Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6719
2026-07-22
Strafrecht
02-200497-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan verkrachting en opzetverkrachting. Aan hem is opgelegd een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.745 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-200497-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1957,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [inschrijfadres] ,
raadsman mr. A.J.C.M. de Graaff, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Feit 1: in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 met [slachtoffer] heeft verkracht, dan wel ontucht met haar heeft gepleegd;
Feit 2: zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 22 maart 2025 met de aan zijn hulp en/of zorg toevertrouwde [slachtoffer] heeft verkracht terwijl verdachte als vrijwilliger werkzaam was.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte. Hij acht deze verklaring betrouwbaar nu [slachtoffer] concreet en consistent heeft verklaard, ook tegenover verschillende personen. Het dossier bevat voorts voldoende steunbewijs.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Er kan niet worden bewezen dat er sprake was van geweld of fysieke dwang (primair) en voorts kan verdachte als vrijwilliger niet worden aangemerkt als “werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg” in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Sr (subsidiair).
Feit 2
Ook ten aanzien van dit feit verzoekt de verdediging verdachte hiervan vrij te spreken. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat de wil bij [slachtoffer] ontbrak en voorts niet dat verdachte hier wetenschap van had.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de feiten wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, verzoekt de verdediging subsidiair verdachte partieel vrij te spreken van de anale en vaginale penetratie nu deze seksuele handeling uitsluitend op de aangifte steunen en deze door verdachte consistent zijn ontkend. Indien de seksuele handelingen naar het oordeel van de rechtbank wel bewezen kunnen worden verklaard, dient dit naar de mening van de verdediging te worden gekwalificeerd als schuldverkrachting.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de verweten handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Wanneer een verdachte seksuele handelingen of de onvrijwilligheid ontkent, leidt dat er in veel gevallen toe dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter immers niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer). Dit bewijsminimumvoorschrift sterkt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Deze bepaling ziet op de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt.
Deze aan te leggen toets brengt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar worden geacht. Niet alleen heeft zij consequent en consistent verklaard, maar wordt deze verklaring ook op onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ter zitting. Verdachte heeft immers bekend seksuele handelingen, met uitzondering van de anale en vaginale penetratie, te hebben verricht en ook bij de leidinggevende van [zorgverlening] heeft verdachte spontaan bekend seks te hebben gehad met [slachtoffer] nu zij een relatie zouden hebben. [slachtoffer] functioneert op kinderlijk niveau en dit brengt met zich mee dat zij naar haar aard/ persoon niet of nauwelijks in staat wordt geacht om zo een gedetailleerd verhaal over de seksuele handelingen te verzinnen, te onthouden en consequent na te vertellen, als dit niet zou zijn gebeurd. Ook de emotionele uitbarsting van [slachtoffer] na het eerste contact met haar zus en later bij haar begeleidster [persoon 1] , waarbij [slachtoffer] aangaf dat zij haar had gezegd verliefd op haar te zijn omdat verdachte had gezegd dat het zou stoppen als zij een relatie had, versterkt de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaring van [slachtoffer] en zij neemt die verklaring dan ook als uitgangspunt voor de bewezenverklaring. Dit betekent dat de rechtbank ook de door verdachte ontkende seksuele handelingen, te weten de anale en vaginale penetratie, bewezen acht.
Feit 1
Om tot een bewezenverklaring te komen van de onder 1 primair ten laste gelegde verkrachting in de periode van 1 mei 2023 tot 30 juni 2024 moet door de rechtbank worden beoordeeld of er sprake is geweest van dwang. Dit houdt in dat verdachte [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid moet hebben gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handeling (art. 242 Sr (oud)).
Feit 2
Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) in werking getreden. Waar onder de oude zedenwet het ‘doorbreken’ van de wil het fundament van strafrechtelijke aansprakelijkheid vormde, staat in de WSM het ‘ontbreken van de wil’ met betrekking tot het seksuele contact bij de ander centraal. Om tot een bewezenverklaring te komen van het onder feit 2 ten laste gelegde opzetverkrachting in de periode van 1 juli 2024 tot en met 22 maart 2025, moet er sprake zijn van de wetenschap van het ontbreken van de wil bij [slachtoffer] . Daarnaast vereist lid 2 dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging.
