard ook te verrekenen met deze facturen.”
3.9.
Op 18 maart 2024 heeft Heidelberg per mail gereageerd. Hierin staat onder meer het volgende:
“Het aan onze zijde opschorten van de leveringen is een rechtstreeks gevolg van het incident dat met een van onze chauffeurs heeft plaatsgevonden op vrijdag 14 maart jl. waarbij u ( [persoon 1] ) betrokken zou zijn geweest. Het incident is voor ons aanleiding geweest hiervan aangifte te doen bij de politie.
Ik wil u ook gelegenheid bieden om uw kant van het verhaal toe te lichten in een persoonlijk gesprek op ons hoofdkantoor in Den Bosch. (…)
Voor de goede orde merk ik op dat hervatten van leveringen pas aan de orde kan zijn nadat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden en dit tot een positieve uitkomst heeft geleid.”
3.10.
[bedrijf] is niet ingegaan op het voorstel om met Heidelberg in gesprek te gaan. [bedrijf] is het beton voor de projecten waar zij aan werkte bij andere leveranciers gaan inkopen.
3.11.
Op dat moment stond voor een bedrag van € 133.612,32 aan onbetaalde facturen open voor eerdere leveringen van beton. [bedrijf] heeft de ontvangen facturen niet betwist. [bedrijf] heeft een deel van het openstaande bedrag betaald en een deel verrekend met gestelde schade, waarna een openstaand bedrag van € 42.965,80 resteert.
3.12.
Partijen hebben uiteindelijk op 8 september 2025 op directieniveau een gesprek gevoerd. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Heidelberg vordert - samengevat - veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 45.747,32, vermeerderd met rente en kosten. De vordering betreft nakoming van de betalingsverplichting voor door Heidelberg aan [bedrijf] geleverd beton. Het bedrag bestaat voor € 42.965,80 uit de hoofdsom en voor het overige uit tot en met 1 december 2025 verschenen rente.
4.2.
[bedrijf] erkent dat zij het gevorderde bedrag verschuldigd is. [bedrijf] stelt echter dat Heidelberg toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichting, door vanaf 17 maart 2025 alle leveringen van beton te staken. Als gevolg daarvan heeft [bedrijf] schade geleden van in totaal € 88.712,64. Zij doet een beroep op verrekening met het in conventie gevorderde bedrag en vordert het resterende deel van de schade in reconventie.
in reconventie
4.3.
[bedrijf] vordert - samengevat - veroordeling van Heidelberg tot betaling van € 45.746,94, vermeerderd met rente en kosten. Dit betreft het deel van de door [bedrijf] gestelde schade dat resteert na verrekening met de vordering in conventie.
4.4.
[bedrijf] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Heidelberg heeft zonder goede reden de levering van beton per 17 maart 2025 gestaakt. [bedrijf] heeft hierdoor elders beton moeten inkopen tegen een hogere prijs. Daarnaast is sprake van stagnatieschade.
4.5.
Heidelberg voert verweer. Zij heeft - samengevat - aangevoerd dat er geen leveringsverplichting was. Wanneer de verplichting tot levering wel zou worden aangenomen, heeft Heidelberg een beroep gedaan op opschorting in de zin van artikel 6:263 BW, omdat zij de veiligheid van haar werknemers die beton kwamen afleveren niet kon garanderen. Heidelberg betwist ook het verzuim en (de hoogte van) de schade.
4.6.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1.
De verschuldigdheid van de facturen van Heidelberg door [bedrijf] staat vast. Het gevorderde bedrag aan hoofdsom is dan ook toewijsbaar, tenzij het beroep van [bedrijf] op verrekening met de haar gestelde (en deels in reconventie gevorderde) schade slaagt. Daarom zal eerst de vordering van [bedrijf] beoordeeld worden. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie worden deze dus gezamenlijk behandeld.
Leveringsverplichting
5.2.
[bedrijf] stelt dat Heidelberg tegenover haar tekort is geschoten door vanaf 17 maart 2025 geen beton meer te leveren. Volgens [bedrijf] had Heidelberg een doorlopende leveringsverplichting. Heidelberg betwist dat er überhaupt een leveringsverplichting bestond, nu de bestellingen van [bedrijf] nog niet telefonisch waren bevestigd.
5.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verschillende standpunten ingenomen over de duur van hun samenwerking, maar in ieder geval is duidelijk dat partijen al enige tijd zaken met elkaar deden. Mogelijk waren rechtsvoorgangers van [bedrijf] ook al klant bij Heidelberg en mogelijk was Heidelberg de enige leverancier van een bepaald soort beton voor [bedrijf] . Partijen waren voorwaarden overeengekomen en hanteerden een vaste werkwijze. [bedrijf] kocht in de relevante periode voor 3 projecten beton in bij Heidelberg. [bedrijf] heeft gelet op de betwisting door Heidelberg onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een leveringsverplichting en/of prijsafspraak bestond die tot het einde van 2025 gold voor die projecten. Als de handelsrelatie tussen partijen zou zijn blijven bestaan, zou [bedrijf] aanvragen hebben kunnen indienen bij Heidelberg, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit geen doorlopende leveringsverplichting voor Heidelberg in die zin dat Heidelberg gehouden was om nieuwe aanvragen in behandeling te nemen en uit te leveren. De rechtbank neemt daarom niet aan dat er een doorlopende leveringsverplichting bestond.
