Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6697
2026-07-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/6597 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Stopzetting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering vanwege op geld waardeerbare arbeid
Citeert (7)
- ECLI:NL:CRVB:2024:327 Centrale Raad van Beroep 20-02-2024
- ECLI:NL:CRVB:2018:2384 Centrale Raad van Beroep 31-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2022:871 Centrale Raad van Beroep 29-03-2022
- ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2364 Centrale Raad van Beroep 26-02-2013
- ECLI:NL:CRVB:2016:578 Centrale Raad van Beroep 23-02-2016
- ECLI:NL:CRVB:2026:522 Centrale Raad van Beroep 21-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2024:726 Centrale Raad van Beroep 18-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.098 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6597 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, eiser, en [eiseres], eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. R. Joosen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg (het college), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging, intrekking en terugvordering van hun uitkering op grond van de Participatiewet. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging, intrekking en terugvordering van hun bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstandsuitkering van eisers heeft beëindigd, ingetrokken en teruggevorderd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 juni 2025 (primair besluit) heeft het college het recht op bijstand van eisers per 1 maart stopgezet, van 7 maart 2023 tot en met 6 maart 2025 ingetrokken en de teveel betaalde bijstand over deze periode teruggevorderd. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [persoon] als tolk en [gemachtigde] namens het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
3. Eisers ontvangen sinds 1 juni 2008 een uitkering in het kader van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden. Van 12 september 2023 tot 12 september 2025 hebben eisers ook een individuele inkomenstoeslag en tegemoetkomingsregeling ontvangen.
3.1.
De aanleiding voor het onderzoek naar het recht van eisers op een bijstandsuitkering was een anonieme melding ontvangen op 6 maart 2023 dat eiser al jarenlang elke dag gaat werken bij [garagebedrijf] in [plaats] . Daarbij werd ook aangegeven dat eiser rijdt in een dure zwarte Seat Leon.
3.2.
Het college heeft deze zaak op 17 juli 2023 voorgelegd aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijke afdoening aan de orde is. Op 7 januari 2025 heeft het Openbaar Ministerie geadviseerd om het onderzoek bestuursrechtelijk voort te zetten, omdat eiser op 13 september 2013 heeft aangegeven interesse te hebben in vrijwilligerswerk en het college pas op 15 mei 2023 een signaal van mogelijke fraude heeft doorgegeven aan de Sociale Recherche. In de periode van 17 juli 2023 tot 7 januari 2025 heeft het college acht keer contact gehad met het Openbaar Ministerie.
3.3.
Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet werd er een bestuursrechtelijk onderzoek ingesteld naar eisers recht op bijstand. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in de rapporten van 18 maart 2025 en 15 april 2025. Er is een administratief onderzoek uitgevoerd. Eiser heeft tijdens een gesprek op 13 september 2013 aangegeven dat hij contact heeft gehad met een autobedrijf in [plaats] waar hij graag vrijwilligerswerk wil gaan doen. Op 9 januari 2014 heeft eiser aangegeven dat hij niet gestart is met vrijwilligerswerk bij het autobedrijf, omdat dit lichamelijk niet mogelijk was. Eiser heeft in de loop der jaren herhaaldelijk verklaard niet te kunnen werken. De wijkagent heeft aangegeven dat eiser en de auto waarin hij rijdt sinds 2017 waar zijn genomen bij het [garagebedrijf] . De uitbater van het naastgelegen bedrijf heeft op 4 februari 2025 verklaard dat eiser in ieder geval sinds 2016, toen hij zich daar vestigde, zes dagen per week van 9:00 uur tot ongeveer 17:00 uur werkt bij [garagebedrijf] . Hij denkt dat eiser contant betaald wordt.
3.3.1.
Daarnaast zijn er op 7 maart 2023, van 22 mei 2023 tot en met 7 juni 2023 en van 25 september 2024 tot en met 9 april 2025 heimelijke waarnemingen verricht onder andere nabij het [garagebedrijf] . Er is waargenomen dat eiser gebruik maakt van een zwarte Seat Leon met [kenteken] , met een dagwaarde in 2024 van ongeveer € 20.000,-. Op foto’s van Google street view is te zien dat deze auto in juli 2023, maart 2022 en augustus 2017 is geparkeerd naast het [garagebedrijf] . Op 7 maart 2023 is eisers auto op drie verschillende tijdstippen waargenomen bij het garagebedrijf.
Van mei 2023 tot en met juni 2023 hebben er 18 waarnemingen plaatsgevonden bij dit garagebedrijf. Bij al deze waarnemingen is eisers auto waargenomen. Bij 4 waarnemingen is eiser waargenomen. Een keer is gezien dat eiser met een mogelijke klant over het terrein liep. Tijdens een van de waarnemingen zijn de rapporteurs het terrein opgelopen. Zij zagen eiser over het terrein lopen, zichzelf toegang verschaffen tot de kantoren in de loods en voertuigen die te koop werden aangeboden verplaatsen en inparkeren.