De rechtbank is op basis van het dossier van oordeel dat er bij beide ten laste gelegde feiten sprake is geweest van de vereiste dwang. Verdachte, 67 jaar, was vanaf september 2022 als vrijwilliger werkzaam bij [zorgverlening] en ondernam in die hoedanigheid eerst activiteiten met [slachtoffer] . [slachtoffer] , 30 jaar, is woonachtig bij [zorgverlening] , een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. [slachtoffer] is gediagnosticeerd met PDD-NOS en een verstandelijke beperking. Zij functioneert op sociaal emotioneel gebied op het niveau van een 3-jarige en heeft een intelligentieniveau van een 12-jarige. Verdachte heeft als vrijwilliger van [zorgverlening] een overeenkomst getekend waarbij een uitgebreide omschrijving was toegevoegd over het functioneren en de beperkingen van [slachtoffer] . Verdachte wist aldus heel goed dat [slachtoffer] op een geheel ander niveau functioneerde dan haar kalenderleeftijd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte aldus misbruik van [slachtoffer] heeft gemaakt , gelet op de feitelijke verhoudingen, was sprake van (psychisch en emotioneel) overwicht en daarmee van dwang. [slachtoffer] bevond zich in een kwetsbare positie ten opzichte van verdachte.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de hierboven beschreven omstandigheden ook onomstotelijk blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met verdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor verdachte duidelijk was. In een functionele afhankelijkheidsrelatie wordt in beginsel verondersteld dat bij de ondergeschikte, in dit geval [slachtoffer] , de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Er was op basis van al deze omstandigheden sprake van een dusdanige ongelijkwaardigheid tussen verdachte en [slachtoffer] waardoor de wilsbepaling bij haar zodanig werd beïnvloed, dat zij onvoldoende in staat was een vrije keuze te maken of zij het seksuele contact met de verdachte wilde. Dat [slachtoffer] , zoals door verdachte is aangegeven, zelf het initiatief zou hebben genomen tot seksueel contact, maakt dit niet anders.
Dit betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (feit 1 primair) en gekwalificeerde opzetverkrachting (feit 2).
Pleegperiode
De rechtbank gaat ten aanzien van de bewezenverklaring uit van de periode zoals ten laste is gelegd. Het dossier bevat een verslag van de huisarts van verdachte, gedateerd 30 augustus 2023. Hieruit blijkt dat verdachte reeds op 30 augustus 2023 de “relatie” met [slachtoffer] besprak. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij het moeilijk vond [slachtoffer] te begrenzen en dat zij hem claimde. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat dit gesprek enkel ging over het gedrag van [slachtoffer] en op dat moment nog niets speelde op seksueel vlak. Temeer daar [slachtoffer] ook heeft verklaard dat het vanaf maart 2023 “anders werd”.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op tijdstippen in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij, verdachte- zijn penis in de vagina enmond en de anus van die [slachtoffer]gebracht en- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] gebracht en- die [slachtoffer] gebeft en- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en- die [slachtoffer] getongzoend en- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en- de vagina en de borsten en de billen van die [slachtoffer] betasten bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiendoverwicht en psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] enbestaande dat overwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachteen die [slachtoffer] en- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond 2op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met22 maart 2025 te [plaats] ,terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, met een persoon, te weten [slachtoffer] , die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd, seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten-het brengen van zijn penis in de vagina en mond en anus van die[slachtoffer] en-het duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en- hetbrengen van zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] en- het beffen van die [slachtoffer] en- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen en- het tongzoenen van die [slachtoffer] en- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en- het betasten van de vagina en borsten en billen van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbraken welke opzetverkrachting werd vergezeld door dwangdoor- misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwichten psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en bestaande datoverwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer]en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank een andersluidend oordeel is toegedaan dan verzoekt de verdediging te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een (forse) voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte, destijds een 67-jarige man, heeft zich gedurende een lange periode, bijna twee jaar, schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] , een verstandelijk gehandicapte vrouw. Verdachte was als vrijwilliger bij [zorgverlening] werkzaam en heeft zijn rol hierin op ernstige wijze misbruikt. Moeder, zus en zorgverlening dachten dat [slachtoffer] veilig aan verdachte toevertrouwd was. Verdachte heeft echter misbruik gemaakt van hun vertrouwen en het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had.
Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor het slachtoffer. Dat dit ook een enorme impact heeft gehad op [slachtoffer] , blijkt uit de toelichting bij haar vordering tot schadevergoeding. [slachtoffer] is het vertrouwen in mensen volledig kwijt. Ze begrijpt niet goed wat er mis is gegaan en heeft heel veel vragen. Ze denkt zelf ook dat ze straf krijgt en heeft ook suïcidale gedachten. Via [zorgverlening] heeft ze therapie gehad om alle gebeurtenissen een plek te kunnen geven. De zus van [slachtoffer] heeft ter zitting een brief voorgelezen van [slachtoffer] . Daarin geeft [slachtoffer] aan dat zij blindelings op verdachte vertrouwde. Zij luisterde naar hem en heeft gedacht dat wat zij deden hoort bij wat vrienden met elkaar doen. Ze heeft zich heel boos, verdrietig, bang en alleen gevoeld en kon niet begrijpen dat [verdachte] , die lieve aardige man, zo`n slecht mens zou zijn.
Verdachte heeft zich alleen maar laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft op geen enkel moment tijdens deze lange periode stilgestaan bij de gevolgen voor [slachtoffer] . Ook ter zitting heeft verdachte geen begin van inzicht getoond in het laakbare van zijn handelen en alles buiten zichzelf gelegd.
De persoon van verdachte
De reclassering heeft op 16 juni 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Zij adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod, locatieverbod en een verbod op bepaalde werkzaamheden. De reclassering ziet risicoverhogende factoren op het gebied van het psychosociaal functioneren. Verdachte lijkt weinig beslissingskracht te laten zien en doet het voortkomen alsof hij niet op kon tegen het slachtoffer. Tijdens het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte gestart met een behandeling bij [ggz-instelling] . Het is van belang dat verdachte verder blijft werken aan zijn assertiviteit, het leren grenzen aangeven en het begrenzen van anderen. Uit het gesprek met verdachte komen evenwel geen deviante seksuele voorkeuren naar voren. Ondanks het als laag ingeschatte recidiverisico is de reclassering van mening dat verdachte baat zal hebben bij contact met de reclassering. Gezien zijn hoogoplopende spanningen en zijn subassertiviteit wordt verwacht dat hij nog enige tijd begeleiding en structuur nodig heeft met alles wat er op hem afkomt.
Ter zitting heeft reclasseringswerker [persoon 2] daaraan toegevoegd dat de reclassering wel de verwachting heeft dat bij verdachte, ondanks zijn leeftijd, nog gedragsverandering plaats kan vinden.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een
gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is.
Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft voorts bij de strafbepaling meegewogen de langdurige periode waarin het heeft plaatsgevonden, het feit dat er sprake is geweest van intensief misbruik waarbij er veel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer.
Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf als passend kan worden beschouwd. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 42 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank zal een deel daarvan, te weten 12 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. Om te voorkomen dat verdachte zal recidiveren en om behandeling mogelijk te maken zal zij daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Dit maakt dat de rechtbank ook geen beslissing zal nemen ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Verdachte is gebaat bij begeleiding en behandeling en, zo verdachte in appel gaat, betekent dit dat deze begeleiding en behandeling, verbonden aan de schorsing van voorlopige hechtenis, door blijft lopen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 22.500,- voor de tenlastegelegde feiten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] als gevolg van het handelen van de verdachte nadeel van immateriële aard heeft ondervonden.