5.4.
De rechtbank is wel van oordeel dat Heidelberg gehouden was om in de week van 17 tot en met 21 maart 2025 te leveren. Voor de uitleg van de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt komt het onder meer aan op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dat verband is van belang dat partijen deze leveringen al geruime tijd van tevoren (in ieder geval in december 2023, toen [bedrijf] per e-mail doorgaf hoeveel beton ongeveer nodig was voor fase 1 van een project in [plaats 2] ) met elkaar besproken hebben. Vanuit Heidelberg is op 5 maart 2025 nog geïnformeerd naar het benodigde volume. Uit de sms-berichten volgt dat de leveringen in de week van 14 maart 2025 al bij Heidelberg in het systeem stonden en dus ook werden ingepland. Deze leveringen konden normaal gesproken telefonisch bevestigd worden door [bedrijf] , waarna levering zou plaatsvinden. Daar komt bij dat op vrijdag 14 maart 2025 nog door Heidelberg was bevestigd dat er maandag geleverd zou worden. Ook het beroep op opschorting dat daarna volgde, impliceert dat Heidelberg kennelijk zelf ook vond dat zij in beginsel gehouden was om te leveren.
5.5.
[bedrijf] heeft niet betwist dat de bestellingen niet telefonisch waren bevestigd en heeft erkend dat dit wel moest gebeuren. In de gegeven omstandigheden kan Heidelberg echter in redelijkheid geen beroep doen op het ontbreken van de telefonische bevestigingen. [persoon 2] heeft ter zitting verklaard dat hij op maandag 17 maart 2025 met Heidelberg heeft gebeld om de leveringen voor die dag te bevestigen. Toen is hem te kennen gegeven dat Heidelberg niet meer zou leveren vanwege het incident op 14 maart 2025. Dit is door Heidelberg erkend. [persoon 2] heeft daarna niet meer gebeld voor de overige leveringen van die week. Gelet op het standpunt van Heidelberg is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf] ervan uit mocht gaan dat opnieuw bellen om te bevestigen voor de overige leveringen zinloos was. [bedrijf] heeft wel in de e-mail van 17 maart 2025 laten weten dat zij het niet eens was met het staken van de leveringen. Uit de werkwijze tussen partijen zoals deze tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de telefonische bevestiging doorgaans op de dag zelf gebeurde. Uit deze praktijk volgt dat de telefonische bevestiging voornamelijk is bedoeld voor de afstemming van leveringen en tijdstippen vanwege de beperkte houdbaarheid van het beton. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er tot die bevestiging geen verplichting op Heidelberg rustte.
5.6.
[bedrijf] heeft aangevoerd dat er ook al leveringen voor april 2025 gepland stonden. Zij verwijst daarbij naar de sms-berichten die zijn overgelegd als productie 5 bij conclusie van antwoord. Deze productie bevat één sms-bericht voor een levering op 14 april 2025. Uit het tijdstip van het bericht (17 maart 2025 om 10:23 uur) volgt dat deze bestelling kennelijk is gedaan toen Heidelberg al had laten weten voorlopig niet meer te zullen leveren. Voor deze datum wordt daarom geen leveringsverplichting aangenomen.
Beroep op opschorting
5.7.
Nu Heidelberg wel gehouden was om in de week van 17 tot en met 21 maart 2025 beton te leveren, moet de vraag beantwoord worden of Heidelberg deze leveringen mocht opschorten. Heidelberg stelt dat zij als gevolg van het incident op 14 maart 2025 de veiligheid van haar werknemers niet langer kon garanderen. Zij heeft een beroep gedaan op artikel 6:263 BW. In dit artikel is bepaald dat de partij die het eerst moet presteren (in dit geval Heidelberg) bevoegd is de nakoming van haar verbintenis (het leveren van beton) op te schorten, wanneer zij na het sluiten van de overeenkomst informatie ontvangt die goede grond geeft om te vrezen dat de wederpartij ( [bedrijf] ) haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen. [bedrijf] heeft aangevoerd dat dit beroep niet opgaat, omdat de veiligheid van de werknemers van Heidelberg niet een van de ‘daartegenover staande verplichtingen’ betreft. Deze verplichtingen betreffen volgens [bedrijf] het afnemen van het beton en het betalen daarvoor. [bedrijf] stelt dat voor beide verplichtingen geen vrees kon bestaan dat [bedrijf] die niet zou nakomen.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank moet onder het in ontvangst nemen van het beton echter ook worden begrepen dat dit onder veilige omstandigheden kan gebeuren. Heidelberg heeft immers als werkgever een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar werknemers. Van haar kan niet verwacht worden dat zij een levering doet, wanneer er mogelijk sprake is van een onveilige situatie.
5.9.