Van september 2024 tot en met 9 april 2025 hebben er 26 waarnemingen plaatsgevonden bij [garagebedrijf] . Daarbij is 24 keer eisers auto waargenomen en 10 keer waargenomen dat eiser het terrein van het bedrijf oploopt. 1 keer is waargenomen dat eiser een wiel verwisselde van een auto. Ook is een keer gezien dat eiser met een mogelijke klant over het terrein liep.
3.3.2.
Op 10 april 2025 heeft er een gesprek met eisers plaatsgevonden. Gevraagd naar de dagbesteding wordt aangegeven dat eiser thuis is, de tuin schoonmaakt, soms buiten loopt en soms met de buurman praat. Ook wordt desgevraagd aangegeven dat zij geen gebruik maken van een auto van een ander. Als gevraagd wordt naar de Seat Leon wordt aangegeven dat deze auto van een vriendin van hun zoon is en dat eiser daar weleens in rijdt. Als gevraagd wordt naar de [garagebedrijf] in [plaats] wordt aangegeven dat eiser daar wel eens naar toe gaat en dat hij daar misschien twee of drie jaar geleden begonnen is. In reactie op de vraag waarom de sociale dienst niet weet dat eiser elke dag naar [garagebedrijf] gaat wordt aangegeven dat zij dit niet weten en dat hij misschien al vele jaren elke dag naar [plaats] gaat, misschien al acht jaar. Eiser erkent dat hij daar elke dag is, misschien sinds 2017. Eisers willen de verklaring van het gespreksverslag niet ondertekenen, omdat zij geen geld hebben gekregen en hij daar niet werkt. Hij wandelt en praat en leert een beetje de Nederlandse taal.
3.4.
Met het primaire besluit heeft het college eisers bijstandsuitkering per 1 maart 2025 beëindigd, van 7 maart 2023 tot en met 6 maart 2025 ingetrokken en de teveel verstrekte bijstand over deze periode ten bedrage van € 47.396,24 van eisers teruggevorderd, omdat eiser in deze periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eisers zijn de inlichtingenverplichting niet nagekomen, omdat zij deze werkzaamheden niet heeft gemeld.
Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college, mede onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Wel heeft het college aangegeven dat eisers bijstandsuitkering wordt ingetrokken over de periode van 7 maart 2023 tot 1 maart 2025, omdat de uitkering ook maar tot en met februari 2025 is uitbetaald; bij de hoogte van de terugvordering is ook gerekend tot 1 maart 2025.
Uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft geen concrete inzage gegeven in de verrichte werkzaamheden (of de inhoud van het vrijwilligerswerk). Uit het verrichte onderzoek en uit het gesprek kwam naar voren dat eiser reeds jaren dagelijks bij het [garagebedrijf] komt gedurende reguliere arbeidsuren. Indien de omvang van de werkzaamheden niet is vast te stellen, is er geen ruimte voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen, maar kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Eiser heeft geen melding gemaakt van de op geld waardeerbare werkzaamheden. Dit is een schending van de inlichtingenverplichting. Het college heeft in het kader van eventuele dringende redenen overwogen dat er geen sprake is van een besluit waardoor eisers onevenredig worden geraakt. Het college heeft daarbij meegewogen dat sprake is van een bewuste schending van de inlichtingenplicht. De medische problematiek van eiser is al geruime tijd aanwezig en zijn niet ontstaan door het huidige besluit tot terugvordering. Qua financiële gevolgen geldt de bescherming van de beslagvrije voet. Er is momenteel geen sprake van een schuldhulpverleningstraject. Ook weegt het college mee dat eisers beschikken over een auto met een dagwaarde van circa € 20.000,-. Het college erkent dat het onderzoek ruim twee jaar heeft geduurd, in afwachting van een definitief besluit van het Openbaar Ministerie. Er is geen sprake van verjaring. Er wordt dus niet (gedeeltelijk) afgezien van terugvordering.
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat het college zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Geenszins is vast komen te staan dat door eiser werkzaamheden zijn verricht bij [garagebedrijf] te [plaats] , die op geld waardeerbaar zijn. Het standpunt van het college dat appellant werkzaamheden bij [garagebedrijf] heeft verricht mist een toereikende feitelijke grondslag. Van betekenis hiervoor is dat niet is komen vast te staan of en welke werkzaamheden eiser voor [garagebedrijf] heeft verricht. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat eiser bij herhaling en consistent heeft verklaard over welke werkzaamheden hij heeft verricht, vanaf welke periode hij werkzaam is geweest en waarom hij precies bij [garagebedrijf] aanwezig was. In dit geval zijn er onvoldoende waarborgen dat de weergave in het verslag van wat eisers tijdens het gesprek hebben verklaard, volledig en juist is. Waarbij wordt opgemerkt dat eisers zeer gebrekkig Nederlands spreken. Zodoende stellen eisers dat de verklaringen niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit.
