Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6741
2026-06-04
Civiel recht
11889372 OV VERZ 25-4355 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appartementsrecht, verzoek machtiging ontslag bestuur, afgewezen. Verzoek besluit van het bestuur tot het aangaan van een overeenkomst nietig verklaren, toegewezen. Bestuurt heeft niet de bevoegdheid om zelfstandig die overeenkomst aan te gaan.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.691 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11889372 \ OV VERZ 25-4355
Beschikking van 4 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
DE VERENIGING VAN EIGENAREN [verweerder],
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. A.C.W. Luijk-Van Veldhuizen,
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 19 september 2025 ontvangen verzoekschrift met producties,
- de op 29 oktober 2025 ontvangen aanvullende producties van [verzoeker] ,
- de op 10 november 2025 ontvangen aanvullende productie van [verzoeker] ,
- het op 19 februari 2026 ontvangen aanvullend verzoek met producties,
- het op 27 februari 2026 ontvangen nadere onderbouwing van het verzoekschrift met producties,
- het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift met producties,
- de op 4 maart 2026 ontvangen aanvullende producties van de VvE,
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde nadere reactie van de VvE,
- de brief van 21 april 2026 van de VvE met bijlagen,
- de brief van 27 april 2026 van [verzoeker] met een bijlage.
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is eigenaar van de woning [adres] te [plaats 3] met appartementsindex A-31 en als zodanig van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Het appartementsrecht is ontstaan bij akte van splitsing van 7 december 1976,
waarbij de VvE is opgericht en waarbij van toepassing is verklaard Modelreglement
1973. Dit modelreglement is met enkele wijzigingen gehandhaafd bij de wijziging van
de akte van splitsing van 6 oktober 2006 (hierna: het Reglement).
2.3.
In september 2023 is [verzoeker] als penningmeester toegetreden tot het bestuur, hij heeft zijn taken in september 2024 beëindigd.
2.4.
Bij akte van levering van 28 augustus 2025 heeft de VvE het appartementsrecht met index A-57 (hierna: het hotel) in eigendom verkregen. De vergadering van eigenaars (hierna: de ALV) besloot tot deze aankoop in de extra vergadering gehouden op 5 oktober 2024. De VvE verhuurt het hotel.
2.5.
Op 15 november 2025 heeft een ALV plaatsgevonden waar onder meer gestemd is over het ontslaan van het bestuur. Een ruime meerderheid heeft gestemd voor het aanhouden van het bestuur.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt - samengevat - na wijziging van zijn verzoek:
I. het verlenen van een vervangende machtiging om het bestuur van de VvE te ontslaan als de ALV dit weigert,
II. de overeenkomst met [accountant] nietig te verklaren en de bestuurders te veroordelen tot betaling van eventuele daaruit voortvloeiende kosten,
III. de bestuurders te veroordelen in de proceskosten, waaronder € 432,49 aan griffierecht en kopieer-, print- en verzendkosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende - samengevat - ten grondslag gelegd. [verzoeker] stelt zich voor verzoek I op het standpunt dat het bestuur moet worden ontslagen, omdat er in strijd met verschillende bepalingen uit het Reglement wordt gehandeld. Zo moet op grond van artikel 31.2 van het Reglement de onderhoudsreserve op een aparte bankrekening staan. Ook wordt artikel 40 lid 1 van het Reglement overtreden omdat het bestuur uit meer dan een bestuurder bestaat, maar er geen bestuursleden in de functies van secretaris en penningmeester zijn benoemd. Daarnaast heeft [verzoeker] ondanks zijn verzoek niet alle informatie ontvangen, waarmee in strijd met artikel 40 lid 6 van het Reglement wordt gehandeld. Verder voert [verzoeker] aan dat het bestuur de financiële administratie verwaarloost, deze administratie niet op orde is en er onrechtmatig wordt beschikt over de middelen van de VvE. [verzoeker] stelt voor verzoek II dat het bestuur buiten zijn bevoegdheid een overeenkomst is aangegaan met [accountant] voor de verhuur- en btw-administratie aangaande het hotel.
3.3.
De VvE voert verweer. De VvE vindt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, dan wel dat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren, dan wel dat de verzoeken moeten worden afgewezen en wil dat [verzoeker] uitvoerbaar bij voorraad in de proces- en nakosten wordt veroordeeld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Voor verzoek I geldt dat de VvE in rechte moet worden betrokken omdat benoeming en ontslag van een bestuurder plaatsvindt door een besluit van de ALV. Uit het verzoekschrift en de toelichting van [verzoeker] tijdens de zitting begrijpt de kantonrechter dat verzoek I gericht is aan de VvE, in dezen vertegenwoordigd door het bestuur van de VvE. Uit de kop van het verweerschrift en de verklaring van de VvE tijdens de zitting volgt dat de VvE daarmee instemt en zij in rechte is betrokken. Dit is ook als zodanig aangepast in de kop van deze beschikking. Gelet hierop is [verzoeker] ontvankelijk voor wat betreft verzoek I en zal het verzoek inhoudelijk worden behandeld.
4.2.
Voordat verzoek II inhoudelijk kan worden beoordeeld, moet de vraag worden beantwoord of de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van dit verzoek en/of dit verzoek door middel van het verzoekschrift op de juiste wijze is ingeleid. Tijdens de zitting is aan partijen voorgehouden dat partijen op grond van artikel 96 Rv er ook voor kunnen kiezen om de zaak aan de kantonrechter ter beslissing voor te leggen. Na overleg hebben beide partijen te kennen gegeven dat zij hebben besloten om op grond van artikel 96 Rv deze kwestie voor te leggen aan de kantonrechter. De kantonrechter zal voor de beoordeling van de zaak de verzoekschriftprocedure hanteren als de wijze waarop de kantonrechter bepaalt dat het geding wordt gevoerd.
Verzoek I: inhoudelijk
4.3.
Op de ALV van 15 november 2025 is na stemming met ruime meerderheid besloten om het bestuur aan te houden en het bestuur niet te ontslaan. [verzoeker] verzoekt op grond van artikel 5:121 BW machtiging van de kantonrechter om het bestuur te ontslaan. De kantonrechter verleent deze machtiging alleen indien de medewerking of toestemming van de VvE zonder redelijke grond is geweigerd. Niet is gebleken, dan wel dat is onvoldoende onderbouwd, dat hiervan sprake is. Allereerst volgt uit de notulen van de ALV van 15 november 2025 dat [verzoeker] tijdens de ALV zijn argumenten waarom het bestuur volgens hem moet worden ontslagen heeft aangevoerd en dat andere leden tijdens de ALV hebben aangeven wel fouten en/of problemen te zien, maar dat het vervangen van het bestuur de problemen niet oplost. Hieruit blijkt dat op de ALV van 15 november 2025 weloverwogen is gestemd over het besluit om het bestuur aan te houden. De ALV heeft geen aanleiding gezien om het bestuur te ontslaan en heeft daarmee het vertrouwen in het bestuur uitgesproken. Vanwege het democratische karakter van de VvE, heeft de minderheid zich in beginsel naar het besluit te voegen.
4.4.
Daarnaast geldt dat de gestelde chaos in de financiële administratie door het bestuur wordt erkend. Het bestuur heeft aangevoerd dat de oorzaak daarvan ligt bij MVGM, waarbij de administratie van de VvE ondergebracht. Het kost het bestuur veel tijd en moeite om dit opgelost te krijgen. Het heeft daarover wekelijks contact met MVGM. Gelet hierop zal ontslag van het bestuur niet leiden tot een verbetering van de financiële administratie. Dit is door [verzoeker] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Verder is niet gebleken dat het bestuur zodanige fouten maakt of heeft gemaakt dat het (financiële) belang van [verzoeker] op een dusdanige wijze wordt geschaad dat er geen redelijke grond is om het bestuur niet te ontslaan. Dit geldt ook voor de overige door [verzoeker] aangevoerde argumenten, inhoudende dat in strijd met verschillende bepalingen uit het Reglement wordt gehandeld. Het in strijd handelen met de door [verzoeker] genoemde bepalingen maakt niet dat het belang van [verzoeker] dusdanig is geschaad dat het bestuur in weerwil van het andersluidende besluit van de ALV alsnog moet worden ontslagen.
Verzoek II: inhoudelijk
4.5.
Gelet op de toelichting van [verzoeker] tijdens de zitting wordt zijn verzoek onder II zo begrepen dat het besluit van het bestuur tot het aangaan van de overeenkomst met [accountant] nietig moet worden verklaard. Vast staat dat het bestuur deze overeenkomst is aangegaan zonder dat formele besluitvorming daarover vooraf heeft plaatsgevonden in de ALV. Op 11 april 2026 heeft een ALV plaatsgevonden waar het punt om alsnog goedkeuring te verkrijgen voor het inschakelen van [accountant] is geagendeerd. Hoewel de lezingen van partijen uiteenlopen als het gaat of er al dan niet is gestemd over het alsnog verlenen van toestemming voor het aangaan van de overeenkomst met [accountant], staat tussen partijen vast dat het door het bestuur genomen besluit om een overeenkomst met [accountant] aan te gaan op de ALV van 11 april 2026 niet is bekrachtigd. Dit betekent dat het besluit van het bestuur om een overeenkomst met [accountant] aan te gaan in strijd is met artikel 40 lid 3 van het Reglement en daarom nietig is. Het bestuur heeft op grond van die bepaling niet de bevoegdheid om zelfstandig een overeenkomst met [accountant] aan te gaan, enkel de ALV kan besluiten de administratie op te dragen aan een door de ALV aan te wijzen administratief beheerder. Het verzoek onder II zal dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is bepaald.
4.6.
Uit het bericht van [verzoeker] van 27 april 2026 begrijpt de kantonrechter dat hij het gedeelte van zijn verzoek onder II om de bestuurders te veroordelen tot betaling van eventuele daaruit voortvloeiende kosten, niet langer handhaaft. Over dit deel van het verzoek zal de kantonrechter dan ook niet oordelen.
4.7.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het besluit van het bestuur om een overeenkomst aan te gaan met [accountant] nietig is,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11889372 \ OV VERZ 25-4355
Beschikking van 4 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
DE VERENIGING VAN EIGENAREN [verweerder],
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. A.C.W. Luijk-Van Veldhuizen,
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 19 september 2025 ontvangen verzoekschrift met producties,
- de op 29 oktober 2025 ontvangen aanvullende producties van [verzoeker] ,
- de op 10 november 2025 ontvangen aanvullende productie van [verzoeker] ,
- het op 19 februari 2026 ontvangen aanvullend verzoek met producties,
- het op 27 februari 2026 ontvangen nadere onderbouwing van het verzoekschrift met producties,
- het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift met producties,
- de op 4 maart 2026 ontvangen aanvullende producties van de VvE,
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde nadere reactie van de VvE,
- de brief van 21 april 2026 van de VvE met bijlagen,
- de brief van 27 april 2026 van [verzoeker] met een bijlage.
2De feiten
2.1.
[verzoeker] is eigenaar van de woning [adres] te [plaats 3] met appartementsindex A-31 en als zodanig van rechtswege lid van de VvE.
2.2.
Het appartementsrecht is ontstaan bij akte van splitsing van 7 december 1976,
waarbij de VvE is opgericht en waarbij van toepassing is verklaard Modelreglement
1973. Dit modelreglement is met enkele wijzigingen gehandhaafd bij de wijziging van
de akte van splitsing van 6 oktober 2006 (hierna: het Reglement).
2.3.
In september 2023 is [verzoeker] als penningmeester toegetreden tot het bestuur, hij heeft zijn taken in september 2024 beëindigd.
2.4.
Bij akte van levering van 28 augustus 2025 heeft de VvE het appartementsrecht met index A-57 (hierna: het hotel) in eigendom verkregen. De vergadering van eigenaars (hierna: de ALV) besloot tot deze aankoop in de extra vergadering gehouden op 5 oktober 2024. De VvE verhuurt het hotel.
2.5.
Op 15 november 2025 heeft een ALV plaatsgevonden waar onder meer gestemd is over het ontslaan van het bestuur. Een ruime meerderheid heeft gestemd voor het aanhouden van het bestuur.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt - samengevat - na wijziging van zijn verzoek:
I. het verlenen van een vervangende machtiging om het bestuur van de VvE te ontslaan als de ALV dit weigert,
II. de overeenkomst met [accountant] nietig te verklaren en de bestuurders te veroordelen tot betaling van eventuele daaruit voortvloeiende kosten,
III. de bestuurders te veroordelen in de proceskosten, waaronder € 432,49 aan griffierecht en kopieer-, print- en verzendkosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende - samengevat - ten grondslag gelegd. [verzoeker] stelt zich voor verzoek I op het standpunt dat het bestuur moet worden ontslagen, omdat er in strijd met verschillende bepalingen uit het Reglement wordt gehandeld. Zo moet op grond van artikel 31.2 van het Reglement de onderhoudsreserve op een aparte bankrekening staan. Ook wordt artikel 40 lid 1 van het Reglement overtreden omdat het bestuur uit meer dan een bestuurder bestaat, maar er geen bestuursleden in de functies van secretaris en penningmeester zijn benoemd. Daarnaast heeft [verzoeker] ondanks zijn verzoek niet alle informatie ontvangen, waarmee in strijd met artikel 40 lid 6 van het Reglement wordt gehandeld. Verder voert [verzoeker] aan dat het bestuur de financiële administratie verwaarloost, deze administratie niet op orde is en er onrechtmatig wordt beschikt over de middelen van de VvE. [verzoeker] stelt voor verzoek II dat het bestuur buiten zijn bevoegdheid een overeenkomst is aangegaan met [accountant] voor de verhuur- en btw-administratie aangaande het hotel.
3.3.
De VvE voert verweer. De VvE vindt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, dan wel dat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren, dan wel dat de verzoeken moeten worden afgewezen en wil dat [verzoeker] uitvoerbaar bij voorraad in de proces- en nakosten wordt veroordeeld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Voor verzoek I geldt dat de VvE in rechte moet worden betrokken omdat benoeming en ontslag van een bestuurder plaatsvindt door een besluit van de ALV. Uit het verzoekschrift en de toelichting van [verzoeker] tijdens de zitting begrijpt de kantonrechter dat verzoek I gericht is aan de VvE, in dezen vertegenwoordigd door het bestuur van de VvE. Uit de kop van het verweerschrift en de verklaring van de VvE tijdens de zitting volgt dat de VvE daarmee instemt en zij in rechte is betrokken. Dit is ook als zodanig aangepast in de kop van deze beschikking. Gelet hierop is [verzoeker] ontvankelijk voor wat betreft verzoek I en zal het verzoek inhoudelijk worden behandeld.
4.2.
Voordat verzoek II inhoudelijk kan worden beoordeeld, moet de vraag worden beantwoord of de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van dit verzoek en/of dit verzoek door middel van het verzoekschrift op de juiste wijze is ingeleid. Tijdens de zitting is aan partijen voorgehouden dat partijen op grond van artikel 96 Rv er ook voor kunnen kiezen om de zaak aan de kantonrechter ter beslissing voor te leggen. Na overleg hebben beide partijen te kennen gegeven dat zij hebben besloten om op grond van artikel 96 Rv deze kwestie voor te leggen aan de kantonrechter. De kantonrechter zal voor de beoordeling van de zaak de verzoekschriftprocedure hanteren als de wijze waarop de kantonrechter bepaalt dat het geding wordt gevoerd.
Verzoek I: inhoudelijk
4.3.
Op de ALV van 15 november 2025 is na stemming met ruime meerderheid besloten om het bestuur aan te houden en het bestuur niet te ontslaan. [verzoeker] verzoekt op grond van artikel 5:121 BW machtiging van de kantonrechter om het bestuur te ontslaan. De kantonrechter verleent deze machtiging alleen indien de medewerking of toestemming van de VvE zonder redelijke grond is geweigerd. Niet is gebleken, dan wel dat is onvoldoende onderbouwd, dat hiervan sprake is. Allereerst volgt uit de notulen van de ALV van 15 november 2025 dat [verzoeker] tijdens de ALV zijn argumenten waarom het bestuur volgens hem moet worden ontslagen heeft aangevoerd en dat andere leden tijdens de ALV hebben aangeven wel fouten en/of problemen te zien, maar dat het vervangen van het bestuur de problemen niet oplost. Hieruit blijkt dat op de ALV van 15 november 2025 weloverwogen is gestemd over het besluit om het bestuur aan te houden. De ALV heeft geen aanleiding gezien om het bestuur te ontslaan en heeft daarmee het vertrouwen in het bestuur uitgesproken. Vanwege het democratische karakter van de VvE, heeft de minderheid zich in beginsel naar het besluit te voegen.
4.4.
Daarnaast geldt dat de gestelde chaos in de financiële administratie door het bestuur wordt erkend. Het bestuur heeft aangevoerd dat de oorzaak daarvan ligt bij MVGM, waarbij de administratie van de VvE ondergebracht. Het kost het bestuur veel tijd en moeite om dit opgelost te krijgen. Het heeft daarover wekelijks contact met MVGM. Gelet hierop zal ontslag van het bestuur niet leiden tot een verbetering van de financiële administratie. Dit is door [verzoeker] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Verder is niet gebleken dat het bestuur zodanige fouten maakt of heeft gemaakt dat het (financiële) belang van [verzoeker] op een dusdanige wijze wordt geschaad dat er geen redelijke grond is om het bestuur niet te ontslaan. Dit geldt ook voor de overige door [verzoeker] aangevoerde argumenten, inhoudende dat in strijd met verschillende bepalingen uit het Reglement wordt gehandeld. Het in strijd handelen met de door [verzoeker] genoemde bepalingen maakt niet dat het belang van [verzoeker] dusdanig is geschaad dat het bestuur in weerwil van het andersluidende besluit van de ALV alsnog moet worden ontslagen.
Verzoek II: inhoudelijk
4.5.
Gelet op de toelichting van [verzoeker] tijdens de zitting wordt zijn verzoek onder II zo begrepen dat het besluit van het bestuur tot het aangaan van de overeenkomst met [accountant] nietig moet worden verklaard. Vast staat dat het bestuur deze overeenkomst is aangegaan zonder dat formele besluitvorming daarover vooraf heeft plaatsgevonden in de ALV. Op 11 april 2026 heeft een ALV plaatsgevonden waar het punt om alsnog goedkeuring te verkrijgen voor het inschakelen van [accountant] is geagendeerd. Hoewel de lezingen van partijen uiteenlopen als het gaat of er al dan niet is gestemd over het alsnog verlenen van toestemming voor het aangaan van de overeenkomst met [accountant], staat tussen partijen vast dat het door het bestuur genomen besluit om een overeenkomst met [accountant] aan te gaan op de ALV van 11 april 2026 niet is bekrachtigd. Dit betekent dat het besluit van het bestuur om een overeenkomst met [accountant] aan te gaan in strijd is met artikel 40 lid 3 van het Reglement en daarom nietig is. Het bestuur heeft op grond van die bepaling niet de bevoegdheid om zelfstandig een overeenkomst met [accountant] aan te gaan, enkel de ALV kan besluiten de administratie op te dragen aan een door de ALV aan te wijzen administratief beheerder. Het verzoek onder II zal dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is bepaald.
4.6.
Uit het bericht van [verzoeker] van 27 april 2026 begrijpt de kantonrechter dat hij het gedeelte van zijn verzoek onder II om de bestuurders te veroordelen tot betaling van eventuele daaruit voortvloeiende kosten, niet langer handhaaft. Over dit deel van het verzoek zal de kantonrechter dan ook niet oordelen.
4.7.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het besluit van het bestuur om een overeenkomst aan te gaan met [accountant] nietig is,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.