Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6714
2026-07-22
Strafrecht
02-336638-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor verkrachting en onttrekking aan het wettig gezag van een 14-jarige. Oplegging van 24 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.756 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-336638-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 1995 te [geboorteplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsvrouw mr. B. van der Werf, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig de artikelen 313 en 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op of omstreeks 9 december 2025 [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken;
feit 2: op of omstreeks 8 december 2025 meerdere seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht die onder ander bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en daarbij dwang, geweld en/of bedreiging heeft toegepast.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan, met de opmerking dat verdachte bij feit 2 alleen de strafverzwarende toepassing van dwang wordt verweten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit. [slachtoffer] wilde zelf mee naar de woning waar verdachte verbleef en wilde daar overnachten. Verdachte heeft haar hiertoe niet gedwongen en heeft haar evenmin vastgehouden of verborgen voor haar ouders. Verdachte heeft dan ook geen beslissende invloed gehad op het onttrekken van [slachtoffer] aan het wettig gezag.
Feit 2
De verdediging bepleit partiële vrijspraak van dit feit. Er kan niet bewezen worden dat verdachte met zijn penis de vagina van [slachtoffer] heeft gepenetreerd en evenmin dat hij zijn penis door [slachtoffer] oraal heeft laten bevredigen. Bovendien heeft verdachte bij de overige ten laste gelegde seksuele handelingen geen dwang toegepast, zodat die strafverzwarende omstandigheid niet aan de orde is.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, woonde bij haar moeder aan [adres 1] in [plaats] . In de middag van 8 december 2025 is de toen veertienjarige [slachtoffer] naar de woning aan [adres 2] gegaan waar de toen dertigjarige verdachte verbleef. Ze zijn samen naar de binnenstad van [plaats] gegaan. Aan het einde van de middag zijn zij vanuit de binnenstad teruggegaan naar de woning van verdachte. Na enige tijd zijn verdachte en [slachtoffer] naar de slaapkamer van verdachte gegaan, waar zij getongzoend hebben en waar [slachtoffer] de verdachte heeft afgetrokken. De moeder van [slachtoffer] wist niet waar [slachtoffer] was en heeft 9 december 2025 omstreeks 01.15 uur [slachtoffer] als vermist opgegeven bij de politie. Op 9 december 2025 omstreeks 3.45 uur is [slachtoffer] door de politie aangetroffen in de woning aan [adres 2] in [plaats] .
Feit 1 Onttrekking aan wettig gezag
Voor de vraag of verdachte [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken, moet worden beoordeeld of hij een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen [slachtoffer] en haar moeder, waardoor [slachtoffer] buiten het gezag van haar moeder kwam te verkeren.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 december 2025 bij verdachte verbleef. Verdachte wist dat [slachtoffer] destijds veertien jaar oud was. Dit blijkt uit berichten tussen hem en [slachtoffer] die op zijn telefoon zijn aangetroffen. De moeder van [slachtoffer] had het wettig gezag over [slachtoffer] en wist niet dat [slachtoffer] bij verdachte was, laat staan dat zij hier toestemming voor had gegeven. Doordat verdachte de moeder van [slachtoffer] hier niet zelf over heeft geïnformeerd, heeft hij een beslissende invloed gehad op de onttrekking van [slachtoffer] aan het wettig gezag. Verdachte was in deze situatie de volwassene die zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen. Dat [slachtoffer] vrijwillig bij verdachte was en zij zelf haar moeder niets heeft laten weten, maakt deze beslissende invloed van verdachte dan ook niet anders. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken.
Feit 2 (Gekwalificeerde) verkrachting
Juridisch kader
In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring. Nu zijn in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de vermeende dader ontkent, is er maar één getuige van de seksuele handelingen zelf: het vermeende slachtoffer.
De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg. De verklaring van die getuige van de handelingen moet dan wel op bepaalde andere punten bevestigd worden door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal.
Verklaringen [slachtoffer]
Op 10 december 2025 verklaarde [slachtoffer] tijdens een verhoor bij de politie dat er tussen haar en verdachte niets seksueels is gebeurd, maar dat zij slechts hebben geknuffeld en tegen elkaar hebben gelegen. Ergens in de week van 5 januari 2026 vertelde ze volgens haar moeder dat er toch meer tussen haar en verdachte was gebeurd, omdat ze pijn had in haar vagina en bang was dat ze een soa had. Een bezoek aan de huisarts wees uit dat [slachtoffer] geen soa had, maar dat de pijn hoogstwaarschijnlijk werd veroorzaakt door een cyste in haar vagina.