Beoordeeld moet worden of het handelen van [persoon 1] op 14 maart 2025 de opschorting door Heidelberg rechtvaardigde. [persoon 1] heeft het gestelde handelen voor een deel erkend. Hij heeft bevestigd dat hij de chauffeur van Heidelberg heeft achtervolgd in zijn auto en dat hij er, door het nemen van een sluiproute, uiteindelijk in was geslaagd om voor de vrachtwagen van [chauffeur] te kunnen rijden. Dit gedrag was buitengewoon ongepast. [persoon 1] heeft dat tijdens de mondelinge behandeling ook toegegeven. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag geen redelijk doel diende en als intimiderend ervaren kan zijn door de chauffeur in kwestie, mede omdat het gaat om een werknemer (van Heidelberg) enerzijds en de bestuurder (van [bedrijf] ) anderzijds. [persoon 1] heeft door het gedrag dat hij erkent op zijn minst genomen een onveilige werksituatie veroorzaakt.
5.10.
De definitieve beslissing om de leveringen op te schorten berust in belangrijke mate op de gestelde bedreiging door [persoon 1] en gevaarlijk gedrag van hem op de weg. Het strafrechtelijk onderzoek loopt kennelijk nog, zodat dit geen duidelijkheid verschaft in deze civiele procedure. Namens Heidelberg is aangevoerd dat zij – vanwege de verantwoordelijkheid die zij heeft voor de veiligheid van haar werknemers – op 17 maart 2025 moest beslissen, en dat van haar niet verwacht kon worden dat zij de strafzaak zou afwachten. De rechtbank is van oordeel dat – ondanks dat nog niet definitief vaststond wat er precies was gebeurd – er bij Heidelberg wel een gegrond vermoeden kon bestaan dat er een dusdanig ernstig feit had plaatsgevonden dat zij mocht opschorten, in ieder geval totdat er een gesprek had plaatsgevonden. Heidelberg beschikte immers over de verklaringen van [chauffeur] en [persoon 3] . Zij heeft verder namens [chauffeur] aangifte gedaan. Een aangifte wordt niet lichtzinnig gedaan en is daarom een serieuze aanwijzing dat er daadwerkelijk iets strafbaars is gebeurd. Daar komt bij dat [persoon 1] het verhaal van [chauffeur] in ieder geval deels heeft erkend. Het is mogelijk dat het voorval een eenmalige gebeurtenis was die plaatsvond als gevolg van de stressvolle omstandigheden op vrijdag. Ook is goed mogelijk dat er niet een concreet gevaar bestond voor iedere werknemer van Heidelberg. Deze omstandigheden nemen echter niet weg dat er sprake was van (een vermoeden van) zodanig gedrag dat opschorting gerechtvaardigd was.
5.11.
[bedrijf] heeft aangevoerd dat het niet proportioneel was om per direct alle leveringen op te schorten. Het is aannemelijk dat het besluit grote gevolgen had voor [bedrijf] , omdat zij gerekend had op de leveringen en niet voor alle soorten beton snel een andere leverancier kon vinden. Daar staat tegenover dat Heidelberg de leveringen slechts opschortte tot er een gesprek zou zijn geweest. Overigens ging ook [bedrijf] er in de e-mail van 17 maart 2025 nog vanuit dat dit gesprek zou moeten plaatsvinden. Uiteindelijk heeft [bedrijf] de uitnodiging voor het gesprek echter afgeslagen. Zij heeft voordat het gesprek plaatsvond al de conclusie getrokken dat dit nergens toe zou leiden, terwijl een gesprek juist de mogelijkheid bood het geschil in de kiem te smoren. [bedrijf] heeft aangevoerd dat zij deze keuze heeft gemaakt omdat het gesprek ‘een voor Heidelberg positieve uitkomst’ moest hebben. [bedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven de brief als afpersing te ervaren. Dit is echter niet wat uit de brief van 18 maart 2025 volgt. Daarin staat dat “hervatten van leveringen pas aan de orde kan zijn nadat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden en dit tot een positieve uitkomst heeft geleid.” Uit de bewoordingen van deze brief kan niet afgeleid worden dat een gesprek om de leveringen te hervatten bij voorbaat zinloos zou zijn. Daar komt bij dat het vooral op de weg van [bedrijf] lag om het gesprek aan te gaan. Zij had immers iets uit te leggen nadat [persoon 1] de chauffeur van Heidelberg had achtervolgd. Dat Heidelberg de opschorting afhankelijk maakte van een gesprek was dan ook niet disproportioneel. [bedrijf] heeft er uiteindelijk zelf voor gekozen dit gesprek niet aan te gaan en in plaats daarvan direct andere leveranciers voor beton te zoeken.
5.12.
Nu het oordeel is dat Heidelberg haar leveringen mocht opschorten, is zij niet in verzuim geraakt. Door het ontbreken van verzuim is niet voldaan aan de vereisten voor vergoeding van schade van [bedrijf] voor het niet leveren in de week van 17 tot en met 21 maart 2025.
5.13.