Gelet op de initiële melding van eiser in 2013 zien eisers geen enkele reden om nu ineens niet meer aan te nemen dat sprake is van vrijwilligerswerk dan wel, in onderhavig geval, dagbesteding. Eisers zijn later ook niet meer door het college bevraagd over hun dagbesteding. Daarenboven blijkt uit de rapportage van de Sociaal rechercheurs van de gemeente Breda dat eiser al in 2013 heeft aangegeven dat vrijwilligerswerk het hoogst haalbare voor hem is. Hierdoor dient er ook van uit te worden gegaan dat telkens sprake is geweest van dagbesteding. Gelet op zijn klachten, waarbij hij afleiding nodig heeft, heeft eiser zich genoodzaakt gezien om dagbesteding te gaan doen. Het gaat dan ook te ver om dit als op geld waardeerbare werkzaamheden aan te merken.
Daarenboven kan het standpunt van het college niet gehandhaafd blijven gelet op de aanzienlijke psychische klachten die eiser ondervindt. Het college heeft erkend dat de afgelopen jaren tijdens de gesprekken over de participatie van eiser is gebleken dat (onbetaald) werk wegens zijn medische klachten voor hem niet mogelijk was, waardoor hij jarenlang gedeeltelijk van de arbeidsverplichtingen ontheven is. Niet is door het college onderbouwd waarom eiser nu wel medisch ertoe in staat zou moeten zijn geweest om op geld waardeerbare activiteiten te verrichten.
Eisers voeren verder (subsidiair) aan dat het college ten onrechte 7 maart 2023 als de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering heeft aangemerkt. Het is het college geweest die in deze kwestie steken heeft laten vallen en het dossier van eisers heeft laten versloffen, waardoor zij zich nu met een enorme terugvordering zien geconfronteerd. Het is voor eisers nadelig geweest dat pas na ruim 2 jaar na de anonieme melding onderhavige besluitvorming door het college is genomen. Het college heeft niet onderbouwd waarom het risico dat een en ander zo lang heeft moeten duren geheel voor rekening van eisers moet komen.
Daarnaast stellen eisers zich - geheel subsidiair - op het standpunt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Gelet op de psychische toestand van eiser is sprake van een incidenteel geval waarin iets uitzonderlijks aan de hand is. Daarenboven wijzen eisers op de financiële gevolgen van de terugvordering. Eisers zien zich nu geconfronteerd met een aanzienlijke vordering, die door toedoen van het college enkel is opgelopen. Wanneer alle relevante omstandigheden van eisers worden afgewogen, kan in dit geval de conclusie niet anders zijn dan dat de terugvordering voor eisers, die inmiddels aanspraak maken op een AOW-uitkering, leidt tot onaanvaardbare sociale gevolgen. Eisers wijzen nogmaals op de noodzaak voor eiser om wegens zijn psychische klachten dagbesteding te gaan doen, waardoor geen sprake kan zijn van een bewuste schending van de inlichtingenplicht. Eisers kan geen verwijt worden gemaakt. Bovendien is het voornemen tot het gaan doen van (in eerste instantie) vrijwilligerswerk door eisers aan het college kenbaar gemaakt en hiertegen zijn door het college geen bezwaren geuit.
Juridisch kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden de bijstandsuitkering van eisers over de periode van 7 maart 2023 tot en met 1 maart 2025 heeft ingetrokken en teruggevorderd.
6.1.
Het college heeft de uitkering ingetrokken, omdat eiser in ieder geval sinds 7 maart 2023 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eisers hebben dit in strijd met de inlichtingenplicht niet bij het college gemeld.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Heeft eiser op geld waardeerbare werkzaamheden verricht?
8. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, Participatiewet voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokken persoon daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
Op grond van eveneens vaste rechtspraak van de CRvB veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Uit de waarnemingen blijkt dat eiser aanwezig was bij [garagebedrijf] tijdens reguliere arbeidsuren. De verklaringen van de wijkagent en de eigenaar van het naastgelegen bedrijf bevestigen dat. Dit veronderstelt, gelet op bovengenoemde jurisprudentie, dat eiser op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Anders dan eisers stellen heeft het college geen aanleiding hoeven zien om daarnaast dan nog navraag te doen bij werknemers en/of klanten van het garagebedrijf of personen in hun directe omgeving en onderzoek te doen naar hun rekeningafschriften.
Het is vervolgens aan eisers om het tegendeel aannemelijk te maken. Hierin zijn zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Aan de in beroep overgelegde verklaring van de eigenaar van het [garagebedrijf] kan niet de waarde worden gehecht die eisers wensen. Gelet op de verklaring van eisers ter zitting dat de eigenaar een goede vriend van hen is, alsmede gelet op de omstandigheid dat hij er belang bij kan hebben om te ontkennen dat sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, is deze verklaring namelijk niet afkomstig van een objectieve bron.