De rechtbank heeft gekeken naar de schade die een soortgelijke zaken wordt vergoed.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, het feit dat er sprake is geweest van intensief misbruik waarbij er veel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 57, 242 (oud) en 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: verkrachting, meermalen gepleegd en
feit 2: opzetverkrachting vergezeld van dwang, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] ;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [ggz-instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is al gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1994;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat en bij de woonvoorziening waar [slachtoffer] verblijft, gegevens bekend bij het openbaar Ministerie;
* verdachte verricht, minimaal voor de duur van de proeftijd, geen vrijwilligerswerk met kwetsbare groepen (werken, vervoeren en begeleiden), zoals verstandelijk beperkte mensen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
T.a.v. feiten 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 15.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 15.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 100 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door D. van Kralingen, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederlanddoor geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij verdachte- zijn penis in de vagina en/of mond en/of de anus van die [slachtoffer]geduwd/gebracht en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of- die [slachtoffer] gebeft en/of- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of- die [slachtoffer] getongzoend en/of- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of- de vagina en/of de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] betasten bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweldof die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte- de woning waarin hij, verdachte en [slachtoffer] zich bevonden heeft afgesloten en/of- aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij is gegaanen/of- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiendoverwicht en/of psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en/ofbestaande dat overwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachteen die [slachtoffer] en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond en/of-(aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland,terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door- zijn penis in de vagina en/of mond en/of de anus van die [slachtoffer] teduwen/brengen en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of- die [slachtoffer] te beffen en/of- zich door die [slachtoffer] te laten pijpen en/of- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of- zich door die [slachtoffer] te laten aftrekken en/of- de vagina en/of de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] te betasten;( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met22 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of de maatschappelijke zorg, met een persoon, te weten [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en/of zorg had toevertrouwd, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten-het duwen/brengen van zijn penis in de vagina en/of mond en/of anus van die[slachtoffer] en/of-het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] en/of- het beffen van die [slachtoffer] en/of- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of- het tongzoenen van die [slachtoffer] en/of- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of- het betasten van de vagina en/of borsten en of billen van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbraken welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgddoor dwang, geweld en/of bedreiging, door- de woning waarin hij, verdachte en [slachtoffer] zich bevonden heeft af tesluiten en/of- aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij te gaan en/of- misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwichten/of psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en/of bestaande datoverwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer]en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond en/of-(aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht )
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-200497-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1957,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [inschrijfadres] ,
raadsman mr. A.J.C.M. de Graaff, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Feit 1: in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 met [slachtoffer] heeft verkracht, dan wel ontucht met haar heeft gepleegd;
Feit 2: zich in de periode van 1 juli 2024 tot en met 22 maart 2025 met de aan zijn hulp en/of zorg toevertrouwde [slachtoffer] heeft verkracht terwijl verdachte als vrijwilliger werkzaam was.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte. Hij acht deze verklaring betrouwbaar nu [slachtoffer] concreet en consistent heeft verklaard, ook tegenover verschillende personen. Het dossier bevat voorts voldoende steunbewijs.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Er kan niet worden bewezen dat er sprake was van geweld of fysieke dwang (primair) en voorts kan verdachte als vrijwilliger niet worden aangemerkt als “werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg” in de zin van artikel 249 lid 2 sub 3 Sr (subsidiair).
Feit 2
Ook ten aanzien van dit feit verzoekt de verdediging verdachte hiervan vrij te spreken. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat de wil bij [slachtoffer] ontbrak en voorts niet dat verdachte hier wetenschap van had.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de feiten wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, verzoekt de verdediging subsidiair verdachte partieel vrij te spreken van de anale en vaginale penetratie nu deze seksuele handeling uitsluitend op de aangifte steunen en deze door verdachte consistent zijn ontkend. Indien de seksuele handelingen naar het oordeel van de rechtbank wel bewezen kunnen worden verklaard, dient dit naar de mening van de verdediging te worden gekwalificeerd als schuldverkrachting.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de verweten handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Wanneer een verdachte seksuele handelingen of de onvrijwilligheid ontkent, leidt dat er in veel gevallen toe dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter immers niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer). Dit bewijsminimumvoorschrift sterkt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Deze bepaling ziet op de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat elk onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun vindt.