[slachtoffer] is vervolgens op 2 februari 2026 voor een tweede keer verhoord bij de politie. Tijdens dat verhoor verklaarde zij dat verdachte op 8 december 2025 in de middag in het damestoilet bij [café] zonder condoom met zijn penis in haar vagina is geweest. Daarnaast verklaarde [slachtoffer] dat zij en verdachte daarna in de woning aan [adres 2] in [plaats] zeven of acht keer seks hebben gehad, waarbij verdachte zonder condoom met zijn penis in haar vagina is geweest. Verdachte had op haar gelegen, ze hadden gezoend en zij had verdachte afgetrokken. [slachtoffer] dacht ook dat zij met haar mond aan de penis van verdachte heeft gezeten.
[café]
De verklaring van [slachtoffer] over de seksuele handelingen in [café] acht de rechtbank bruikbaar voor bewijs, maar het dossier bevat geen steunbewijs. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde seksuele handelingen voor zover deze in [café] zouden hebben plaatsgevonden.
De slaapkamer van verdachte
Pijpen van verdachte
Volgens de moeder van [slachtoffer] vertelde [slachtoffer] haar ergens in de week van 5 januari 2026 dat zij verdachte heeft gepijpt en vertelde [slachtoffer] dit op een later moment ook bij het bezoek aan de huisarts. Tijdens het verhoor op 2 februari 2026 is [slachtoffer] de vraag gesteld of zij met haar mond aan het geslachtsdeel van verdachte heeft gezeten. Zij antwoorde hierop: “Ja volgens mij wel. (...) Daar wil ik het liever niet over hebben.” Op dit antwoord is door de politie niet doorgevraagd en ook tijdens een later studioverhoor van [slachtoffer] is deze orale bevrediging niet aan bod gekomen. In het antwoord van [slachtoffer] leest de rechtbank enige twijfel en haar verklaring over deze orale bevrediging acht de rechtbank daarom onvoldoende concreet en niet bruikbaar voor bewijs. Daar komt bij dat het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat voor deze orale bevrediging en verdachte stellig ontkent dat deze seksuele handeling heeft plaatsgevonden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde seksuele handeling.
De overige seksuele handelingen
De verklaring van [slachtoffer] op 2 februari 2026 over de overige seksuele handelingen in de slaapkamer van verdachte acht de rechtbank bruikbaar voor bewijs. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank wel steunbewijs. Allereerst wordt de verklaring van [slachtoffer] deels ondersteund door de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft uiteindelijk bekend dat [slachtoffer] hem heeft afgetrokken en dat zij hebben getongzoend. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte met zijn penis in haar vagina is geweest, ondersteund door de resultaten van het DNA- en RNA-onderzoek. Onder meer op de penishuid en eikel van verdachte is DNA van [slachtoffer] aangetroffen. Daarbij is het veel waarschijnlijker (oftewel: de kans is 100 tot 10.000 keer groter) dat het type celmateriaal van [slachtoffer] dat op de penishuid van verdachte is aangetroffen vaginale cellen en/of menstruele secretie bevat, dan dat dit niet het geval is.
Verdachte ontkent met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] te zijn geweest en schetst een alternatief scenario voor het op zijn penis aantreffen van het specifieke celmateriaal van [slachtoffer] . Hij heeft ook op zitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd en zich vervolgens zelf heeft afgetrokken, waardoor het celmateriaal van [slachtoffer] als het ware is versleept naar zijn penis. Dit scenario acht de rechtbank ongeloofwaardig om de volgende reden.
Verdachte heeft in eerste instantie ontkend dat er seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Niet alleen in zijn verhoor bij de politie op 9 december 2025, maar ook bij de rechter-commissaris op 12 december 2025. De rechter-commissaris heeft verdachte in bewaring gesteld, maar die bewaring ook meteen geschorst. Uit het proces-verbaal van de raadkamer van 30 december 2025 blijkt vervolgens dat in de appelschriftuur tegen die schorsing van de bewaring expliciet is benoemd dat er DNA van [slachtoffer] op de penis van verdachte is gevonden. Zowel de raadkamerofficier als de advocaat geven namelijk aan de DNA-stukken zelf niet in het dossier te hebben aangetroffen. In die raadkamer beperkt verdachte zich nog steeds tot de verklaring dat hij met [slachtoffer] in bed heeft gelegen. Pas als hij de nodige bedenktijd heeft gehad, vertelt hij voor het eerst op 10 februari 2026 (bij de reclassering) dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd en dat zij hem heeft afgetrokken. Dit door verdachte op de inhoud van het dossier afgestemde alternatieve scenario schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde.
Dwang
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafverzwaringsgrond dwang als bedoeld in artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht pas in beeld komt wanneer iemand weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. [slachtoffer] heeft echter steeds gezegd dat de seksuele handelingen met verdachte niet tegen haar wil hebben plaatsgevonden. Over de seksuele handelingen in de slaapkamer van verdachte verklaarde zij op 2 februari 2026: “Ik heb geen nee gezegd en ik gaf toestemming door te zeggen dat het goed was.” Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid.