De melding van eiser uit 2013, dat hij vrijwilligerswerk wilde gaan doen bij een autobedrijf in [plaats] , maakt niet dat tijdens de periode in geding sprake is geweest van vrijwilligerswerk c.q. dagbesteding. Eiser heeft namelijk vanaf januari 2014 herhaaldelijk aangegeven dat hij niet gestart is met het vrijwilligerswerk. Bovendien blijkt uit het dossier dat er vaak gesprekken met eisers zijn gevoerd over hoe het met hen gaat en dat zij daarbij nooit melding hebben gemaakt van een dagbesteding, maar juist hebben verklaard dat eiser vaak thuis is. De stelling van eisers dat sprake zou zijn van een door het college gesanctioneerde dagbesteding, volgt de rechtbank dan ook niet.
Ten slotte hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, met hun verwijzing naar eisers medische situatie en de omstandigheid dat het college hem (gedeeltelijk) heeft ontheven van arbeidsverplichtingen niet aannemelijk gemaakt dat eiser feitelijk niet in staat was om bij [garagebedrijf] op geld waardeerbare arbeid te verrichten. Deze omstandigheden wegen onvoldoende op tegen de onderzoeksbevindingen in samenhang bezien.
Is sprake van schending van de inlichtingenplicht?
10. Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn en daarom gemeld dient te worden aan het bijstandsverlenend orgaan.
10.1.
Voor zover eisers stellen de inlichtingenplicht niet te hebben geschonden, omdat zij in 2013 hebben gemeld dat eiser vrijwilligerswerk wilde gaan doen, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank verwijst daartoe naar de overweging onder 9. over de gestelde dagbesteding.
Eisers waren op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet verplicht juiste en volledige informatie over eisers werkzaamheden te verstrekken, omdat dat gegeven voor de beoordeling van het recht op bijstand en de voortzetting daarvan een essentieel gegeven is. Door niet te melden bij het college dat eiser in ieder geval sinds 7 maart 2023 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, hebben zij dan ook de inlichtingenplicht geschonden.
Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenplicht was voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Eisers hebben immers geen administratie van de werkzaamheden en verdiensten overgelegd. Als gevolg van de vaststelling dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden was het college vervolgens op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden de bijstandsuitkering van eisers in te trekken.
Is terecht overgegaan tot terugvordering?
11. Eisers hebben aangevoerd dat intrekking en terugvordering van de uitkering met terugwerkende kracht per 7 maart 2023 onevenredig is, omdat de zaak ruim twee jaar na de anonieme melding op de plank heeft gelegen. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van verjaring. Voor zover eisers hiermee een beroep hebben willen doen op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dit naar het oordeel van de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB stuit het beroep op het evenredigheidsbeginsel af op het gebonden karakter van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering en het feit dat die berusten op een wet in formele zin. Een tijdsverloop kan niet afdoen aan het verplichte karakter van een terugvordering.
12. Het college is in geval van schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet gehouden de te veel betaalde uitkering van eisers terug te vorderen. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet is het college bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Uit de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 volgt dat het begrip dringende redenen ruimer uitgelegd dient te worden dan voorheen. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Alle relevante feiten en omstandigheden zijn van belang. Belangrijke onderdelen die worden meegewogen zijn het eigen aandeel van het bestuursorgaan in de redenen voor terugvordering, het aandeel van de belanghebbende in de ontstane situatie, en de gevolgen die de terugvordering voor de belanghebbende hebben. De CRvB blijft als uitgangspunt hanteren dat in het algemeen de financiële gevolgen van de terugvordering zich pas voordoen bij de invordering of verrekening. Dan geldt de bescherming van de beslagvrije voet. In het algemeen leveren de financiële gevolgen geen dringende reden op om af te zien van terugvorderen.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.
Hoewel het tijdsverloop tussen de anonieme melding van 6 maart 2023 en de beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 maart 2025 aanzienlijk is, heeft het college in deze enkele omstandigheid geen aanleiding hoeven zien om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Uit het dossier blijkt dat de oorzaak van het tijdsverloop gelegen is in het feit dat het college de zaak op 17 juli 2023 heeft voorgelegd aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijke afdoening aan de orde is. Pas op 7 januari 2025 heeft het Openbaar Ministerie geadviseerd om het onderzoek bestuursrechtelijk voort te zetten. In de tussentijd heeft het college acht keer contact gehad met het Openbaar Ministerie. De oorzaak van de vertraging is dus vooral gelegen bij het Openbaar Ministerie en het college heeft in de tussentijd voldoende een vinger aan de pols gehouden. Ook was het college vanaf september 2024 al weer gestart met waarnemingen.
Tegenover dit tijdsverloop weegt substantieel in het nadeel van eisers mee dat de terugvordering is ontstaan doordat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden.
Daarnaast heeft het college in de medische klachten geen dringende redenen hoeven zien om af te zien van terugvordering. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens blijkt niet dat de medische klachten van eisers zijn veroorzaakt of verergerd door de terugvordering. De medische klachten zijn immers al geruime tijd aanwezig. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering heeft het college kunnen overwegen dat de regels over de beslagvrije voet eisers bescherming bieden. Eisers hebben verder geen documenten overgelegd betreffende de financiële gevolgen van de terugvordering.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten, waaronder de reiskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…)
Artikel 54
(…)
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
(…)
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:327).
Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 31 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2384) en 29 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:871).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2364).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:578).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 april 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:522).
ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6597 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, eiser, en [eiseres], eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. R. Joosen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg (het college), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging, intrekking en terugvordering van hun uitkering op grond van de Participatiewet. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging, intrekking en terugvordering van hun bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstandsuitkering van eisers heeft beëindigd, ingetrokken en teruggevorderd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 juni 2025 (primair besluit) heeft het college het recht op bijstand van eisers per 1 maart stopgezet, van 7 maart 2023 tot en met 6 maart 2025 ingetrokken en de teveel betaalde bijstand over deze periode teruggevorderd. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [persoon] als tolk en [gemachtigde] namens het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
3. Eisers ontvangen sinds 1 juni 2008 een uitkering in het kader van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden. Van 12 september 2023 tot 12 september 2025 hebben eisers ook een individuele inkomenstoeslag en tegemoetkomingsregeling ontvangen.
3.1.
De aanleiding voor het onderzoek naar het recht van eisers op een bijstandsuitkering was een anonieme melding ontvangen op 6 maart 2023 dat eiser al jarenlang elke dag gaat werken bij [garagebedrijf] in [plaats] . Daarbij werd ook aangegeven dat eiser rijdt in een dure zwarte Seat Leon.
3.2.
Het college heeft deze zaak op 17 juli 2023 voorgelegd aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijke afdoening aan de orde is. Op 7 januari 2025 heeft het Openbaar Ministerie geadviseerd om het onderzoek bestuursrechtelijk voort te zetten, omdat eiser op 13 september 2013 heeft aangegeven interesse te hebben in vrijwilligerswerk en het college pas op 15 mei 2023 een signaal van mogelijke fraude heeft doorgegeven aan de Sociale Recherche. In de periode van 17 juli 2023 tot 7 januari 2025 heeft het college acht keer contact gehad met het Openbaar Ministerie.
3.3.
Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet werd er een bestuursrechtelijk onderzoek ingesteld naar eisers recht op bijstand. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in de rapporten van 18 maart 2025 en 15 april 2025. Er is een administratief onderzoek uitgevoerd. Eiser heeft tijdens een gesprek op 13 september 2013 aangegeven dat hij contact heeft gehad met een autobedrijf in [plaats] waar hij graag vrijwilligerswerk wil gaan doen. Op 9 januari 2014 heeft eiser aangegeven dat hij niet gestart is met vrijwilligerswerk bij het autobedrijf, omdat dit lichamelijk niet mogelijk was. Eiser heeft in de loop der jaren herhaaldelijk verklaard niet te kunnen werken. De wijkagent heeft aangegeven dat eiser en de auto waarin hij rijdt sinds 2017 waar zijn genomen bij het [garagebedrijf] . De uitbater van het naastgelegen bedrijf heeft op 4 februari 2025 verklaard dat eiser in ieder geval sinds 2016, toen hij zich daar vestigde, zes dagen per week van 9:00 uur tot ongeveer 17:00 uur werkt bij [garagebedrijf] . Hij denkt dat eiser contant betaald wordt.
3.3.1.
Daarnaast zijn er op 7 maart 2023, van 22 mei 2023 tot en met 7 juni 2023 en van 25 september 2024 tot en met 9 april 2025 heimelijke waarnemingen verricht onder andere nabij het [garagebedrijf] . Er is waargenomen dat eiser gebruik maakt van een zwarte Seat Leon met [kenteken] , met een dagwaarde in 2024 van ongeveer € 20.000,-. Op foto’s van Google street view is te zien dat deze auto in juli 2023, maart 2022 en augustus 2017 is geparkeerd naast het [garagebedrijf] . Op 7 maart 2023 is eisers auto op drie verschillende tijdstippen waargenomen bij het garagebedrijf.
Van mei 2023 tot en met juni 2023 hebben er 18 waarnemingen plaatsgevonden bij dit garagebedrijf. Bij al deze waarnemingen is eisers auto waargenomen. Bij 4 waarnemingen is eiser waargenomen. Een keer is gezien dat eiser met een mogelijke klant over het terrein liep. Tijdens een van de waarnemingen zijn de rapporteurs het terrein opgelopen. Zij zagen eiser over het terrein lopen, zichzelf toegang verschaffen tot de kantoren in de loods en voertuigen die te koop werden aangeboden verplaatsen en inparkeren.
Van september 2024 tot en met 9 april 2025 hebben er 26 waarnemingen plaatsgevonden bij [garagebedrijf] . Daarbij is 24 keer eisers auto waargenomen en 10 keer waargenomen dat eiser het terrein van het bedrijf oploopt. 1 keer is waargenomen dat eiser een wiel verwisselde van een auto. Ook is een keer gezien dat eiser met een mogelijke klant over het terrein liep.
