Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6711

2026-07-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/4869
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/4869
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.949 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats: Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/4869 ZW


uitspraak van 22 juli 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. Jansen),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.



Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om aan eiser per 9 mei 2024 een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.


Feiten en omstandigheden


2. Eiser is werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 40 uur per week. Voor dat werk is hij op 30 maart 2023 uitgevallen vanwege pijnklachten in de voet.



Met het besluit van 12 april 2023 heeft het UWV aan eiser vanaf 30 maart 2023 een ZW-uitkering toegekend.




Procesverloop


3. Met het besluit van 8 april 2024 (primair besluit) heeft het UWV eisers ZW-uitkering beëindigd na een eerstejaarsziektewet-beoordeling (EZWb). Door de arbeidsdeskundige is vastgesteld dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt is te achten voor het eigen werk, maar dat hij wel geschikt wordt geacht voor ander werk. Hiermee kan eiser meer dan 65% (te weten 95,95%) van zijn maatmaninkomen verdienen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.



Met het bestreden besluit van 3 september 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, waarnemer van zijn gemachtigde mr. M.L.A.M Gadiot, en namens het UWV [persoon] .




Beoordeling door de rechtbank



Grondslag bestreden besluit



4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser geschikt is om de in de arbeidsdeskundige rapportage van 2 september 2025 geduide functies te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidskundige b&b) heeft een tweetal functies laten vallen en heeft andere functies gevonden die in overeenstemming zijn met eisers belastbaarheid. Eiser is hiermee per 9 mei 2024 voor minder dan 35% (te weten 7,58%) arbeidsongeschikt. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.



Wettelijk kader



5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



Toetsingskader



6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.


6.1.
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.



Zijn de beperkingen juist vastgesteld?




7. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.




7.1.
De primaire arts heeft het dossier bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 26 maart 2024. De primaire arts rapporteert op 3 april 2024 als volgt. Er is bij eiser geen sprake van de situatie “geen benutbare mogelijkheden” conform de criteria van het Schattingsbesluit. Eiser ervaart fysieke belemmeringen: hij kan niet lang staan, één keer een trap op en af, niet zwaar tillen, dragen of duwen en meervoudig buigen geeft meer pijnklachten. De belemmeringen passen bij een status na een gecompliceerde voetfractuur rechts en meerdere operaties, en chronische rugklachten, en zijn daarmee plausibel. Ze komen deels consistent uit het onderzoek naar voren. Wel zijn er beperkingen grotendeels overeenkomstig de belemmeringen aan te nemen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid. Eiser ervaart ook psychische belemmeringen: zijn taken dienen bekend en afgebakend te zijn. Daarbij moet grote drukte, onverwachtse zaken, tijdsdruk of een hoog tempo vermeden worden. Hij kan emoties en conflicten slechts beperkt hanteren. Een verlaagd energieniveau kan passen bij een van de stoornissen, waardoor er ook reden is om preventief de duurbelastbaarheid te beperken. De andere beperkingen meegerekend, wordt een urenbeperking van maximaal 8 uur per dag en maximaal 40 uur per week werken ingeschat, geen avond- en nachtwerk, en geen wisselende diensten.


Concluderend heeft eiser wel benutbare mogelijkheden voor arbeid, maar met beperkingen. De functionele mogelijkheden van eiser worden overeenkomstig het bovenstaande nog nader weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 april 2024.




7.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en was aanwezig op de hoorzitting van 12 mei 2025 waarna eiser lichamelijk en psychisch is onderzocht. Daarnaast is door de verzekeringsarts b&b de verkregen medische informatie in de heroverweging betrokken.


De verzekeringsarts b&b stelt dat de beperkingen in de FML van 3 april 2024 niet correct zijn vastgesteld. De FML wordt aangepast en is geldig op de datum in geding van 9 mei 2024.



De verzekeringsarts b&b constateert dat bij eiser meerdere medische problemen spelen. Sinds een ernstig crushletsel in 2013 is er sprake van chronische voetklachten rechts, waaraan hij meermaals is geopereerd (in 2013, 2017, 2018, 2019, 2023). Bij de laatste maal heeft er een re-artrodese van het tweede en derde TMT-gewricht in de rechter middenvoet plaatsgevonden. Herstel hiervan verloopt erg langzaam. Daarnaast heeft eiser als gevolg van het ongeval in 2013 een postcommotioneel syndroom opgelopen, waardoor hij cognitieve problemen met depressieve klachten ervaart. Door deze psychische klachten en het middelengebruik is het niet mogelijk om een nieuw neuropsychologisch onderzoek (NPO) uit te voeren. Er zijn meerdere te objectiveren medische aandoeningen aan de orde waaruit beperkingen voortvloeien.



Getoetst aan het Schattingsbesluit is er geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiser is immers niet opgenomen op medische indicatie, vertoont geen chronische bedlegerigheid en is niet ADL-afhankelijk. Bovendien is er geen sprake van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op alle drie niveaus (zelfverzorging, het samenlevingsverband en de sociale contacten buiten het gezin inclusief het onderhouden van werkrelaties) als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening of een te verwachten verlies aan mogelijkheden binnen drie maanden. Hoewel eiser aangeeft dat er intensievere behandeling aan de orde is, was dit nog niet zo ten tijde van de datum in geding. Tijdens het onderzoek in bezwaar bleek bovendien dat deze intensievere behandeling niet is doorgegaan. Op medische gronden bestaan er dus benutbare mogelijkheden en als gevolg hiervan heeft de primaire arts de belastbaarheid beschreven. Belangrijk is te vermelden dat de privé belasting buiten beschouwing wordt gelaten, het gaat immers om beperkingen voor arbeid die rechtstreeks veroorzaakt worden door ‘ziekte of gebrek’.



De verzekeringsarts b&b kan eiser gedeeltelijk volgen in zijn stelling dat er meer beperkingen aan de orde zijn. Er is sprake van langdurige klachten als gevolg van het postcommotioneel syndroom. In 2014 is er een NPO verricht waaruit bleek dat er sprake was van een stoornis van de aandacht en een tekort in het werkgeheugen. Dit onderzoek is inmiddels niet meer actueel en er heeft geen nieuw onderzoek plaatsgevonden. Toch komt in de anamnese en uit de informatie van de behandelaren deze problematiek consistent naar voren. Tijdens het onderzoek in bezwaar blijkt dat eiser moeite heeft met het opdiepen van de feiten. Ook uit de heteroanamnese blijkt dat eiser moeite heeft met het geheugen, wat een reden vormt om het herinneren te beperken. Uit de gesprekken in de primaire fase, bezwaarfase en bij het onderzoek van de psychiater komt naar voren dat eiser de aandacht wel kan richten. Echter is tijdens het onderzoek in bezwaar duidelijk geworden dat dit moeite kost, dit blijkt ook uit het feit dat het gesprek moeilijk te structureren is. Het richten van de aandacht is daarom niet bovennormaal mogelijk.



Eisers beperking op het gebied van multitasking, die door de primaire arts is aangegeven, zal van rubriek II naar rubriek I worden overgezet omdat dit onder persoonlijk functioneren valt. Eiser is daarbij aangewezen op te structureren werkzaamheden, met één taak tegelijk waardoor (met de andere beperkingen onder 1.8) de werkzaamheden overzichtelijk blijven. Verder zal bij punt 1.8.1. worden toegevoegd dat eiser is aangewezen op een rustige werkomgeving zonder veel prikkels van licht en lawaai en zonder veel drukke bewegingen van collega’s/voertuigen. Dit omdat dit ook vanaf het trauma consistent aanwezig is gebleven. Er is geen medische beperking aan de orde waardoor lezen en schrijven niet mogelijk zou zijn. In rubriek II zal worden aangegeven dat conflicthantering geen hoofdbestanddeel van de functie moet zijn, gezien het feit dat eiser problemen met impulsbeheersing en agressiviteit heeft. Werkzaamheden met klanten zijn mogelijk als de contacten niet lang en intensief zijn. Werken met klanten in de zorg is daarom niet passend. Gezien het verminderde vermogen om om te gaan met stress, het last hebben van prikkels en moeite hebben met langdurige aandacht te richten is professioneel chauffeuren in een hectische omgeving niet passend. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de functies ten gevolge van het gebruik van medicatie niet passend zijn, tijdens het bezwaar blijkt dat hij alleen methylfenidaat gebruikte.



Wat betreft de fysieke belasting moeten er enkele beperkingen worden toegevoegd. Uit de informatie ten tijde van de datum in geding blijkt dat er nog geen sprake is van volledige consolidatie na de ingreep in 2023. Het is aannemelijk dat eiser wel moet belasten, maar op het advies van de orthopeed is dit op geleide van pijn. Gezien de chronische pijnproblemen en het stagnerende herstel is het niet mogelijk om een halve dag te lopen en staan. Dit zal worden teruggebracht naar maximaal 2-3 uur verdeeld over de dag samen. Verder zal klimmen worden beperkt omdat dit een te grote belasting is voor de voet. Langdurige gehurkt werken zal worden beperkt gezien de artrodese en het stagnerend herstel een te grote belasting voor het enkelgewricht rechts.




7.3.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij uitdrukkelijk betwist dat hij vanaf 9 mei 2024 meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon kan verdienen. De rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige geven een onjuist c.q. onrealistisch beeld van zijn werkelijke (medische) beperkingen.


Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij verder beperkt is dan wordt aangenomen. Hij voelt zich door het UWV niet serieus genomen met zijn klachten en is hier reeds 11 jaar mee bezig. Hij meent onprofessioneel en gekleineerd behandeld te zijn door de verzekeringsarts. De klacht die hij tegen deze behandeling heeft ingediend, is afgedaan met slechts een excuus.



Onterecht is er geen medische informatie opgevraagd bij de behandelend sector terwijl er volgens eiser veel gaande is. In het verleden kon hij geopereerd worden en dan was hij daarna zo snel mogelijk weer aan het werk, maar dat is een gepasseerd station. Inmiddels heeft eiser athetose aan zijn voet. Hij staat hiervoor onder behandeling bij het pijnbehandelingsteam en slikt per dag 2 langdurende oxycodon. Eiser mag er nog 4 kortdurende bij gebruiken. Hierbij moet hij dan ook 1 zakje marcogol en elektolyten voor zijn maag innemen. Voor deze klachten zijn onvoldoende beperkingen in de FML opgenomen.



Eiser staat onder behandeling bij [zorginstelling] omdat hij psychisch in de knoop zit. Alles is hem te veel geworden. Hij is bij meerdere psychiaters en psychologen geweest en hij meent dat zijn problemen niet worden opgelost zolang zijn strijd met het UWV aan de gang is. Eiser slikt 2 tabletten van Quetiapine per dag. Daarbij heeft hij een niet aangeboren hersenafwijking en zijn dingen moeilijk voor hem. Hij neemt dagelijks 4 tabletten Methylfenidaat om energie te krijgen en de dag door te kunnen komen. Zonder deze medicatie kan hij heel de dag slapen. Ook voor deze klachten zijn onvoldoende beperkingen opgenomen in de FML.




7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat de verzekeringsarts b&b met het door haar verrichte onderzoek geen volledig beeld zou hebben gehad van eisers klachten. De verzekeringsarts b&b heeft tijdens het spreekuur, aansluitend aan de hoorzitting, eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. In de bezwaarfase heeft eiser een aantal medische gegevens van de behandelend sector aangeleverd. Ter zitting is door eiser aangegeven dat alle beschikbare medische informatie is ingebracht en dat er niet meer informatie voorhanden is. Daarmee is niet gebleken dat de verzekeringsarts b&b stukken heeft gemist die relevant zijn voor de beoordeling op de datum in geding. Wat betreft de medicatie en nieuwe diagnose is ter zitting door eiser bevestigd dat dat zich afspeelt na de datum in geding.



7.5.
Dat de verzekeringsarts b&b informatie bij de behandelend sector had moeten opvragen kan de rechtbank niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan een verzekeringsarts op haar of zijn eigen oordeel varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De verzekeringsarts moet de behandelend sector raadplegen als een behandeling in gang gezet zal worden of al plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of als de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Daarvan is niet gebleken.



7.6.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat er meer beperkingen op de datum in geding hadden moeten worden aangenomen. Dit wordt door eiser niet onderbouwd met (nieuwe) medische informatie rondom de datum in geding. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b de door eisers ervaren klachten op een andere manier heeft gewogen dan dat hij die ervaart, betekent niet dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. Volgens vaste rechtspraak is de subjectieve beleving van klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. Informatie over de athethose aan eiser zijn voet en de medicatie die hij hiervoor gebruikt zijn reeds in bezwaar door eiser overgelegd en waren daarmee bij de verzekeringsarts b&b bekend. De beperkingen als gevolg van eisers klachten en medicatie zijn meegenomen in de beoordeling van zijn fysieke belastbaarheid, waar hij al fors beperkt voor wordt geacht, met name ten aanzien van zijn voet. Ook de psychische klachten en de behandeling bij [zorginstelling] zijn tijdens de hoorzitting bij de verzekeringsarts b&b besproken en vervolgens meegenomen in de medische rapportage. Ook heeft de verzekeringsarts b&b de niet aangeboren hersenafwijking van eiser in zijn beoordeling betrokken. Gelet op voorgaande is niet gebleken dat eisers beperkingen zijn onderschat.



7.7.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van zijn energieverlies. De verzekeringsarts b&b heeft eisers energieverlies, en de medicatie die hij hiervoor gebruikt, meegenomen in haar beoordeling. Dit heeft tot een urenbeperking geleid. Eiser heeft zijn standpunt over een verdergaande urenbeperking overigens ook niet onderbouwd met medische informatie.



7.8.
Voor de verdere beoordeling kan dan ook worden uitgegaan van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML van 18 juni 2025.



Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?




8. De arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Archiefmedewerker (SBC-code 315132), Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041).




8.1.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.



Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?




9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.




9.1.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 9 mei 2024.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.



Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.








Bijlage wettelijk kader


De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).



Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.



Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:

- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).


De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgenees-kundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).






Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3023.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:106.