Conclusie
De rechtbank acht de ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
hij omstreeks 9 december 2025 te [plaats] opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;
2
hij omstreeks 8 december 2025 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2011), seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten het
- ( tong)zoenen met [slachtoffer] en
- door [slachtoffer] laten aftrekken van de penis van hem, verdachte, en
- op voornoemde [slachtoffer] te liggen en/of [slachtoffer] op hem, verdachte te laten liggen en
- meermaals penetreren van de vagina van voornoemde [slachtoffer] met zijn, verdachtes, penis.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen dan de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 december 2025 onttrokken aan het wettig gezag en verschillende seksuele handelingen met haar verricht. De toen dertigjarige verdachte wist dat [slachtoffer] slechts veertien jaar was. Als veel oudere volwassene had verdachte moeten inzien dat zijn gedrag absoluut niet door de beugel kon en strafbaar was. Dat wist hij ook. Alleen dat kan namelijk de reden zijn dat [slachtoffer] moest zeggen dat ze zeventien was tegen degene bij wie verdachte inwoonde. Verdachte stelde echter de bevrediging van zijn eigen behoeften voorop. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkel oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en haar moeder en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] op ernstige wijze geschonden.
De wetgever heeft met de strafbaarstelling van het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige onder de 16 jaar bedoeld die minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Zij kunnen de gevolgen van hun eigen handelen namelijk nog helemaal niet overzien. Dat is ook zo in dit geval. Tijdens en kort na de seksuele handelingen verklaarde [slachtoffer] dat er niets tegen haar wil is gebeurd en zag zij er niet veel kwaads in. Uit de ter zitting voorgehouden schriftelijke verklaring van haar moeder volgt echter dat [slachtoffer] inmiddels op verschillende manieren ingrijpende negatieve gevolgen ondervindt van wat er tussen haar en verdachte is gebeurd. Verdachte heeft met zijn strafbare handelen een keten van negatieve gevolgen veroorzaakt, met een enorme impact op het leven van [slachtoffer] , maar ook op het leven van haar moeder.
Gelet op de ernst van met name de verkrachting is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats. Ook bij iemand die niet eerder voor een dergelijk feit met justitie in aanraking is geweest, zoals verdachte.
De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden
Gelet op de bewezenverklaring stelt de rechtbank vast dat verdachte ook op zitting niet de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn seksueel misbruik van [slachtoffer] . Bovendien heeft hij pas deels verantwoordelijkheid genomen, nadat hij is geconfronteerd met bewijs waar hij niet omheen kon. Wel heeft hij op zitting zijn excuses gemaakt richting de moeder van [slachtoffer] . Bovendien lijkt hij inmiddels in te zien dat hij hard aan zichzelf zal moeten werken, om te zorgen dat hij een ander leven kan leiden als hij weer op enig moment vrij komt. Dat wil hij ook, heeft hij gezegd.
In haar pro Justitia rapportage van 18 juni 2026 concludeert [psycholoog] dat verdachte kampt met een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale en narcistische trekken en met zwakbegaafdheid. Deze stoornis en de zwakbegaafdheid waren volgens de psycholoog ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aanwezig. Zij adviseert om deze feiten verdachte in enigszins verminderde mate toe te rekenen. Er is duidelijk sprake van een verband tussen de antisociale, narcistische en borderline problematiek en deze feiten. Deze problematiek in combinatie met zijn wat beperkte in- en overzicht in het leven, wat past bij de zwakbegaafdheid, leidt tot een enigszins verminderde wilsvrijheid. Hij voorziet niet op tijd de consequenties van zijn handelen. In dit geval handelde hij echter grotendeels weloverwogen en liet hij zich leiden door zijn opportunisme en streven naar genot en geluk, waarbij hij zich simpelweg niet stoorde aan de eventuele belangen van [slachtoffer] en haar ouders. In lijn met de bevindingen van de psycholoog zal de rechtbank verdachte de bewezenverklaarde feiten in enigszins verminderde mate toerekenen.
Het herhalingsgevaar bij verdachte schat de psycholoog in als gemiddeld. Het belangrijkste risico ligt in de omstandigheid dat verdachte beperkt zicht heeft op zijn eigen functioneren, met een gebrekkig in- en overzicht in meer gecompliceerde situaties. Dit gecombineerd met de persoonlijkheidspathologie, waarbij hij behoefte heeft aan aandacht, weinig genegen is zich het belang van de ander werkelijk aan te trekken en vooral uit is op zijn eigen belang, leidt makkelijk tot impulsief en grensoverschrijdend gedrag. De psycholoog adviseert om verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf schematherapie aan te bieden bij een forensische polikliniek. Dit om hem meer zicht op zijn eigen gedrag te geven en te leren minder impulsief te handelen. Een meer op seksualiteit gerichte interventie lijkt vooralsnog niet nodig.