3.3.2.
Op 10 april 2025 heeft er een gesprek met eisers plaatsgevonden. Gevraagd naar de dagbesteding wordt aangegeven dat eiser thuis is, de tuin schoonmaakt, soms buiten loopt en soms met de buurman praat. Ook wordt desgevraagd aangegeven dat zij geen gebruik maken van een auto van een ander. Als gevraagd wordt naar de Seat Leon wordt aangegeven dat deze auto van een vriendin van hun zoon is en dat eiser daar weleens in rijdt. Als gevraagd wordt naar de [garagebedrijf] in [plaats] wordt aangegeven dat eiser daar wel eens naar toe gaat en dat hij daar misschien twee of drie jaar geleden begonnen is. In reactie op de vraag waarom de sociale dienst niet weet dat eiser elke dag naar [garagebedrijf] gaat wordt aangegeven dat zij dit niet weten en dat hij misschien al vele jaren elke dag naar [plaats] gaat, misschien al acht jaar. Eiser erkent dat hij daar elke dag is, misschien sinds 2017. Eisers willen de verklaring van het gespreksverslag niet ondertekenen, omdat zij geen geld hebben gekregen en hij daar niet werkt. Hij wandelt en praat en leert een beetje de Nederlandse taal.
3.4.
Met het primaire besluit heeft het college eisers bijstandsuitkering per 1 maart 2025 beëindigd, van 7 maart 2023 tot en met 6 maart 2025 ingetrokken en de teveel verstrekte bijstand over deze periode ten bedrage van € 47.396,24 van eisers teruggevorderd, omdat eiser in deze periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eisers zijn de inlichtingenverplichting niet nagekomen, omdat zij deze werkzaamheden niet heeft gemeld.
Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het college, mede onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Wel heeft het college aangegeven dat eisers bijstandsuitkering wordt ingetrokken over de periode van 7 maart 2023 tot 1 maart 2025, omdat de uitkering ook maar tot en met februari 2025 is uitbetaald; bij de hoogte van de terugvordering is ook gerekend tot 1 maart 2025.
Uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft geen concrete inzage gegeven in de verrichte werkzaamheden (of de inhoud van het vrijwilligerswerk). Uit het verrichte onderzoek en uit het gesprek kwam naar voren dat eiser reeds jaren dagelijks bij het [garagebedrijf] komt gedurende reguliere arbeidsuren. Indien de omvang van de werkzaamheden niet is vast te stellen, is er geen ruimte voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen, maar kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Eiser heeft geen melding gemaakt van de op geld waardeerbare werkzaamheden. Dit is een schending van de inlichtingenverplichting. Het college heeft in het kader van eventuele dringende redenen overwogen dat er geen sprake is van een besluit waardoor eisers onevenredig worden geraakt. Het college heeft daarbij meegewogen dat sprake is van een bewuste schending van de inlichtingenplicht. De medische problematiek van eiser is al geruime tijd aanwezig en zijn niet ontstaan door het huidige besluit tot terugvordering. Qua financiële gevolgen geldt de bescherming van de beslagvrije voet. Er is momenteel geen sprake van een schuldhulpverleningstraject. Ook weegt het college mee dat eisers beschikken over een auto met een dagwaarde van circa € 20.000,-. Het college erkent dat het onderzoek ruim twee jaar heeft geduurd, in afwachting van een definitief besluit van het Openbaar Ministerie. Er is geen sprake van verjaring. Er wordt dus niet (gedeeltelijk) afgezien van terugvordering.
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat het college zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Geenszins is vast komen te staan dat door eiser werkzaamheden zijn verricht bij [garagebedrijf] te [plaats] , die op geld waardeerbaar zijn. Het standpunt van het college dat appellant werkzaamheden bij [garagebedrijf] heeft verricht mist een toereikende feitelijke grondslag. Van betekenis hiervoor is dat niet is komen vast te staan of en welke werkzaamheden eiser voor [garagebedrijf] heeft verricht. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat eiser bij herhaling en consistent heeft verklaard over welke werkzaamheden hij heeft verricht, vanaf welke periode hij werkzaam is geweest en waarom hij precies bij [garagebedrijf] aanwezig was. In dit geval zijn er onvoldoende waarborgen dat de weergave in het verslag van wat eisers tijdens het gesprek hebben verklaard, volledig en juist is. Waarbij wordt opgemerkt dat eisers zeer gebrekkig Nederlands spreken. Zodoende stellen eisers dat de verklaringen niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit.
Gelet op de initiële melding van eiser in 2013 zien eisers geen enkele reden om nu ineens niet meer aan te nemen dat sprake is van vrijwilligerswerk dan wel, in onderhavig geval, dagbesteding. Eisers zijn later ook niet meer door het college bevraagd over hun dagbesteding. Daarenboven blijkt uit de rapportage van de Sociaal rechercheurs van de gemeente Breda dat eiser al in 2013 heeft aangegeven dat vrijwilligerswerk het hoogst haalbare voor hem is. Hierdoor dient er ook van uit te worden gegaan dat telkens sprake is geweest van dagbesteding. Gelet op zijn klachten, waarbij hij afleiding nodig heeft, heeft eiser zich genoodzaakt gezien om dagbesteding te gaan doen. Het gaat dan ook te ver om dit als op geld waardeerbare werkzaamheden aan te merken.
Daarenboven kan het standpunt van het college niet gehandhaafd blijven gelet op de aanzienlijke psychische klachten die eiser ondervindt. Het college heeft erkend dat de afgelopen jaren tijdens de gesprekken over de participatie van eiser is gebleken dat (onbetaald) werk wegens zijn medische klachten voor hem niet mogelijk was, waardoor hij jarenlang gedeeltelijk van de arbeidsverplichtingen ontheven is. Niet is door het college onderbouwd waarom eiser nu wel medisch ertoe in staat zou moeten zijn geweest om op geld waardeerbare activiteiten te verrichten.
Eisers voeren verder (subsidiair) aan dat het college ten onrechte 7 maart 2023 als de ingangsdatum van de intrekking en terugvordering heeft aangemerkt. Het is het college geweest die in deze kwestie steken heeft laten vallen en het dossier van eisers heeft laten versloffen, waardoor zij zich nu met een enorme terugvordering zien geconfronteerd. Het is voor eisers nadelig geweest dat pas na ruim 2 jaar na de anonieme melding onderhavige besluitvorming door het college is genomen. Het college heeft niet onderbouwd waarom het risico dat een en ander zo lang heeft moeten duren geheel voor rekening van eisers moet komen.
Daarnaast stellen eisers zich - geheel subsidiair - op het standpunt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Gelet op de psychische toestand van eiser is sprake van een incidenteel geval waarin iets uitzonderlijks aan de hand is. Daarenboven wijzen eisers op de financiële gevolgen van de terugvordering. Eisers zien zich nu geconfronteerd met een aanzienlijke vordering, die door toedoen van het college enkel is opgelopen. Wanneer alle relevante omstandigheden van eisers worden afgewogen, kan in dit geval de conclusie niet anders zijn dan dat de terugvordering voor eisers, die inmiddels aanspraak maken op een AOW-uitkering, leidt tot onaanvaardbare sociale gevolgen. Eisers wijzen nogmaals op de noodzaak voor eiser om wegens zijn psychische klachten dagbesteding te gaan doen, waardoor geen sprake kan zijn van een bewuste schending van de inlichtingenplicht. Eisers kan geen verwijt worden gemaakt. Bovendien is het voornemen tot het gaan doen van (in eerste instantie) vrijwilligerswerk door eisers aan het college kenbaar gemaakt en hiertegen zijn door het college geen bezwaren geuit.
Juridisch kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden de bijstandsuitkering van eisers over de periode van 7 maart 2023 tot en met 1 maart 2025 heeft ingetrokken en teruggevorderd.
6.1.
Het college heeft de uitkering ingetrokken, omdat eiser in ieder geval sinds 7 maart 2023 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Eisers hebben dit in strijd met de inlichtingenplicht niet bij het college gemeld.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Heeft eiser op geld waardeerbare werkzaamheden verricht?
8. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, Participatiewet voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokken persoon daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
Op grond van eveneens vaste rechtspraak van de CRvB veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Uit de waarnemingen blijkt dat eiser aanwezig was bij [garagebedrijf] tijdens reguliere arbeidsuren. De verklaringen van de wijkagent en de eigenaar van het naastgelegen bedrijf bevestigen dat. Dit veronderstelt, gelet op bovengenoemde jurisprudentie, dat eiser op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Anders dan eisers stellen heeft het college geen aanleiding hoeven zien om daarnaast dan nog navraag te doen bij werknemers en/of klanten van het garagebedrijf of personen in hun directe omgeving en onderzoek te doen naar hun rekeningafschriften.
Het is vervolgens aan eisers om het tegendeel aannemelijk te maken. Hierin zijn zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Aan de in beroep overgelegde verklaring van de eigenaar van het [garagebedrijf] kan niet de waarde worden gehecht die eisers wensen. Gelet op de verklaring van eisers ter zitting dat de eigenaar een goede vriend van hen is, alsmede gelet op de omstandigheid dat hij er belang bij kan hebben om te ontkennen dat sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden, is deze verklaring namelijk niet afkomstig van een objectieve bron.
De melding van eiser uit 2013, dat hij vrijwilligerswerk wilde gaan doen bij een autobedrijf in [plaats] , maakt niet dat tijdens de periode in geding sprake is geweest van vrijwilligerswerk c.q. dagbesteding. Eiser heeft namelijk vanaf januari 2014 herhaaldelijk aangegeven dat hij niet gestart is met het vrijwilligerswerk. Bovendien blijkt uit het dossier dat er vaak gesprekken met eisers zijn gevoerd over hoe het met hen gaat en dat zij daarbij nooit melding hebben gemaakt van een dagbesteding, maar juist hebben verklaard dat eiser vaak thuis is. De stelling van eisers dat sprake zou zijn van een door het college gesanctioneerde dagbesteding, volgt de rechtbank dan ook niet.