Deze aan te leggen toets brengt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar worden geacht. Niet alleen heeft zij consequent en consistent verklaard, maar wordt deze verklaring ook op onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte, zowel bij de politie als ter zitting. Verdachte heeft immers bekend seksuele handelingen, met uitzondering van de anale en vaginale penetratie, te hebben verricht en ook bij de leidinggevende van [zorgverlening] heeft verdachte spontaan bekend seks te hebben gehad met [slachtoffer] nu zij een relatie zouden hebben. [slachtoffer] functioneert op kinderlijk niveau en dit brengt met zich mee dat zij naar haar aard/ persoon niet of nauwelijks in staat wordt geacht om zo een gedetailleerd verhaal over de seksuele handelingen te verzinnen, te onthouden en consequent na te vertellen, als dit niet zou zijn gebeurd. Ook de emotionele uitbarsting van [slachtoffer] na het eerste contact met haar zus en later bij haar begeleidster [persoon 1] , waarbij [slachtoffer] aangaf dat zij haar had gezegd verliefd op haar te zijn omdat verdachte had gezegd dat het zou stoppen als zij een relatie had, versterkt de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook voldoende steunbewijs aanwezig voor de verklaring van [slachtoffer] en zij neemt die verklaring dan ook als uitgangspunt voor de bewezenverklaring. Dit betekent dat de rechtbank ook de door verdachte ontkende seksuele handelingen, te weten de anale en vaginale penetratie, bewezen acht.
Feit 1
Om tot een bewezenverklaring te komen van de onder 1 primair ten laste gelegde verkrachting in de periode van 1 mei 2023 tot 30 juni 2024 moet door de rechtbank worden beoordeeld of er sprake is geweest van dwang. Dit houdt in dat verdachte [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid moet hebben gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handeling (art. 242 Sr (oud)).
Feit 2
Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) in werking getreden. Waar onder de oude zedenwet het ‘doorbreken’ van de wil het fundament van strafrechtelijke aansprakelijkheid vormde, staat in de WSM het ‘ontbreken van de wil’ met betrekking tot het seksuele contact bij de ander centraal. Om tot een bewezenverklaring te komen van het onder feit 2 ten laste gelegde opzetverkrachting in de periode van 1 juli 2024 tot en met 22 maart 2025, moet er sprake zijn van de wetenschap van het ontbreken van de wil bij [slachtoffer] . Daarnaast vereist lid 2 dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging.
De rechtbank is op basis van het dossier van oordeel dat er bij beide ten laste gelegde feiten sprake is geweest van de vereiste dwang. Verdachte, 67 jaar, was vanaf september 2022 als vrijwilliger werkzaam bij [zorgverlening] en ondernam in die hoedanigheid eerst activiteiten met [slachtoffer] . [slachtoffer] , 30 jaar, is woonachtig bij [zorgverlening] , een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. [slachtoffer] is gediagnosticeerd met PDD-NOS en een verstandelijke beperking. Zij functioneert op sociaal emotioneel gebied op het niveau van een 3-jarige en heeft een intelligentieniveau van een 12-jarige. Verdachte heeft als vrijwilliger van [zorgverlening] een overeenkomst getekend waarbij een uitgebreide omschrijving was toegevoegd over het functioneren en de beperkingen van [slachtoffer] . Verdachte wist aldus heel goed dat [slachtoffer] op een geheel ander niveau functioneerde dan haar kalenderleeftijd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte aldus misbruik van [slachtoffer] heeft gemaakt , gelet op de feitelijke verhoudingen, was sprake van (psychisch en emotioneel) overwicht en daarmee van dwang. [slachtoffer] bevond zich in een kwetsbare positie ten opzichte van verdachte.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de hierboven beschreven omstandigheden ook onomstotelijk blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met verdachte ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor verdachte duidelijk was. In een functionele afhankelijkheidsrelatie wordt in beginsel verondersteld dat bij de ondergeschikte, in dit geval [slachtoffer] , de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Er was op basis van al deze omstandigheden sprake van een dusdanige ongelijkwaardigheid tussen verdachte en [slachtoffer] waardoor de wilsbepaling bij haar zodanig werd beïnvloed, dat zij onvoldoende in staat was een vrije keuze te maken of zij het seksuele contact met de verdachte wilde. Dat [slachtoffer] , zoals door verdachte is aangegeven, zelf het initiatief zou hebben genomen tot seksueel contact, maakt dit niet anders.
Dit betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (feit 1 primair) en gekwalificeerde opzetverkrachting (feit 2).