Een klein deel van de door [bedrijf] gevorderde schade is niet het gevolg van de opschorting, maar van het niet (volledig) leveren op vrijdag 14 maart 2025. [bedrijf] zou daardoor in het weekend extra kosten hebben gemaakt. Het niet plaatsvinden van de levering op vrijdag was echter te wijten aan de planning van [bedrijf] (toegelicht is dat de planning van [bedrijf] twee betonmixers te kort op elkaar besteld had, zodat er problemen ontstonden met tijdig lossen) en aan de gedragingen van [persoon 1] op die dag. De schade als gevolg voor het niet leveren op vrijdag 14 maart 2025 dient daarom voor rekening van [bedrijf] te blijven.
Conclusie
5.14.
Uit het voorgaande volgt dat [bedrijf] geen opeisbare tegenvordering heeft op Heidelberg. Hierdoor slaagt het beroep op verrekening niet. Dit heeft tot gevolg dat de in conventie gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. Ook betekent het dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
Rente en kosten
5.15.
Heidelberg heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat Heidelberg voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 1.204,66. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
5.16.
Heidelberg heeft verschenen en vanaf 1 december 2025 te verschijnen wettelijke handelsrente gevorderd over de hoofdsom. De hoofdsom inclusief verschenen rente bedraagt € 45.747,32. [bedrijf] heeft de hoogte van het bedrag aan verschenen rente niet weersproken, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Uit de berekening van de verschenen rente blijkt wel dat dit de rente tot en met 1 december 2025 betreft. De te verschijnen rente zal daarom worden toegewezen vanaf 2 december 2025.
5.17.
[bedrijf] is zowel in conventie als reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van Heidelberg in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,25
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.845,25
De proceskosten van Heidelberg in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
€
645,00
(0,5 punt × € 1.290,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
793,00
5.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt zowel in conventie als reconventie toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan Heidelberg te betalen een bedrag van € 45.747,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [bedrijf] om aan Heidelberg te betalen een bedrag van € 1.204,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 5.845,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van [bedrijf] af,
6.6.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 793,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/443222 / HA ZA 25-693
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
HEIDELBERG MATERIALS NEDERLAND BETON B.V.,
te 's-Hertogenbosch,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Heidelberg,
advocaat: mr. J. Stokmans,
tegen
[bedrijf] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. D. van Rein.
1De zaak in het kort
1.1.
Heidelberg leverde beton aan [bedrijf] . Tijdens het afleveren heeft er een incident plaatsgevonden tussen de chauffeur die het beton vervoerde en de bestuurder van [bedrijf] . Dit was voor Heidelberg aanleiding om verdere leveringen op te schorten. Heidelberg vordert betaling van facturen voor reeds geleverd beton. [bedrijf] betwist de facturen niet maar stelt dat de schade die zij heeft geleden als gevolg van het staken van de levering deze vordering overstijgt. [bedrijf] beroept zich op verrekening en vordert in reconventie schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat Heidelberg op goede gronden heeft opgeschort. De vordering van Heidelberg wordt toegewezen. De reconventionele vordering van [bedrijf] wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 maart 2026 en de daarin genoemde processtukken,
de conclusie van antwoord in reconventie, met drie producties,
de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen,
de akte overlegging producties van [bedrijf] , met vier producties.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Heidelberg is producent en leverancier van beton(mortel). [bedrijf] produceert betonnen producten voor de bouw. De bestuurder van [bedrijf] is de heer [persoon 1] .
3.2.
Voor het bestellen van beton hadden medewerkers van beide bedrijven contact met elkaar. De bestellingen werden in het systeem van Heidelberg gezet en vervolgens in de planning opgenomen. Wanneer de bestelling in het systeem van Heidelberg was opgenomen, ontving de klant een sms-bericht als bevestiging daarvan. De levering moest daarna nog wel telefonisch bevestigd worden. Omdat beton een bederfelijk product is, moet het kort na levering gebruikt worden. Het is daardoor gebruikelijk dat leveringen en tijdstippen kort van tevoren gewijzigd worden. Wanneer een klant een bestelling korter dan 24 uur voor de geplande levering annuleert, brengt Heidelberg daar kosten voor in rekening.
3.3.
Op 14 maart 2025 heeft een medewerker van [bedrijf] (de heer [persoon 2] , [functie 1] , hierna: [persoon 2] ) diverse sms-berichten ontvangen met bevestigingen voor leveringen van verschillende bestellingen in de week van maandag 17 maart 2025 tot en met vrijdag 21 maart 2025.
3.4.
Op 14 maart 2025 zou Heidelberg meerdere vrachten beton leveren aan [bedrijf] . Eén van deze leveringen werd bezorgd in een vrachtwagen met mixer die werd bestuurd door [chauffeur] (hierna: [chauffeur] ). Bij aankomst kon [chauffeur] zijn lading niet lossen, omdat er op dat moment nog een andere mixer van Heidelberg werd gelost. [chauffeur] maakte zich zorgen dat het beton in de vrachtwagen zou uitharden. [chauffeur] is op enig moment vertrokken, zonder de lading te lossen. Na telefonisch contact tussen [bedrijf] en Heidelberg is [chauffeur] teruggekeerd. Er heeft daarna een woordenwisseling plaatsgevonden tussen chauffeur [chauffeur] en [persoon 1] , waarna de chauffeur is weggegaan. [persoon 1] is daarna in zijn auto achter [chauffeur] aangereden. Door over een parallelweg te rijden in plaats van de N-weg te nemen, wist [persoon 1] vóór de vrachtwagen van [chauffeur] te komen en is voor hem gaan rijden.