Ten slotte hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, met hun verwijzing naar eisers medische situatie en de omstandigheid dat het college hem (gedeeltelijk) heeft ontheven van arbeidsverplichtingen niet aannemelijk gemaakt dat eiser feitelijk niet in staat was om bij [garagebedrijf] op geld waardeerbare arbeid te verrichten. Deze omstandigheden wegen onvoldoende op tegen de onderzoeksbevindingen in samenhang bezien.
Is sprake van schending van de inlichtingenplicht?
10. Volgens vaste rechtspraak is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn en daarom gemeld dient te worden aan het bijstandsverlenend orgaan.
10.1.
Voor zover eisers stellen de inlichtingenplicht niet te hebben geschonden, omdat zij in 2013 hebben gemeld dat eiser vrijwilligerswerk wilde gaan doen, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank verwijst daartoe naar de overweging onder 9. over de gestelde dagbesteding.
Eisers waren op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet verplicht juiste en volledige informatie over eisers werkzaamheden te verstrekken, omdat dat gegeven voor de beoordeling van het recht op bijstand en de voortzetting daarvan een essentieel gegeven is. Door niet te melden bij het college dat eiser in ieder geval sinds 7 maart 2023 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, hebben zij dan ook de inlichtingenplicht geschonden.
Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat, als wel aan de inlichtingenplicht was voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Eisers hebben immers geen administratie van de werkzaamheden en verdiensten overgelegd. Als gevolg van de vaststelling dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden was het college vervolgens op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden de bijstandsuitkering van eisers in te trekken.
Is terecht overgegaan tot terugvordering?
11. Eisers hebben aangevoerd dat intrekking en terugvordering van de uitkering met terugwerkende kracht per 7 maart 2023 onevenredig is, omdat de zaak ruim twee jaar na de anonieme melding op de plank heeft gelegen. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van verjaring. Voor zover eisers hiermee een beroep hebben willen doen op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dit naar het oordeel van de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB stuit het beroep op het evenredigheidsbeginsel af op het gebonden karakter van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering en het feit dat die berusten op een wet in formele zin. Een tijdsverloop kan niet afdoen aan het verplichte karakter van een terugvordering.
12. Het college is in geval van schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet gehouden de te veel betaalde uitkering van eisers terug te vorderen. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet is het college bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Uit de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 volgt dat het begrip dringende redenen ruimer uitgelegd dient te worden dan voorheen. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Alle relevante feiten en omstandigheden zijn van belang. Belangrijke onderdelen die worden meegewogen zijn het eigen aandeel van het bestuursorgaan in de redenen voor terugvordering, het aandeel van de belanghebbende in de ontstane situatie, en de gevolgen die de terugvordering voor de belanghebbende hebben. De CRvB blijft als uitgangspunt hanteren dat in het algemeen de financiële gevolgen van de terugvordering zich pas voordoen bij de invordering of verrekening. Dan geldt de bescherming van de beslagvrije voet. In het algemeen leveren de financiële gevolgen geen dringende reden op om af te zien van terugvorderen.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.
Hoewel het tijdsverloop tussen de anonieme melding van 6 maart 2023 en de beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 maart 2025 aanzienlijk is, heeft het college in deze enkele omstandigheid geen aanleiding hoeven zien om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Uit het dossier blijkt dat de oorzaak van het tijdsverloop gelegen is in het feit dat het college de zaak op 17 juli 2023 heeft voorgelegd aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijke afdoening aan de orde is. Pas op 7 januari 2025 heeft het Openbaar Ministerie geadviseerd om het onderzoek bestuursrechtelijk voort te zetten. In de tussentijd heeft het college acht keer contact gehad met het Openbaar Ministerie. De oorzaak van de vertraging is dus vooral gelegen bij het Openbaar Ministerie en het college heeft in de tussentijd voldoende een vinger aan de pols gehouden. Ook was het college vanaf september 2024 al weer gestart met waarnemingen.
Tegenover dit tijdsverloop weegt substantieel in het nadeel van eisers mee dat de terugvordering is ontstaan doordat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden.
Daarnaast heeft het college in de medische klachten geen dringende redenen hoeven zien om af te zien van terugvordering. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens blijkt niet dat de medische klachten van eisers zijn veroorzaakt of verergerd door de terugvordering. De medische klachten zijn immers al geruime tijd aanwezig. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering heeft het college kunnen overwegen dat de regels over de beslagvrije voet eisers bescherming bieden. Eisers hebben verder geen documenten overgelegd betreffende de financiële gevolgen van de terugvordering.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten, waaronder de reiskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(…)
Artikel 54
(…)
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
(…)
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:327).
Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 31 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2384) en 29 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:871).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2364).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:578).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 april 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:522).
ECLI:NL:CRVB:2024:726.