In het advies van 29 juni 2026 schat de reclassering het herhalingsgevaar bij verdachte eveneens in als gemiddeld. De reclassering sluit zich voor wat betreft de behandeling aan bij de bevindingen van de psycholoog en adviseert om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met diverse bijzondere voorwaarden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij bereid is mee te werken aan deze bijzondere voorwaarden. Als hem een gebiedsverbod wordt opgelegd, hoopt verdachte wel dat hij de thuiswedstrijden van [voetbalclub] kan blijven bezoeken.
De op te leggen straf
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is. Daarvan zal de rechtbank 12 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar en alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met bijzondere voorwaarden moet verdachte stimuleren om aan zichzelf te werken en hem helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen. De rechtbank acht daarvoor alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden nuttig en noodzakelijk. Gelet op het bij verdachte aanwezige herhalingsgevaar en de belangen van [slachtoffer] zal de rechtbank het geadviseerde gebiedsverbod echter uitbreiden tot de hele stad [plaats] . Hierop bestaat één uitzondering, namelijk voor de dagen waarop [voetbalclub] een thuiswedstrijd speelt. Verdachte mag zich op die wedstrijddagen twee uur vóór aanvang van de wedstrijd tot en met twee uur na afloop van de wedstrijd in [plaats] begeven. Ook dan mag hij echter niet in de [wijk] in [plaats] komen, waar [slachtoffer] woont.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7Het beslag
Er zijn twee telefoons van verdachte in beslag genomen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezenverklaarde feiten niet met behulp van deze telefoons zijn begaan. Nu deze telefoons ook niet om een andere reden vatbaar zijn voor verbeurdverklaring zal een last gegeven worden tot teruggave aan verdachte.
8De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.500,- voor feit 2, bestaande uit immateriële schade.
Verdachte heeft ter zitting zijn aansprakelijkheid voor de gestelde schade erkend, de hoogte van de gevorderde schadevergoeding aanvaard en zich bereid verklaard deze schadevergoeding te betalen. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding daarom geheel toewijsbaar. De rechtbank zal het toe te wijzen schadebedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025, de datum waarop de bewezenverklaarde feiten aanvingen, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag;
feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 te Tilburg (088-8041505);
* ambulante behandeling
dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensisch Psychiatrisch Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk na aanmelding. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* ambulante begeleiding
dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel mogelijk na aanmelding;
* contactverbod
dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011;
* gebiedsverbod
dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de stad [plaats] , met uitzondering van de dagen waarop [voetbalclub] een thuiswedstrijd speelt. Op die wedstrijddagen is het verdachte toegestaan om zich twee uur vóór aanvang van de wedstrijd tot en met twee uur na afloop van de wedstrijd in [plaats] te begeven, met uitzondering van de [wijk] ;
* dagbesteding
dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* beheersing middelengebruik
dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs, en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* vermijden contact met minderjarigen
dat verdachte op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 2:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* 1 STK GSM (PL2000-2025328852-G2939014, Zwart, merk: Samsung);
* 1 STK GSM (PL2000-2025328852-G2939016, Zwart, merk: Samsung).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, en mr. C.H.W.M. Sterk en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 9 december 2025 te [plaats] ,
althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal
opzettelijk
een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011,
heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan
het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;
( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 8 december 2025 te [plaats]
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]
(geboren op [geboortedag 2] 2011)
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het meermaals
- ( tong)zoenen met/van [slachtoffer] en/of
- door [slachtoffer] oraal laten bevredigen van de penis van hem, verdachte
en/of
- door [slachtoffer] laten aftrekken van de penis van hem, verdachte en/of
- op voornoemde [slachtoffer] te liggen en/of [slachtoffer] op hem, verdachte
te laten liggen en/of
- penetreren van de vagina van voornoemde [slachtoffer] met zijn,
verdachtes, penis
en welke verkrachting(en) werd(en) voorafgaan door, vergezeld van
en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- alcohol en/of verdovende middelen te geven/aan te bieden aan die [slachtoffer]
en/of
- misbruik te maken van zijn fysieke en mentale overwicht op die [slachtoffer]
en/of de jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of het feit dat die [slachtoffer]
onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen was en/of
- die seksuele handelingen te verrichten in (een) voor die [slachtoffer] onbekende omgeving en/of
(in [café] )
- die [slachtoffer] op te tillen en/of naar boven te dragen en/of haar daarbij
te ondersteunen en/of
- toen die [slachtoffer] aangaf naar de wc te moeten, haar te volgen naar
en/of in de (dames)wc en/of
- die [slachtoffer] in de wc vast te houden/op te tillen en/of tegen de muur
(omhoog) te houden en/of te drukken en/of
(art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-336638-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 1995 te [geboorteplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsvrouw mr. B. van der Werf, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig de artikelen 313 en 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op of omstreeks 9 december 2025 [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken;
feit 2: op of omstreeks 8 december 2025 meerdere seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht die onder ander bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en daarbij dwang, geweld en/of bedreiging heeft toegepast.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan, met de opmerking dat verdachte bij feit 2 alleen de strafverzwarende toepassing van dwang wordt verweten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit. [slachtoffer] wilde zelf mee naar de woning waar verdachte verbleef en wilde daar overnachten. Verdachte heeft haar hiertoe niet gedwongen en heeft haar evenmin vastgehouden of verborgen voor haar ouders. Verdachte heeft dan ook geen beslissende invloed gehad op het onttrekken van [slachtoffer] aan het wettig gezag.