3.5.
Op 18 maart 2025 heeft Heidelberg digitaal aangifte gedaan tegen [persoon 1] van bedreiging. Op 2 april 2025 heeft een vertegenwoordiger van Heidelberg namens [chauffeur] in persoon opnieuw aangifte gedaan (via beeldverbinding). In de aangifte is vermeld dat [persoon 1] het volgende tegen [chauffeur] zou hebben gezegd: “Als je weggaat sla ik je op je bek en ik zal ook de voorruit van je auto inslaan”. Volgens de aangifte had [chauffeur] op dat moment zijn collega de heer [persoon 3] ( [functie 2] , hierna: [persoon 3] ) aan de lijn, die de uitlating van [persoon 1] gehoord zou hebben. In de aangifte staat verder dat [persoon 1] [chauffeur] heeft achtervolgd en, nadat hij vóór [chauffeur] op de weg was gekomen, langzaam is gaan rijden en herhaaldelijk zou hebben geremd. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 9 juli 2026 was bij partijen nog niets bekend over de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek.
3.6.
Na het incident op 14 maart 2025 heeft op dezelfde dag telefonisch contact plaatsgevonden tussen Heidelberg en [bedrijf] . Namens [bedrijf] is gevraagd of Heidelberg op maandag 17 maart 2025 nog zou leveren. De heer [persoon 4] ( [functie 3] , hierna: [persoon 4] ) heeft namens Heidelberg bevestigd dat er nog wel geleverd zou worden.
3.7.
Toen [persoon 2] op maandag 17 maart 2025 telefonisch contact opnam met Heidelberg om de levering voor die dag te bevestigen, werd hem door [persoon 4] medegedeeld dat Heidelberg alle leveringen aan [bedrijf] had gestaakt.
3.8.
Op 17 maart 2025 is door de heer [persoon 5] namens [bedrijf] een e-mail gestuurd met daarin onder meer het volgende:
“Ik begrijp dat jullie ons hebben medegedeeld per omgaande geen beton te leveren op onze projecten en in onze prefab hal.
Afgelopen vrijdag hebben [persoon 1] en ik met [persoon 4] telefonisch gesproken over het voorval. Er is zowel bij [persoon 1] als bij mij bevestigd dat jullie zouden leveren totdat er een gesprek was geweest. Ook zou er hoor- en wederhoor plaatsvinden.
Jullie komen op deze manier niet de gemaakte toezegging na en brengen de onderneming met deze actie dermate grote schade toe dat wij dan ook genoodzaakt zijn per omgaande de betalingen (…) op te schorten. Ook behouden wij ons het recht voor om eventuele gemaakte kosten van welke aard ook te verrekenen met deze facturen.”
3.9.
Op 18 maart 2024 heeft Heidelberg per mail gereageerd. Hierin staat onder meer het volgende:
“Het aan onze zijde opschorten van de leveringen is een rechtstreeks gevolg van het incident dat met een van onze chauffeurs heeft plaatsgevonden op vrijdag 14 maart jl. waarbij u ( [persoon 1] ) betrokken zou zijn geweest. Het incident is voor ons aanleiding geweest hiervan aangifte te doen bij de politie.
Ik wil u ook gelegenheid bieden om uw kant van het verhaal toe te lichten in een persoonlijk gesprek op ons hoofdkantoor in Den Bosch. (…)
Voor de goede orde merk ik op dat hervatten van leveringen pas aan de orde kan zijn nadat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden en dit tot een positieve uitkomst heeft geleid.”
3.10.
[bedrijf] is niet ingegaan op het voorstel om met Heidelberg in gesprek te gaan. [bedrijf] is het beton voor de projecten waar zij aan werkte bij andere leveranciers gaan inkopen.
3.11.
Op dat moment stond voor een bedrag van € 133.612,32 aan onbetaalde facturen open voor eerdere leveringen van beton. [bedrijf] heeft de ontvangen facturen niet betwist. [bedrijf] heeft een deel van het openstaande bedrag betaald en een deel verrekend met gestelde schade, waarna een openstaand bedrag van € 42.965,80 resteert.
3.12.
Partijen hebben uiteindelijk op 8 september 2025 op directieniveau een gesprek gevoerd. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Heidelberg vordert - samengevat - veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 45.747,32, vermeerderd met rente en kosten. De vordering betreft nakoming van de betalingsverplichting voor door Heidelberg aan [bedrijf] geleverd beton. Het bedrag bestaat voor € 42.965,80 uit de hoofdsom en voor het overige uit tot en met 1 december 2025 verschenen rente.
4.2.
[bedrijf] erkent dat zij het gevorderde bedrag verschuldigd is. [bedrijf] stelt echter dat Heidelberg toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichting, door vanaf 17 maart 2025 alle leveringen van beton te staken. Als gevolg daarvan heeft [bedrijf] schade geleden van in totaal € 88.712,64. Zij doet een beroep op verrekening met het in conventie gevorderde bedrag en vordert het resterende deel van de schade in reconventie.
in reconventie
4.3.
[bedrijf] vordert - samengevat - veroordeling van Heidelberg tot betaling van € 45.746,94, vermeerderd met rente en kosten. Dit betreft het deel van de door [bedrijf] gestelde schade dat resteert na verrekening met de vordering in conventie.
4.4.
[bedrijf] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Heidelberg heeft zonder goede reden de levering van beton per 17 maart 2025 gestaakt. [bedrijf] heeft hierdoor elders beton moeten inkopen tegen een hogere prijs. Daarnaast is sprake van stagnatieschade.
4.5.
Heidelberg voert verweer. Zij heeft - samengevat - aangevoerd dat er geen leveringsverplichting was. Wanneer de verplichting tot levering wel zou worden aangenomen, heeft Heidelberg een beroep gedaan op opschorting in de zin van artikel 6:263 BW, omdat zij de veiligheid van haar werknemers die beton kwamen afleveren niet kon garanderen. Heidelberg betwist ook het verzuim en (de hoogte van) de schade.
4.6.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1.
De verschuldigdheid van de facturen van Heidelberg door [bedrijf] staat vast. Het gevorderde bedrag aan hoofdsom is dan ook toewijsbaar, tenzij het beroep van [bedrijf] op verrekening met de haar gestelde (en deels in reconventie gevorderde) schade slaagt. Daarom zal eerst de vordering van [bedrijf] beoordeeld worden. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie worden deze dus gezamenlijk behandeld.
Leveringsverplichting
5.2.
[bedrijf] stelt dat Heidelberg tegenover haar tekort is geschoten door vanaf 17 maart 2025 geen beton meer te leveren. Volgens [bedrijf] had Heidelberg een doorlopende leveringsverplichting. Heidelberg betwist dat er überhaupt een leveringsverplichting bestond, nu de bestellingen van [bedrijf] nog niet telefonisch waren bevestigd.
5.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verschillende standpunten ingenomen over de duur van hun samenwerking, maar in ieder geval is duidelijk dat partijen al enige tijd zaken met elkaar deden. Mogelijk waren rechtsvoorgangers van [bedrijf] ook al klant bij Heidelberg en mogelijk was Heidelberg de enige leverancier van een bepaald soort beton voor [bedrijf] . Partijen waren voorwaarden overeengekomen en hanteerden een vaste werkwijze. [bedrijf] kocht in de relevante periode voor 3 projecten beton in bij Heidelberg. [bedrijf] heeft gelet op de betwisting door Heidelberg onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een leveringsverplichting en/of prijsafspraak bestond die tot het einde van 2025 gold voor die projecten. Als de handelsrelatie tussen partijen zou zijn blijven bestaan, zou [bedrijf] aanvragen hebben kunnen indienen bij Heidelberg, maar naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit geen doorlopende leveringsverplichting voor Heidelberg in die zin dat Heidelberg gehouden was om nieuwe aanvragen in behandeling te nemen en uit te leveren. De rechtbank neemt daarom niet aan dat er een doorlopende leveringsverplichting bestond.
5.4.
De rechtbank is wel van oordeel dat Heidelberg gehouden was om in de week van 17 tot en met 21 maart 2025 te leveren. Voor de uitleg van de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt komt het onder meer aan op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dat verband is van belang dat partijen deze leveringen al geruime tijd van tevoren (in ieder geval in december 2023, toen [bedrijf] per e-mail doorgaf hoeveel beton ongeveer nodig was voor fase 1 van een project in [plaats 2] ) met elkaar besproken hebben. Vanuit Heidelberg is op 5 maart 2025 nog geïnformeerd naar het benodigde volume. Uit de sms-berichten volgt dat de leveringen in de week van 14 maart 2025 al bij Heidelberg in het systeem stonden en dus ook werden ingepland. Deze leveringen konden normaal gesproken telefonisch bevestigd worden door [bedrijf] , waarna levering zou plaatsvinden. Daar komt bij dat op vrijdag 14 maart 2025 nog door Heidelberg was bevestigd dat er maandag geleverd zou worden. Ook het beroep op opschorting dat daarna volgde, impliceert dat Heidelberg kennelijk zelf ook vond dat zij in beginsel gehouden was om te leveren.
5.5.