Pleegperiode
De rechtbank gaat ten aanzien van de bewezenverklaring uit van de periode zoals ten laste is gelegd. Het dossier bevat een verslag van de huisarts van verdachte, gedateerd 30 augustus 2023. Hieruit blijkt dat verdachte reeds op 30 augustus 2023 de “relatie” met [slachtoffer] besprak. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij het moeilijk vond [slachtoffer] te begrenzen en dat zij hem claimde. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat dit gesprek enkel ging over het gedrag van [slachtoffer] en op dat moment nog niets speelde op seksueel vlak. Temeer daar [slachtoffer] ook heeft verklaard dat het vanaf maart 2023 “anders werd”.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op tijdstippen in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij, verdachte- zijn penis in de vagina enmond en de anus van die [slachtoffer]gebracht en- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] gebracht en- die [slachtoffer] gebeft en- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en- die [slachtoffer] getongzoend en- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en- de vagina en de borsten en de billen van die [slachtoffer] betasten bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiendoverwicht en psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] enbestaande dat overwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachteen die [slachtoffer] en- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond 2op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met22 maart 2025 te [plaats] ,terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, met een persoon, te weten [slachtoffer] , die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd, seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten-het brengen van zijn penis in de vagina en mond en anus van die[slachtoffer] en-het duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en- hetbrengen van zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] en- het beffen van die [slachtoffer] en- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen en- het tongzoenen van die [slachtoffer] en- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en- het betasten van de vagina en borsten en billen van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbraken welke opzetverkrachting werd vergezeld door dwangdoor- misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwichten psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en bestaande datoverwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer]en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank een andersluidend oordeel is toegedaan dan verzoekt de verdediging te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een (forse) voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte, destijds een 67-jarige man, heeft zich gedurende een lange periode, bijna twee jaar, schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] , een verstandelijk gehandicapte vrouw. Verdachte was als vrijwilliger bij [zorgverlening] werkzaam en heeft zijn rol hierin op ernstige wijze misbruikt. Moeder, zus en zorgverlening dachten dat [slachtoffer] veilig aan verdachte toevertrouwd was. Verdachte heeft echter misbruik gemaakt van hun vertrouwen en het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had.
Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor het slachtoffer. Dat dit ook een enorme impact heeft gehad op [slachtoffer] , blijkt uit de toelichting bij haar vordering tot schadevergoeding. [slachtoffer] is het vertrouwen in mensen volledig kwijt. Ze begrijpt niet goed wat er mis is gegaan en heeft heel veel vragen. Ze denkt zelf ook dat ze straf krijgt en heeft ook suïcidale gedachten. Via [zorgverlening] heeft ze therapie gehad om alle gebeurtenissen een plek te kunnen geven. De zus van [slachtoffer] heeft ter zitting een brief voorgelezen van [slachtoffer] . Daarin geeft [slachtoffer] aan dat zij blindelings op verdachte vertrouwde. Zij luisterde naar hem en heeft gedacht dat wat zij deden hoort bij wat vrienden met elkaar doen. Ze heeft zich heel boos, verdrietig, bang en alleen gevoeld en kon niet begrijpen dat [verdachte] , die lieve aardige man, zo`n slecht mens zou zijn.
Verdachte heeft zich alleen maar laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft op geen enkel moment tijdens deze lange periode stilgestaan bij de gevolgen voor [slachtoffer] . Ook ter zitting heeft verdachte geen begin van inzicht getoond in het laakbare van zijn handelen en alles buiten zichzelf gelegd.
De persoon van verdachte
De reclassering heeft op 16 juni 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Zij adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod, locatieverbod en een verbod op bepaalde werkzaamheden. De reclassering ziet risicoverhogende factoren op het gebied van het psychosociaal functioneren. Verdachte lijkt weinig beslissingskracht te laten zien en doet het voortkomen alsof hij niet op kon tegen het slachtoffer. Tijdens het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte gestart met een behandeling bij [ggz-instelling] . Het is van belang dat verdachte verder blijft werken aan zijn assertiviteit, het leren grenzen aangeven en het begrenzen van anderen. Uit het gesprek met verdachte komen evenwel geen deviante seksuele voorkeuren naar voren. Ondanks het als laag ingeschatte recidiverisico is de reclassering van mening dat verdachte baat zal hebben bij contact met de reclassering. Gezien zijn hoogoplopende spanningen en zijn subassertiviteit wordt verwacht dat hij nog enige tijd begeleiding en structuur nodig heeft met alles wat er op hem afkomt.