Feit 2
De verdediging bepleit partiële vrijspraak van dit feit. Er kan niet bewezen worden dat verdachte met zijn penis de vagina van [slachtoffer] heeft gepenetreerd en evenmin dat hij zijn penis door [slachtoffer] oraal heeft laten bevredigen. Bovendien heeft verdachte bij de overige ten laste gelegde seksuele handelingen geen dwang toegepast, zodat die strafverzwarende omstandigheid niet aan de orde is.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, woonde bij haar moeder aan [adres 1] in [plaats] . In de middag van 8 december 2025 is de toen veertienjarige [slachtoffer] naar de woning aan [adres 2] gegaan waar de toen dertigjarige verdachte verbleef. Ze zijn samen naar de binnenstad van [plaats] gegaan. Aan het einde van de middag zijn zij vanuit de binnenstad teruggegaan naar de woning van verdachte. Na enige tijd zijn verdachte en [slachtoffer] naar de slaapkamer van verdachte gegaan, waar zij getongzoend hebben en waar [slachtoffer] de verdachte heeft afgetrokken. De moeder van [slachtoffer] wist niet waar [slachtoffer] was en heeft 9 december 2025 omstreeks 01.15 uur [slachtoffer] als vermist opgegeven bij de politie. Op 9 december 2025 omstreeks 3.45 uur is [slachtoffer] door de politie aangetroffen in de woning aan [adres 2] in [plaats] .
Feit 1 Onttrekking aan wettig gezag
Voor de vraag of verdachte [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken, moet worden beoordeeld of hij een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen [slachtoffer] en haar moeder, waardoor [slachtoffer] buiten het gezag van haar moeder kwam te verkeren.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 december 2025 bij verdachte verbleef. Verdachte wist dat [slachtoffer] destijds veertien jaar oud was. Dit blijkt uit berichten tussen hem en [slachtoffer] die op zijn telefoon zijn aangetroffen. De moeder van [slachtoffer] had het wettig gezag over [slachtoffer] en wist niet dat [slachtoffer] bij verdachte was, laat staan dat zij hier toestemming voor had gegeven. Doordat verdachte de moeder van [slachtoffer] hier niet zelf over heeft geïnformeerd, heeft hij een beslissende invloed gehad op de onttrekking van [slachtoffer] aan het wettig gezag. Verdachte was in deze situatie de volwassene die zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen. Dat [slachtoffer] vrijwillig bij verdachte was en zij zelf haar moeder niets heeft laten weten, maakt deze beslissende invloed van verdachte dan ook niet anders. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag heeft onttrokken.
Feit 2 (Gekwalificeerde) verkrachting
Juridisch kader
In het Nederlandse strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring. Nu zijn in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de vermeende dader ontkent, is er maar één getuige van de seksuele handelingen zelf: het vermeende slachtoffer.
De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg. De verklaring van die getuige van de handelingen moet dan wel op bepaalde andere punten bevestigd worden door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal.
Verklaringen [slachtoffer]
Op 10 december 2025 verklaarde [slachtoffer] tijdens een verhoor bij de politie dat er tussen haar en verdachte niets seksueels is gebeurd, maar dat zij slechts hebben geknuffeld en tegen elkaar hebben gelegen. Ergens in de week van 5 januari 2026 vertelde ze volgens haar moeder dat er toch meer tussen haar en verdachte was gebeurd, omdat ze pijn had in haar vagina en bang was dat ze een soa had. Een bezoek aan de huisarts wees uit dat [slachtoffer] geen soa had, maar dat de pijn hoogstwaarschijnlijk werd veroorzaakt door een cyste in haar vagina.
[slachtoffer] is vervolgens op 2 februari 2026 voor een tweede keer verhoord bij de politie. Tijdens dat verhoor verklaarde zij dat verdachte op 8 december 2025 in de middag in het damestoilet bij [café] zonder condoom met zijn penis in haar vagina is geweest. Daarnaast verklaarde [slachtoffer] dat zij en verdachte daarna in de woning aan [adres 2] in [plaats] zeven of acht keer seks hebben gehad, waarbij verdachte zonder condoom met zijn penis in haar vagina is geweest. Verdachte had op haar gelegen, ze hadden gezoend en zij had verdachte afgetrokken. [slachtoffer] dacht ook dat zij met haar mond aan de penis van verdachte heeft gezeten.
[café]
De verklaring van [slachtoffer] over de seksuele handelingen in [café] acht de rechtbank bruikbaar voor bewijs, maar het dossier bevat geen steunbewijs. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde seksuele handelingen voor zover deze in [café] zouden hebben plaatsgevonden.
De slaapkamer van verdachte
Pijpen van verdachte
Volgens de moeder van [slachtoffer] vertelde [slachtoffer] haar ergens in de week van 5 januari 2026 dat zij verdachte heeft gepijpt en vertelde [slachtoffer] dit op een later moment ook bij het bezoek aan de huisarts. Tijdens het verhoor op 2 februari 2026 is [slachtoffer] de vraag gesteld of zij met haar mond aan het geslachtsdeel van verdachte heeft gezeten. Zij antwoorde hierop: “Ja volgens mij wel. (...) Daar wil ik het liever niet over hebben.” Op dit antwoord is door de politie niet doorgevraagd en ook tijdens een later studioverhoor van [slachtoffer] is deze orale bevrediging niet aan bod gekomen. In het antwoord van [slachtoffer] leest de rechtbank enige twijfel en haar verklaring over deze orale bevrediging acht de rechtbank daarom onvoldoende concreet en niet bruikbaar voor bewijs. Daar komt bij dat het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat voor deze orale bevrediging en verdachte stellig ontkent dat deze seksuele handeling heeft plaatsgevonden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde seksuele handeling.
De overige seksuele handelingen
De verklaring van [slachtoffer] op 2 februari 2026 over de overige seksuele handelingen in de slaapkamer van verdachte acht de rechtbank bruikbaar voor bewijs. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank wel steunbewijs. Allereerst wordt de verklaring van [slachtoffer] deels ondersteund door de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft uiteindelijk bekend dat [slachtoffer] hem heeft afgetrokken en dat zij hebben getongzoend. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte met zijn penis in haar vagina is geweest, ondersteund door de resultaten van het DNA- en RNA-onderzoek. Onder meer op de penishuid en eikel van verdachte is DNA van [slachtoffer] aangetroffen. Daarbij is het veel waarschijnlijker (oftewel: de kans is 100 tot 10.000 keer groter) dat het type celmateriaal van [slachtoffer] dat op de penishuid van verdachte is aangetroffen vaginale cellen en/of menstruele secretie bevat, dan dat dit niet het geval is.
Verdachte ontkent met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] te zijn geweest en schetst een alternatief scenario voor het op zijn penis aantreffen van het specifieke celmateriaal van [slachtoffer] . Hij heeft ook op zitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd en zich vervolgens zelf heeft afgetrokken, waardoor het celmateriaal van [slachtoffer] als het ware is versleept naar zijn penis. Dit scenario acht de rechtbank ongeloofwaardig om de volgende reden.
Verdachte heeft in eerste instantie ontkend dat er seksuele handelingen tussen hem en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Niet alleen in zijn verhoor bij de politie op 9 december 2025, maar ook bij de rechter-commissaris op 12 december 2025. De rechter-commissaris heeft verdachte in bewaring gesteld, maar die bewaring ook meteen geschorst. Uit het proces-verbaal van de raadkamer van 30 december 2025 blijkt vervolgens dat in de appelschriftuur tegen die schorsing van de bewaring expliciet is benoemd dat er DNA van [slachtoffer] op de penis van verdachte is gevonden. Zowel de raadkamerofficier als de advocaat geven namelijk aan de DNA-stukken zelf niet in het dossier te hebben aangetroffen. In die raadkamer beperkt verdachte zich nog steeds tot de verklaring dat hij met [slachtoffer] in bed heeft gelegen. Pas als hij de nodige bedenktijd heeft gehad, vertelt hij voor het eerst op 10 februari 2026 (bij de reclassering) dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd en dat zij hem heeft afgetrokken. Dit door verdachte op de inhoud van het dossier afgestemde alternatieve scenario schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde.
Dwang
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafverzwaringsgrond dwang als bedoeld in artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht pas in beeld komt wanneer iemand weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. [slachtoffer] heeft echter steeds gezegd dat de seksuele handelingen met verdachte niet tegen haar wil hebben plaatsgevonden. Over de seksuele handelingen in de slaapkamer van verdachte verklaarde zij op 2 februari 2026: “Ik heb geen nee gezegd en ik gaf toestemming door te zeggen dat het goed was.” Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid.
Conclusie
De rechtbank acht de ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
hij omstreeks 9 december 2025 te [plaats] opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;
2
hij omstreeks 8 december 2025 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2011), seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten het
- ( tong)zoenen met [slachtoffer] en
- door [slachtoffer] laten aftrekken van de penis van hem, verdachte, en
- op voornoemde [slachtoffer] te liggen en/of [slachtoffer] op hem, verdachte te laten liggen en
- meermaals penetreren van de vagina van voornoemde [slachtoffer] met zijn, verdachtes, penis.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen dan de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft [slachtoffer] in de nacht van 8 op 9 december 2025 onttrokken aan het wettig gezag en verschillende seksuele handelingen met haar verricht. De toen dertigjarige verdachte wist dat [slachtoffer] slechts veertien jaar was. Als veel oudere volwassene had verdachte moeten inzien dat zijn gedrag absoluut niet door de beugel kon en strafbaar was. Dat wist hij ook. Alleen dat kan namelijk de reden zijn dat [slachtoffer] moest zeggen dat ze zeventien was tegen degene bij wie verdachte inwoonde. Verdachte stelde echter de bevrediging van zijn eigen behoeften voorop. Door zo te handelen heeft verdachte geen enkel oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en haar moeder en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] op ernstige wijze geschonden.
De wetgever heeft met de strafbaarstelling van het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige onder de 16 jaar bedoeld die minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Zij kunnen de gevolgen van hun eigen handelen namelijk nog helemaal niet overzien. Dat is ook zo in dit geval. Tijdens en kort na de seksuele handelingen verklaarde [slachtoffer] dat er niets tegen haar wil is gebeurd en zag zij er niet veel kwaads in. Uit de ter zitting voorgehouden schriftelijke verklaring van haar moeder volgt echter dat [slachtoffer] inmiddels op verschillende manieren ingrijpende negatieve gevolgen ondervindt van wat er tussen haar en verdachte is gebeurd. Verdachte heeft met zijn strafbare handelen een keten van negatieve gevolgen veroorzaakt, met een enorme impact op het leven van [slachtoffer] , maar ook op het leven van haar moeder.
Gelet op de ernst van met name de verkrachting is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats. Ook bij iemand die niet eerder voor een dergelijk feit met justitie in aanraking is geweest, zoals verdachte.
De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden
Gelet op de bewezenverklaring stelt de rechtbank vast dat verdachte ook op zitting niet de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn seksueel misbruik van [slachtoffer] . Bovendien heeft hij pas deels verantwoordelijkheid genomen, nadat hij is geconfronteerd met bewijs waar hij niet omheen kon. Wel heeft hij op zitting zijn excuses gemaakt richting de moeder van [slachtoffer] . Bovendien lijkt hij inmiddels in te zien dat hij hard aan zichzelf zal moeten werken, om te zorgen dat hij een ander leven kan leiden als hij weer op enig moment vrij komt. Dat wil hij ook, heeft hij gezegd.
In haar pro Justitia rapportage van 18 juni 2026 concludeert [psycholoog] dat verdachte kampt met een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale en narcistische trekken en met zwakbegaafdheid. Deze stoornis en de zwakbegaafdheid waren volgens de psycholoog ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aanwezig. Zij adviseert om deze feiten verdachte in enigszins verminderde mate toe te rekenen. Er is duidelijk sprake van een verband tussen de antisociale, narcistische en borderline problematiek en deze feiten. Deze problematiek in combinatie met zijn wat beperkte in- en overzicht in het leven, wat past bij de zwakbegaafdheid, leidt tot een enigszins verminderde wilsvrijheid. Hij voorziet niet op tijd de consequenties van zijn handelen. In dit geval handelde hij echter grotendeels weloverwogen en liet hij zich leiden door zijn opportunisme en streven naar genot en geluk, waarbij hij zich simpelweg niet stoorde aan de eventuele belangen van [slachtoffer] en haar ouders. In lijn met de bevindingen van de psycholoog zal de rechtbank verdachte de bewezenverklaarde feiten in enigszins verminderde mate toerekenen.
Het herhalingsgevaar bij verdachte schat de psycholoog in als gemiddeld. Het belangrijkste risico ligt in de omstandigheid dat verdachte beperkt zicht heeft op zijn eigen functioneren, met een gebrekkig in- en overzicht in meer gecompliceerde situaties. Dit gecombineerd met de persoonlijkheidspathologie, waarbij hij behoefte heeft aan aandacht, weinig genegen is zich het belang van de ander werkelijk aan te trekken en vooral uit is op zijn eigen belang, leidt makkelijk tot impulsief en grensoverschrijdend gedrag. De psycholoog adviseert om verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf schematherapie aan te bieden bij een forensische polikliniek. Dit om hem meer zicht op zijn eigen gedrag te geven en te leren minder impulsief te handelen. Een meer op seksualiteit gerichte interventie lijkt vooralsnog niet nodig.
In het advies van 29 juni 2026 schat de reclassering het herhalingsgevaar bij verdachte eveneens in als gemiddeld. De reclassering sluit zich voor wat betreft de behandeling aan bij de bevindingen van de psycholoog en adviseert om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met diverse bijzondere voorwaarden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij bereid is mee te werken aan deze bijzondere voorwaarden. Als hem een gebiedsverbod wordt opgelegd, hoopt verdachte wel dat hij de thuiswedstrijden van [voetbalclub] kan blijven bezoeken.
De op te leggen straf
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is. Daarvan zal de rechtbank 12 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar en alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met bijzondere voorwaarden moet verdachte stimuleren om aan zichzelf te werken en hem helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen. De rechtbank acht daarvoor alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden nuttig en noodzakelijk. Gelet op het bij verdachte aanwezige herhalingsgevaar en de belangen van [slachtoffer] zal de rechtbank het geadviseerde gebiedsverbod echter uitbreiden tot de hele stad [plaats] . Hierop bestaat één uitzondering, namelijk voor de dagen waarop [voetbalclub] een thuiswedstrijd speelt. Verdachte mag zich op die wedstrijddagen twee uur vóór aanvang van de wedstrijd tot en met twee uur na afloop van de wedstrijd in [plaats] begeven. Ook dan mag hij echter niet in de [wijk] in [plaats] komen, waar [slachtoffer] woont.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7Het beslag
Er zijn twee telefoons van verdachte in beslag genomen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezenverklaarde feiten niet met behulp van deze telefoons zijn begaan. Nu deze telefoons ook niet om een andere reden vatbaar zijn voor verbeurdverklaring zal een last gegeven worden tot teruggave aan verdachte.
8De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.500,- voor feit 2, bestaande uit immateriële schade.
Verdachte heeft ter zitting zijn aansprakelijkheid voor de gestelde schade erkend, de hoogte van de gevorderde schadevergoeding aanvaard en zich bereid verklaard deze schadevergoeding te betalen. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding daarom geheel toewijsbaar. De rechtbank zal het toe te wijzen schadebedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025, de datum waarop de bewezenverklaarde feiten aanvingen, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 248 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag;
feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 te Tilburg (088-8041505);
* ambulante behandeling
dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensisch Psychiatrisch Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk na aanmelding. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* ambulante begeleiding
dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel mogelijk na aanmelding;
* contactverbod
dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011;
* gebiedsverbod
dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de stad [plaats] , met uitzondering van de dagen waarop [voetbalclub] een thuiswedstrijd speelt. Op die wedstrijddagen is het verdachte toegestaan om zich twee uur vóór aanvang van de wedstrijd tot en met twee uur na afloop van de wedstrijd in [plaats] te begeven, met uitzondering van de [wijk] ;
* dagbesteding
dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* beheersing middelengebruik
dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs, en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* vermijden contact met minderjarigen
dat verdachte op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 2:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* 1 STK GSM (PL2000-2025328852-G2939014, Zwart, merk: Samsung);
* 1 STK GSM (PL2000-2025328852-G2939016, Zwart, merk: Samsung).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, en mr. C.H.W.M. Sterk en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 9 december 2025 te [plaats] ,
althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal
opzettelijk
een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2011,
heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan
het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;
( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 8 december 2025 te [plaats]
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer]
(geboren op [geboortedag 2] 2011)
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het meermaals
- ( tong)zoenen met/van [slachtoffer] en/of
- door [slachtoffer] oraal laten bevredigen van de penis van hem, verdachte
en/of
- door [slachtoffer] laten aftrekken van de penis van hem, verdachte en/of
- op voornoemde [slachtoffer] te liggen en/of [slachtoffer] op hem, verdachte
te laten liggen en/of
- penetreren van de vagina van voornoemde [slachtoffer] met zijn,
verdachtes, penis
en welke verkrachting(en) werd(en) voorafgaan door, vergezeld van
en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- alcohol en/of verdovende middelen te geven/aan te bieden aan die [slachtoffer]
en/of
- misbruik te maken van zijn fysieke en mentale overwicht op die [slachtoffer]
en/of de jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of het feit dat die [slachtoffer]
onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen was en/of
- die seksuele handelingen te verrichten in (een) voor die [slachtoffer] onbekende omgeving en/of
(in [café] )
- die [slachtoffer] op te tillen en/of naar boven te dragen en/of haar daarbij
te ondersteunen en/of
- toen die [slachtoffer] aangaf naar de wc te moeten, haar te volgen naar
en/of in de (dames)wc en/of
- die [slachtoffer] in de wc vast te houden/op te tillen en/of tegen de muur
(omhoog) te houden en/of te drukken en/of
(art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht)