Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6695

2026-07-21 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/11385
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/11385
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.432 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11385


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.494 (de naheffingsaanslag).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] . [inspecteur 2] .




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht, maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft ook recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mini Cooper met VIN [nummer] (de auto), en een bedrag van € 608 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 14.624. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.217 en daarvan € 8.295 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast is een aanvullend bedrag van € 2.047 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.



3.2.
De keuring door de RDW heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023.



3.3.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd met gebruikmaking van de forfaitaire afschrijvingstabel. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 184 g/km NEDC en een bruto Bpm van € 22.669.





Motivering



Taxatiemethode – essentiële gebreken

4. Belanghebbende betoogt dat de taxatiemethode kan worden toegepast. Volgens belanghebbende is geen sprake van essentiële gebreken en moet rekening worden gehouden met een waardevermindering wegens schade. Voor het geval dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b van de Wet Bpm en artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een beroep op eerder geldend begunstigend beleid.



4.1.
De inspecteur betoogt dat sprake was van essentiële gebreken aan het stuurwiel, de airbagunit, de voorruit, en de airbagunit in de stoel linksvoor, waardoor geen waardevermindering wegens schade in aanmerking kan worden genomen. Indien de essentiële gebreken reeds hersteld waren, geeft het taxatierapport niet de staat van de auto ten tijde van de keuring door de RDW weer.



4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De bewijslast rust aldus op belanghebbende.



4.3.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat de auto in de in het taxatierapport beschreven toestand, waarin melding wordt gemaakt van vervanging van het stuurwiel, de airbagunit in het stuurwiel, de voorruit en de airbagunit in de bestuurdersstoel, door de keuring bij de RDW zou komen. Dit betekent dat het taxatierapport niet de toestand van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit.



4.4.
Indien bovendien al zou gelden dat het voertuig nog niet was hersteld, geldt dat tot de in het taxatierapport in aanmerking genomen schade ook “schadeposten” zijn gerekend die in wezen essentiële gebreken vormen. Met een voertuig met dergelijke gebreken kan geen gebruik worden gemaakt van het verkeer op de openbare weg. Met dergelijke gebreken kan dus geen rekening worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde.



4.5.
In beide gevallen (de auto was hetzij hersteld dan wel had dusdanige gebreken, dat deelname aan het verkeer onmogelijk was) is sprake van een onjuiste aangifte. Het taxatierapport is niet bruikbaar omdat het niet de staat van de auto ten tijde van de aangifte weerspiegelt. Belanghebbende heeft hiermee de door haar opgevoerde schade niet aannemelijk gemaakt.



4.6.
Voor het geval dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b Wet Bpm en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit BPM 2021, Staatscourant 2021, nummer 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van de Inspecteur (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5).



4.7.
Artikel 10b, eerste lid, van de Wet Bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.



4.8.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet Bpm toepassing omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan daarom niet rechtsgeldig op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen. Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu hij geen begin van bewijs heeft geleverd dat soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd.



CO2-uitstoot




4.9.
Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot. De CO2-uitstoot was volgens belanghebbende 121 gr/km. De bruto Bpm zou dan € 5.274 bedragen.



4.10.
De inspecteur heeft ter zitting erkend te zijn uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot.



4.11.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 811.



Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn




4.12.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.



4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 28 juli 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond twaalf maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd.



5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.



5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 811;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Zie ook Gerechtshof Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:877 r.o. 5.3 tot en met 5.5.


Zie ook Gerechtshof Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:877 r.o. 5.6 tot en met 5.9.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.