[bedrijf] heeft niet betwist dat de bestellingen niet telefonisch waren bevestigd en heeft erkend dat dit wel moest gebeuren. In de gegeven omstandigheden kan Heidelberg echter in redelijkheid geen beroep doen op het ontbreken van de telefonische bevestigingen. [persoon 2] heeft ter zitting verklaard dat hij op maandag 17 maart 2025 met Heidelberg heeft gebeld om de leveringen voor die dag te bevestigen. Toen is hem te kennen gegeven dat Heidelberg niet meer zou leveren vanwege het incident op 14 maart 2025. Dit is door Heidelberg erkend. [persoon 2] heeft daarna niet meer gebeld voor de overige leveringen van die week. Gelet op het standpunt van Heidelberg is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf] ervan uit mocht gaan dat opnieuw bellen om te bevestigen voor de overige leveringen zinloos was. [bedrijf] heeft wel in de e-mail van 17 maart 2025 laten weten dat zij het niet eens was met het staken van de leveringen. Uit de werkwijze tussen partijen zoals deze tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de telefonische bevestiging doorgaans op de dag zelf gebeurde. Uit deze praktijk volgt dat de telefonische bevestiging voornamelijk is bedoeld voor de afstemming van leveringen en tijdstippen vanwege de beperkte houdbaarheid van het beton. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er tot die bevestiging geen verplichting op Heidelberg rustte.
5.6.
[bedrijf] heeft aangevoerd dat er ook al leveringen voor april 2025 gepland stonden. Zij verwijst daarbij naar de sms-berichten die zijn overgelegd als productie 5 bij conclusie van antwoord. Deze productie bevat één sms-bericht voor een levering op 14 april 2025. Uit het tijdstip van het bericht (17 maart 2025 om 10:23 uur) volgt dat deze bestelling kennelijk is gedaan toen Heidelberg al had laten weten voorlopig niet meer te zullen leveren. Voor deze datum wordt daarom geen leveringsverplichting aangenomen.
Beroep op opschorting
5.7.
Nu Heidelberg wel gehouden was om in de week van 17 tot en met 21 maart 2025 beton te leveren, moet de vraag beantwoord worden of Heidelberg deze leveringen mocht opschorten. Heidelberg stelt dat zij als gevolg van het incident op 14 maart 2025 de veiligheid van haar werknemers niet langer kon garanderen. Zij heeft een beroep gedaan op artikel 6:263 BW. In dit artikel is bepaald dat de partij die het eerst moet presteren (in dit geval Heidelberg) bevoegd is de nakoming van haar verbintenis (het leveren van beton) op te schorten, wanneer zij na het sluiten van de overeenkomst informatie ontvangt die goede grond geeft om te vrezen dat de wederpartij ( [bedrijf] ) haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen. [bedrijf] heeft aangevoerd dat dit beroep niet opgaat, omdat de veiligheid van de werknemers van Heidelberg niet een van de ‘daartegenover staande verplichtingen’ betreft. Deze verplichtingen betreffen volgens [bedrijf] het afnemen van het beton en het betalen daarvoor. [bedrijf] stelt dat voor beide verplichtingen geen vrees kon bestaan dat [bedrijf] die niet zou nakomen.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank moet onder het in ontvangst nemen van het beton echter ook worden begrepen dat dit onder veilige omstandigheden kan gebeuren. Heidelberg heeft immers als werkgever een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar werknemers. Van haar kan niet verwacht worden dat zij een levering doet, wanneer er mogelijk sprake is van een onveilige situatie.
5.9.
Beoordeeld moet worden of het handelen van [persoon 1] op 14 maart 2025 de opschorting door Heidelberg rechtvaardigde. [persoon 1] heeft het gestelde handelen voor een deel erkend. Hij heeft bevestigd dat hij de chauffeur van Heidelberg heeft achtervolgd in zijn auto en dat hij er, door het nemen van een sluiproute, uiteindelijk in was geslaagd om voor de vrachtwagen van [chauffeur] te kunnen rijden. Dit gedrag was buitengewoon ongepast. [persoon 1] heeft dat tijdens de mondelinge behandeling ook toegegeven. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag geen redelijk doel diende en als intimiderend ervaren kan zijn door de chauffeur in kwestie, mede omdat het gaat om een werknemer (van Heidelberg) enerzijds en de bestuurder (van [bedrijf] ) anderzijds. [persoon 1] heeft door het gedrag dat hij erkent op zijn minst genomen een onveilige werksituatie veroorzaakt.
5.10.
De definitieve beslissing om de leveringen op te schorten berust in belangrijke mate op de gestelde bedreiging door [persoon 1] en gevaarlijk gedrag van hem op de weg. Het strafrechtelijk onderzoek loopt kennelijk nog, zodat dit geen duidelijkheid verschaft in deze civiele procedure. Namens Heidelberg is aangevoerd dat zij – vanwege de verantwoordelijkheid die zij heeft voor de veiligheid van haar werknemers – op 17 maart 2025 moest beslissen, en dat van haar niet verwacht kon worden dat zij de strafzaak zou afwachten. De rechtbank is van oordeel dat – ondanks dat nog niet definitief vaststond wat er precies was gebeurd – er bij Heidelberg wel een gegrond vermoeden kon bestaan dat er een dusdanig ernstig feit had plaatsgevonden dat zij mocht opschorten, in ieder geval totdat er een gesprek had plaatsgevonden. Heidelberg beschikte immers over de verklaringen van [chauffeur] en [persoon 3] . Zij heeft verder namens [chauffeur] aangifte gedaan. Een aangifte wordt niet lichtzinnig gedaan en is daarom een serieuze aanwijzing dat er daadwerkelijk iets strafbaars is gebeurd. Daar komt bij dat [persoon 1] het verhaal van [chauffeur] in ieder geval deels heeft erkend. Het is mogelijk dat het voorval een eenmalige gebeurtenis was die plaatsvond als gevolg van de stressvolle omstandigheden op vrijdag. Ook is goed mogelijk dat er niet een concreet gevaar bestond voor iedere werknemer van Heidelberg. Deze omstandigheden nemen echter niet weg dat er sprake was van (een vermoeden van) zodanig gedrag dat opschorting gerechtvaardigd was.
5.11.
[bedrijf] heeft aangevoerd dat het niet proportioneel was om per direct alle leveringen op te schorten. Het is aannemelijk dat het besluit grote gevolgen had voor [bedrijf] , omdat zij gerekend had op de leveringen en niet voor alle soorten beton snel een andere leverancier kon vinden. Daar staat tegenover dat Heidelberg de leveringen slechts opschortte tot er een gesprek zou zijn geweest. Overigens ging ook [bedrijf] er in de e-mail van 17 maart 2025 nog vanuit dat dit gesprek zou moeten plaatsvinden. Uiteindelijk heeft [bedrijf] de uitnodiging voor het gesprek echter afgeslagen. Zij heeft voordat het gesprek plaatsvond al de conclusie getrokken dat dit nergens toe zou leiden, terwijl een gesprek juist de mogelijkheid bood het geschil in de kiem te smoren. [bedrijf] heeft aangevoerd dat zij deze keuze heeft gemaakt omdat het gesprek ‘een voor Heidelberg positieve uitkomst’ moest hebben. [bedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven de brief als afpersing te ervaren. Dit is echter niet wat uit de brief van 18 maart 2025 volgt. Daarin staat dat “hervatten van leveringen pas aan de orde kan zijn nadat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden en dit tot een positieve uitkomst heeft geleid.” Uit de bewoordingen van deze brief kan niet afgeleid worden dat een gesprek om de leveringen te hervatten bij voorbaat zinloos zou zijn. Daar komt bij dat het vooral op de weg van [bedrijf] lag om het gesprek aan te gaan. Zij had immers iets uit te leggen nadat [persoon 1] de chauffeur van Heidelberg had achtervolgd. Dat Heidelberg de opschorting afhankelijk maakte van een gesprek was dan ook niet disproportioneel. [bedrijf] heeft er uiteindelijk zelf voor gekozen dit gesprek niet aan te gaan en in plaats daarvan direct andere leveranciers voor beton te zoeken.
5.12.
Nu het oordeel is dat Heidelberg haar leveringen mocht opschorten, is zij niet in verzuim geraakt. Door het ontbreken van verzuim is niet voldaan aan de vereisten voor vergoeding van schade van [bedrijf] voor het niet leveren in de week van 17 tot en met 21 maart 2025.
5.13.
Een klein deel van de door [bedrijf] gevorderde schade is niet het gevolg van de opschorting, maar van het niet (volledig) leveren op vrijdag 14 maart 2025. [bedrijf] zou daardoor in het weekend extra kosten hebben gemaakt. Het niet plaatsvinden van de levering op vrijdag was echter te wijten aan de planning van [bedrijf] (toegelicht is dat de planning van [bedrijf] twee betonmixers te kort op elkaar besteld had, zodat er problemen ontstonden met tijdig lossen) en aan de gedragingen van [persoon 1] op die dag. De schade als gevolg voor het niet leveren op vrijdag 14 maart 2025 dient daarom voor rekening van [bedrijf] te blijven.
Conclusie
5.14.
Uit het voorgaande volgt dat [bedrijf] geen opeisbare tegenvordering heeft op Heidelberg. Hierdoor slaagt het beroep op verrekening niet. Dit heeft tot gevolg dat de in conventie gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. Ook betekent het dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
Rente en kosten
5.15.
Heidelberg heeft vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat Heidelberg voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 1.204,66. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
5.16.
Heidelberg heeft verschenen en vanaf 1 december 2025 te verschijnen wettelijke handelsrente gevorderd over de hoofdsom. De hoofdsom inclusief verschenen rente bedraagt € 45.747,32. [bedrijf] heeft de hoogte van het bedrag aan verschenen rente niet weersproken, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Uit de berekening van de verschenen rente blijkt wel dat dit de rente tot en met 1 december 2025 betreft. De te verschijnen rente zal daarom worden toegewezen vanaf 2 december 2025.
5.17.
[bedrijf] is zowel in conventie als reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van Heidelberg in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,25
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.845,25
De proceskosten van Heidelberg in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
€
645,00
(0,5 punt × € 1.290,00)
- nakosten
€
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
793,00
5.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt zowel in conventie als reconventie toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan Heidelberg te betalen een bedrag van € 45.747,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [bedrijf] om aan Heidelberg te betalen een bedrag van € 1.204,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 5.845,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van [bedrijf] af,
6.6.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 793,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt [bedrijf] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.