Ter zitting heeft reclasseringswerker [persoon 2] daaraan toegevoegd dat de reclassering wel de verwachting heeft dat bij verdachte, ondanks zijn leeftijd, nog gedragsverandering plaats kan vinden.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een
gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is.
Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft voorts bij de strafbepaling meegewogen de langdurige periode waarin het heeft plaatsgevonden, het feit dat er sprake is geweest van intensief misbruik waarbij er veel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer.
Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf als passend kan worden beschouwd. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 42 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank zal een deel daarvan, te weten 12 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. Om te voorkomen dat verdachte zal recidiveren en om behandeling mogelijk te maken zal zij daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Dit maakt dat de rechtbank ook geen beslissing zal nemen ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Verdachte is gebaat bij begeleiding en behandeling en, zo verdachte in appel gaat, betekent dit dat deze begeleiding en behandeling, verbonden aan de schorsing van voorlopige hechtenis, door blijft lopen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 22.500,- voor de tenlastegelegde feiten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] als gevolg van het handelen van de verdachte nadeel van immateriële aard heeft ondervonden.
De rechtbank heeft gekeken naar de schade die een soortgelijke zaken wordt vergoed.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, het feit dat er sprake is geweest van intensief misbruik waarbij er veel seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 57, 242 (oud) en 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: verkrachting, meermalen gepleegd en
feit 2: opzetverkrachting vergezeld van dwang, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] ;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [ggz-instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is al gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1994;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat en bij de woonvoorziening waar [slachtoffer] verblijft, gegevens bekend bij het openbaar Ministerie;
* verdachte verricht, minimaal voor de duur van de proeftijd, geen vrijwilligerswerk met kwetsbare groepen (werken, vervoeren en begeleiden), zoals verstandelijk beperkte mensen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
T.a.v. feiten 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 15.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 15.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 100 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door D. van Kralingen, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederlanddoor geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij verdachte- zijn penis in de vagina en/of mond en/of de anus van die [slachtoffer]geduwd/gebracht en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of- die [slachtoffer] gebeft en/of- zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of- die [slachtoffer] getongzoend en/of- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of- de vagina en/of de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] betasten bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweldof die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte- de woning waarin hij, verdachte en [slachtoffer] zich bevonden heeft afgesloten en/of- aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij is gegaanen/of- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiendoverwicht en/of psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en/ofbestaande dat overwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachteen die [slachtoffer] en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond en/of-(aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland,terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door- zijn penis in de vagina en/of mond en/of de anus van die [slachtoffer] teduwen/brengen en/of- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of- zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of- die [slachtoffer] te beffen en/of- zich door die [slachtoffer] te laten pijpen en/of- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of- zich door die [slachtoffer] te laten aftrekken en/of- de vagina en/of de borsten en/of de billen van die [slachtoffer] te betasten;( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met22 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of de maatschappelijke zorg, met een persoon, te weten [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp en/of zorg had toevertrouwd, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten-het duwen/brengen van zijn penis in de vagina en/of mond en/of anus van die[slachtoffer] en/of-het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn penis tussen de billen van die [slachtoffer] en/of- het beffen van die [slachtoffer] en/of- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of- het tongzoenen van die [slachtoffer] en/of- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of- het betasten van de vagina en/of borsten en of billen van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbraken welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgddoor dwang, geweld en/of bedreiging, door- de woning waarin hij, verdachte en [slachtoffer] zich bevonden heeft af tesluiten en/of- aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij te gaan en/of- misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwichten/of psychisch en emotioneel overwicht op die [slachtoffer] en/of bestaande datoverwicht uit het aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer]en/of- de kwetsbare positie waar die [slachtoffer] zich in bevond en/of-(aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht )