Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6699
2026-07-22
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/3521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herbeoordeling WIA-uitkering. Eiser is niet langer volledig arbeidsongeschikt. De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht op 55,68% vastgesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2020:1902 Centrale Raad van Beroep 18-08-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.800 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3521 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder.
Inleiding
1. Eiser werkte voorheen als kwaliteitscontroleur bij [winkel] en als hef-/reachtruck-chauffeur via [bedrijf] . Vanuit de WW is hij op 17 augustus 2020 ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
1.1.
Het UWV heeft met een besluit van 17 oktober 2022 met ingang van 15 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiser toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met een besluit van 27 november 2023 heeft het UWV met ingang van 7 februari 2024 een loonaanvullingsuitkering aan eiser toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Het UWV heeft vervolgens een herbeoordeling verricht. Met het besluit van 8 juli 2024 (primaire besluit) heeft het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per die datum herzien en vastgesteld op 55,68%.
1.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 17 juni 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens het UWV mr. H.M. van Gent .
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
2. Eiser is in het kader van de herbeoordeling gezien op het spreekuur van 26 april 2024. In een rapportage van 1 mei 2024 is geconcludeerd dat geen sprake meer is van geen benutbare mogelijkheden, omdat de behandeling is afgerond. De beperkingen en belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 mei 2024. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden.
2.1.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) het dossier bestudeerd en eiser gezien tijdens de hoorzitting van 19 mei 2025. In een rapportage van 13 juni 2025 heeft de verzekeringsarts b&b geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser op de datum in geding juist is weergegeven in de FML van 6 mei 2024. Er is volgens de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om te stellen dat er op medische gronden geen benutbare mogelijkheden zijn. De aangenomen beperkingen zijn passend daar rekening wordt gehouden met het feit dat eiser verminderd stressbestendig is. Eiser krijgt laagfrequente begeleiding. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een ernstigere medische situatie dan waarvan de primaire arts is uitgegaan. Voor het aannemen van een beperking op zien is geen aanleiding. Er is door de oogarts alleen een leesbril geadviseerd. De aangenomen beperkingen zijn passend bij de aard en mate van de aandoeningen, te weten de longproblematiek, de suikerziekte, de hartproblematiek en de rugklachten. Er zijn geen aandoeningen gemist. In bezwaar zijn geen nieuwe gezichtspunten naar voren gekomen die aanleiding geven tot het aannemen van meer arbeidsbeperkingen per datum in geding. Verder uitstellen van de hervatting op de arbeidsmarkt in passende arbeid zal eerder klachtenonderhoudend werken dan klachtenverminderend. Dit is ook in lijn met het advies van de longarts om meer actief te zijn en te bewegen.
2.2.
Eiser stelt in beroep dat de verzekeringsartsen hebben miskend dat hij lijdt aan een groot aantal zodanig ernstige ziekten en gebreken dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Zij hebben niet althans onvoldoende acht geslagen op informatie van de behandelend huisarts en medisch specialisten. De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien maar van een deugdelijk onderzoek en diagnose is geen sprake geweest. Volgens eiser hadden de artsen van het UWV een prognose moeten maken. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Uit de rapportages blijkt dat de artsen op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de longproblematiek, suikerziekte, hartproblematiek en rugklachten. Deze klachten hebben de artsen ook kenbaar betrokken in hun beoordeling. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden en daarvoor zijn meerdere beperkingen aangenomen. Eiser heeft zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is niet met medische gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om twijfelen aan de belastbaarheid die de artsen hebben aangenomen.
2.4.
Voor zover eiser betoogt dat van een diagnose geen sprake is geweest, blijkt uit vaste rechtspraak dat het stellen van een diagnose niet bepalend is voor de vraag of arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. Het gaat om eisers beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding. Eiser kan verder niet worden gevolgd in zijn stelling dat geen prognose is gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar 5.2. van de rapportage van 1 mei 2024.
2.5.
Omdat niet is gebleken dat de beperkingen van eiser in de FML van 6 mei 2024 zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML. Voor het benoemen van een deskundige zoals ter zitting is verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt.
Arbeidsdeskundige beoordelingen door het UWV
3. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de arbeidsdeskundige beoordeling, is gebaseerd op het rapport van een arbeidsdeskundige van het UWV.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
3.1.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, maar acht hem wel geschikt voor ander werk. De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en medewerker binderij, drukkerij (SBC-code 268030). Op basis hiervan komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat eiser 55,68% arbeidsongeschikt is.
3.2.
Eiser heeft geen arbeidskundige gronden naar voren gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De geduide functies mochten dus worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
3.3.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser 55,68% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft tegen de berekening van het UWV geen gronden naar voren gebracht. Om die reden gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
3.4.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 juli 2024 heeft vastgesteld op 55,68%.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1902
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3521 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder.
Inleiding
1. Eiser werkte voorheen als kwaliteitscontroleur bij [winkel] en als hef-/reachtruck-chauffeur via [bedrijf] . Vanuit de WW is hij op 17 augustus 2020 ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
1.1.
Het UWV heeft met een besluit van 17 oktober 2022 met ingang van 15 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiser toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met een besluit van 27 november 2023 heeft het UWV met ingang van 7 februari 2024 een loonaanvullingsuitkering aan eiser toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Het UWV heeft vervolgens een herbeoordeling verricht. Met het besluit van 8 juli 2024 (primaire besluit) heeft het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per die datum herzien en vastgesteld op 55,68%.
1.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het besluit van 17 juni 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens het UWV mr. H.M. van Gent .
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
2. Eiser is in het kader van de herbeoordeling gezien op het spreekuur van 26 april 2024. In een rapportage van 1 mei 2024 is geconcludeerd dat geen sprake meer is van geen benutbare mogelijkheden, omdat de behandeling is afgerond. De beperkingen en belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 mei 2024. Er zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen, Statische houdingen en Werktijden.
2.1.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) het dossier bestudeerd en eiser gezien tijdens de hoorzitting van 19 mei 2025. In een rapportage van 13 juni 2025 heeft de verzekeringsarts b&b geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser op de datum in geding juist is weergegeven in de FML van 6 mei 2024. Er is volgens de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om te stellen dat er op medische gronden geen benutbare mogelijkheden zijn. De aangenomen beperkingen zijn passend daar rekening wordt gehouden met het feit dat eiser verminderd stressbestendig is. Eiser krijgt laagfrequente begeleiding. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een ernstigere medische situatie dan waarvan de primaire arts is uitgegaan. Voor het aannemen van een beperking op zien is geen aanleiding. Er is door de oogarts alleen een leesbril geadviseerd. De aangenomen beperkingen zijn passend bij de aard en mate van de aandoeningen, te weten de longproblematiek, de suikerziekte, de hartproblematiek en de rugklachten. Er zijn geen aandoeningen gemist. In bezwaar zijn geen nieuwe gezichtspunten naar voren gekomen die aanleiding geven tot het aannemen van meer arbeidsbeperkingen per datum in geding. Verder uitstellen van de hervatting op de arbeidsmarkt in passende arbeid zal eerder klachtenonderhoudend werken dan klachtenverminderend. Dit is ook in lijn met het advies van de longarts om meer actief te zijn en te bewegen.
2.2.
Eiser stelt in beroep dat de verzekeringsartsen hebben miskend dat hij lijdt aan een groot aantal zodanig ernstige ziekten en gebreken dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Zij hebben niet althans onvoldoende acht geslagen op informatie van de behandelend huisarts en medisch specialisten. De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien maar van een deugdelijk onderzoek en diagnose is geen sprake geweest. Volgens eiser hadden de artsen van het UWV een prognose moeten maken. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Uit de rapportages blijkt dat de artsen op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de longproblematiek, suikerziekte, hartproblematiek en rugklachten. Deze klachten hebben de artsen ook kenbaar betrokken in hun beoordeling. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden en daarvoor zijn meerdere beperkingen aangenomen. Eiser heeft zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is niet met medische gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om twijfelen aan de belastbaarheid die de artsen hebben aangenomen.
2.4.
Voor zover eiser betoogt dat van een diagnose geen sprake is geweest, blijkt uit vaste rechtspraak dat het stellen van een diagnose niet bepalend is voor de vraag of arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. Het gaat om eisers beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding. Eiser kan verder niet worden gevolgd in zijn stelling dat geen prognose is gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar 5.2. van de rapportage van 1 mei 2024.
2.5.
Omdat niet is gebleken dat de beperkingen van eiser in de FML van 6 mei 2024 zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML. Voor het benoemen van een deskundige zoals ter zitting is verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt.
Arbeidsdeskundige beoordelingen door het UWV
3. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de arbeidsdeskundige beoordeling, is gebaseerd op het rapport van een arbeidsdeskundige van het UWV.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
3.1.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, maar acht hem wel geschikt voor ander werk. De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en medewerker binderij, drukkerij (SBC-code 268030). Op basis hiervan komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat eiser 55,68% arbeidsongeschikt is.
3.2.
Eiser heeft geen arbeidskundige gronden naar voren gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De geduide functies mochten dus worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
3.3.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser 55,68% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft tegen de berekening van het UWV geen gronden naar voren gebracht. Om die reden gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
3.4.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 juli 2024 heeft vastgesteld op 55,68%.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1902