Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6688
2026-07-21
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/5951 BBZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
afwijzing aanvraag verlenging Bbz-uitkering
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2026:720 Centrale Raad van Beroep 26-05-2026
- ECLI:NL:CRVB:2023:194 Centrale Raad van Beroep 24-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2014:2629 Centrale Raad van Beroep 05-08-2014
- ECLI:NL:CRVB:2018:4314 Centrale Raad van Beroep 18-12-2018
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.292 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5951 BBZ
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om verlenging van een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geweigerd de Bbz-uitkering van eisers te verlengen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor verlenging van een Bbz-uitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2025 (primair besluit) afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eisers. Het college is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
3. Eiser exploiteert sinds december 2023 een tweedehandshandel in bedden via internet.
3.1.
Eiser heeft in februari 2024 een Bbz-uitkering aangevraagd. Op verzoek van het college heeft [adviesbureau] naar aanleiding van deze aanvraag op 15 maart 2024 een adviesrapport uitgebracht waarin het adviseert om ze aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar was. Daarop heeft eiser laten weten zijn aanvraag in te trekken. Doordat eiser zijn bedrijf niet heeft beëindigd, werd eisers uitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 1 juni 2024 stopgezet en teruggevorderd.
3.2.
Op 15 juli 2024 heeft eiser opnieuw een melding ingediend en op 12 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een Bbz-uitkering in de vorm van inkomensondersteuning en een bedrijfskrediet.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) onderzoek gedaan naar de levensvatbaarheid van eisers bedrijf. IMK heeft in een rapport van 6 september 2024 geconcludeerd dat de onlinehandel in tweedehands bedden/meubels zoals die nu door eiser wordt uitgeoefend vooralsnog levensvatbaar is, omdat bij extrapolatie de realisatie van de taakstellende omzet op termijn mogelijk zou kunnen zijn.
Aan het college werd onder andere geadviseerd om een tijdelijke periodieke uitkering te verstrekken vooralsnog gedurende een periode van zes maanden en om, indien eiser na zes maanden verzoekt om verlenging van de uitkering, een verkort onderzoek uit te laten voeren waarbij de bedrijfsontwikkeling wordt beoordeeld. Uit dit en eventuele opvolgende onderzoeken moet blijken dat eiser minimaal het volgende groeiscenario realiseert:
Winst tweede helft 2024 minimaal € 1.250,- per maand.
Winst eerste helft 2025 minimaal € 1.500,- per maand.
Winst tweede helft 2025 minimaal € 1.750,- per maand.
Winst eerste helft 2026 minimaal € 2.000,- per maand.
IMK adviseerde het college om de aanvraag van eiser met betrekking tot een te verstrekken Bbz-krediet af te wijzen, omdat het inkomen van eiser vanuit de huidige bedrijfsactiviteiten met een tijdelijke inkomensondersteuning toereikend wordt geacht voor de voorzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan.
Aan eiser is onder andere geadviseerd om het plan voor het starten van een fysieke kringloopwinkel niet uit te voeren, een gestructureerd commercieel plan van aanpak op te stellen/uit te voeren en op zoek te gaan naar een part-timeloondienstverband mocht er sprake zijn van een tegenvallende omzetontwikkeling.
3.3.
Met het besluit van 11 september 2024 heeft het college bijstand voor levensonderhoud aan eisers toegekend op grond van het Bbz met ingang van 15 juli 2024 tot 15 januari 2025. De bijstand voor levensonderhoud wordt aan eisers toegekend gebaseerd op de norm voor gehuwden ter hoogte van € 1.869,21 netto per maand. Op deze bijstand wordt een bedrag van € 800,- in mindering gebracht vanwege te verwachten bedrijfsinkomsten. Het college heeft daarbij eisers aanvraag voor bedrijfskapitaal afgewezen. Het college is mede tot dit besluit gekomen op basis van voorgenoemd onderzoek door IMK.
Ter toelichting merkt het college daarbij op dat het verwacht dat eisers bedrijf binnen 12 tot 18 maanden aan mogelijke bijstandverlening voor levensonderhoud levensvatbaar zal zijn. Het college acht het door IMK opgestelde groeiscenario benodigd om deze verwachting te kunnen handhaven. Eiser dient derhalve over de tweede helft van 2024 een winst te hebben behaald van minimaal € 1.250,- per maand om bij een aanvraag om verlenging van levensonderhoud na deze zes maanden van toekenning de benodigde levensvatbaarheid te kunnen handhaven, die benodigd is om opnieuw Bbz levensonderhoud te kunnen verstrekken.
3.4.
Op 15 december 2024 heeft eiser een melding ingediend voor verlenging van zijn Bbz-uitkering. Eiser heeft verzocht om inkomensondersteuning voor 12 maanden vanaf 14 januari 2025. Ook heeft eiser verzocht om een bedrijfskrediet van € 45.000,- Op 4 februari 2025 hebben eisers daartoe een aanvraag ingediend.
3.5.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft IMK een verkort onderzoek naar de levensvatbaarheid van eisers bedrijf uitgevoerd. IMK heeft in een rapport van 4 maart 2025 geadviseerd om de Bbz-aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Onder andere de navolgende conclusies en bevindingen worden in het rapport van IMK vermeld:
Eiser heeft in de afgelopen zes maanden geen aandacht besteed aan de aanbevelingen uit de vorige rapportage.
Er worden geen positieve ontwikkeling met betrekking tot de ondernemerscapaciteiten van eiser gezien.
Ondanks meerdere verzoeken ontbreekt een doorstartplan/ondernemingsplan.
Zowel de omzet als het bedrijfsresultaat over de tweede helft van 2024 waren lager dan de omzet en het bedrijfsresultaat over de eerste helft van 2024. Er is dus sprake van een negatieve ontwikkeling.
Het bedrijfsresultaat over de tweede helft van 2024 was afgerond € 875,- per maand. Dit bedrag is substantieel lager dan het bedrag dat als minimum was gesteld om voor een verlenging van de uitkering in aanmerking te kunnen komen (€ 1.250,-per maand).
3.6.
Met het primaire besluit heeft het college eisers aanvraag van 4 februari 2025 voor verlenging van inkomensondersteuning en bedrijfskapitaal afgewezen onder verwijzing naar voorgenoemd kort onderzoek door IMK, omdat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.6.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De rechtsgrond hiertoe is gelegen in artikel 23, eerste lid, van het Bbz in samenhang met artikel 1, onder c, van het Bbz, omdat het bedrijf van eiser niet als levensvatbaar wordt aangemerkt.
Het eerdere rapport van IMK van september 2024 ging uit van een voorzichtige verwachting van levensvatbaarheid, onder de voorwaarde dat een stijgende lijn in de resultaten zichtbaar zou zijn. Daarbij werd vermeld dat eiser over de tweede helft van 2024 ten minste een winst van € 1.250,- per maand moest behalen. Uit de door eiser verstrekte cijfers blijkt dat hij in deze periode een winst behaald van € 1.038,-, met een omzetdaling van circa 9% ten opzichte van de eerste helft van 2024. Het latere rapport van IMK is gebaseerd op de feitelijke bedrijfsresultaten over de tweede helft van 2024, die aanzienlijk achterbleven bij de eerder gestelde winstprognose. Het college heeft overwogen dat het IMK daarom terecht heeft geconcludeerd dat van levensvatbaarheid geen sprake meer is.
Het college mag in beginsel afgaan op het oordeel van het IMK, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het rapport onzorgvuldig of feitelijk onjuist is. Dergelijke aanwijzingen zijn in dit geval niet gebleken. Het IMK-rapport van maart 2025 is voldoende inzichtelijk en logisch opgebouwd. Het bevat een analyse van de bedrijfsresultaten van eiser, vergelijkt deze met eerdere prognoses en verklaart waarom de winstontwikkeling achterblijft bij de verwachting. Eiser heeft geen nieuwe of objectieve gegevens overgelegd die dit rapport ontkrachten. Eiser heeft geen objectieve of bedrijfseconomische onderbouwing kunnen geven die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De feitelijke ontwikkeling van zijn bedrijfsresultaten bevestigt juist de bevindingen van het IMK.
Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij mocht vertrouwen op het positieve oordeel van het IMK van 6 september 2024. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In het besluit van 11 september 2024 is duidelijk vermeld dat de positieve beoordeling voorwaardelijk was en dat bij een nieuwe aanvraag opnieuw zou worden getoetst of het bedrijf nog steeds levensvatbaar was. Daarbij is ook aangegeven dat over de tweede helft van 2024 een minimale winst van € 1.250,- per maand moest worden behaald. Omdat deze resultaten niet zijn gerealiseerd, kon geen sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen dat de bijstandsverlening zou worden voortgezet.
Eiser heeft gesteld dat het besluit onevenredig zwaar is en dat het college had moeten volstaan met een hersteltermijn of een lichtere maatregel. Het college volgt dit standpunt niet. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid is geen beleidsruimte om af te wijken. Een belangenafweging over de mate van afwijzing is daarbij niet mogelijk. Er zijn verder geen aanwijzingen dat een extra termijn de uitkomst had veranderd. De persoonlijke situatie van eiser kan niet wegnemen dat zijn onderneming op dit moment onvoldoende inkomsten genereert om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien.
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat de levensvatbaarheid reeds blijkt uit het feit dat het bedrijf nog steeds in werking is. Daarnaast is er sprake van groei in meerdere opzichten en in het geval het niet mogelijk was om de levensvatbaarheid van het bedrijf te bewerkstelligen hadden eisers deze niet aangekaart. Eisers menen dan ook dat de onderliggende rapportage van het IMK onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd inzichtelijk heeft gemaakt waarbij een realistische omzet afgezet tegen de omstandigheden waarin eiser te werk gaat, zou beargumenteren dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Dit is maatwerk en ten onrechte is verwezen naar het IMK-rapport van 2025 zonder in voldoende mate te luisteren naar de contra argumenten die eisers naar voren hebben gebracht en het feit dat het bedrijf tot op de dag van vandaag werkzaam is.
Verder doen eisers een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de belangenafweging. Anders dan het college overweegt is er wel degelijk ruimte om te komen tot een afweging van de haalbaarheid van de aanvraag alvorens over te gaat tot afwijzing daarvan.
Daarnaast hebben eisers het financieel verslag over 2025 van eisers onderneming en de winst- en verliesrekening over het eerste kwartaal van 2026 overgelegd. Eisers menen dat daaruit blijkt dat sprake is van een ondeugdelijke en ongemotiveerd besluit. Enige opstartproblemen zijn te wijten aan onder meer transportproblemen. Ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van een niet levensvatbaar bedrijf. Eisers wijzen op het feit dat er sprake is van een procentuele stijging van de winst. Daarnaast had het college feitenonderzoek moeten doen. Er is sprake van een plicht en het college had niet onder
deze omstandigheden mogen uitgaan van de rapporten waarnaar is verwezen.
Verweerschrift
5. In reactie op de beroepsgronden en in aanvulling op het bestreden besluit heeft het college overwogen dat de levensvatbaarheid moet worden beoordeeld naar de situatie waarop het primaire besluit is genomen. Ten tijde van het primaire besluit was geen sprake van een positieve ontwikkeling, maar juist van achterblijvende resultaten. Eventuele latere ontwikkelingen of het feit dat het bedrijf nadoen is voortgezet kunnen daarom niet leiden tot een ander oordeel. De beroepsgrond dat het IMK-rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen, onvoldoende inzichtelijk is en niet deugdelijk gemotiveerd is, volgt het college niet. Dit rapport is gebaseerd op de door eiser aangeleverde financiële gegevens, bevat een analyse van de gerealiseerde omzet en winst, vergelijkt deze met eerdere prognoses en motiveert waarom de resultaten achterblijven bij de verwachting. Het college heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken bij de beoordeling. Deze omstandigheden waren echter niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. De feitelijke bedrijfsresultaten bevestigen juist de conclusie van het IMK. Eiser heeft ook geen objectieve financiële gegevens of een contra-expertise overgelegd die het IMK-advies weerleggen.
In een brief van 18 juni 2026 heeft het college ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel onderkend dat ook bij een gebonden bevoegdheid aanleiding kan bestaan om te beoordelen of de toepassing van een wettelijke norm in het concrete geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met die norm te dienen doelen. Echter, ook met inachtneming van dit toetsingskader is het college van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is. Erkend wordt dat de gevolgen van de afwijzing voor eisers ingrijpend zijn. Tegenover deze belangen staat echter het doel en de strekking van het Bbz. Deze regeling is bedoeld om zelfstandigen te ondersteunen wanneer sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Uit het IMK-advies volgt dat de onderneming van eiser niet als levensvatbaar kan worden aangemerkt. Gelet hierop wegen het doel en de strekking van het Bbz in dit geval zwaarder dan de door eisers aangevoerde persoonlijke en financiële belangen.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Is eiseres ontvankelijk in haar beroep?
7. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift en de gronden van bezwaar enkel eiser als bezwaarmaker wordt genoemd en niet eiseres. Eisers waren wel beiden aanwezig bij de hoorzitting in bezwaar en het beroep is mede namens eiseres ingediend.
Partijen hebben zich desgevraagd beiden op het standpunt gesteld dat beide eisers bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank kan de overweging van het college volgen dat moet worden aangenomen dat eisers beide bezwaar hebben gemaakt, gelet op het karakter van de Bbz-uitkering als gezinsbijstand, de inhoud en strekking van het bezwaar en de wijze waarop de procedure is gevoerd. Beide eisers zijn dan ook ontvankelijk in hun beroep.
Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?
8. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college op goede gronden de aanvraag van eiser om verlenging van een uitkering op grond van de Bbz heeft afgewezen, omdat zijn bedrijf niet levensvatbaar is.
De rechtbank merkt op dat eisers in beroep hebben aangegeven dat het beroep niet (langer) gericht is op (de afwijzing van) hun verzoek om bedrijfskrediet.
8.1.
Nu het hier gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op eisers. Op grond van het Bbz kan er recht bestaan op algemene bijstand en bijstand voor bedrijfskapitaal als een bedrijf levensvatbaar is. Het moet dan gaan om een naar verwachting toereikend inkomen, na bijstandsverlening, voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.
Een bijstandverlenend orgaan kan zich bij zijn besluitvorming inzake vragen over levensvatbaarheid van bedrijven baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van het advies van het IMK. IMK heeft de door eiser verstrekte (financiële) gegevens bij de rapportage betrokken en de rechtbank ziet geen aanwijzingen dat deze gegevens onvoldoende zijn betrokken bij de oordeelsvorming van het IMK. De conclusies van het IMK zijn voldoende onderbouwd. Het college heeft dit advies dan ook ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming.
Uit de eerdere IMK-rapportage van 6 september 2024 blijkt dat voor blijvende levensvatbaarheid, en dus voor verlenging van de uitkering, de winst over de tweede helft 2024 minimaal € 1.250,- per maand dient te bedragen (oftewel € 7.500,- in die periode van zes maanden). Uit de door eiser overgelegd winst- en verliesrekening blijkt dat de nettowinst over de tweede helft 2024 € 1.038,- bedraagt. Dit bedrag is dus aanzienlijk lager dan het door IMK vastgestelde groeiscenario om te spreken van een levensvatbaar bedrijf. Eisers hebben ook niet betwist dat uit de door hen aangeleverde gegevens blijkt dat dit minimum niet is behaald. In de IMK-rapportage wordt ook verder voldoende onderbouwd waarom eisers bedrijf niet levensvatbaar is.
Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf in weerwil van het IMK-advies wel levensvatbaar is. Met het college is de rechtbank van oordeel dat eisers geen objectieve financiële of bedrijfseconomische gegevens hebben overgelegd die reden vormen om te twijfelen aan de IMK-rapportage. Dat het bedrijf in december 2025 nog in werking was, wil niet zeggen dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in de Bbz. Bovendien is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag van belang. Om die reden kunnen het door eisers overgelegde financieel verslag 2025 en winst- en verliesrekening over het eerste kwartaal van 2026 ook niet afdoen aan het bestreden besluit. Overigens blijkt uit die stukken dat ook het bedrijfsresultaat over 2025 achterblijft bij het door IMK opgestelde groeiscenario, waarbij opvallend is dat volgens het financieel verslag 2025 het resultaat over het voorgaande jaar (dus gedurende het gehele jaar 2024) slechts € 519,- was .
Eisers hebben ter zitting betoogd dat er bijstand voor 12 of 18 maanden diende te worden verstrekt, omdat het college met het besluit van 11 september 2024 heeft overwogen dat verwacht wordt dat eisers bedrijf binnen 12 tot 18 maanden levensvatbaar zal zijn. Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het college mocht aan de hand van het door IMK opgestelde groeiscenario periodiek beoordelen of de daadwerkelijke resultaten overeen kwamen met de verwachtingen.
Slaagt het beroep van eisers op een belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel?
9. Uit de tekst van artikel 23, tweede lid, van de Bbz volgt dat de Bbz-uitkering wordt beëindigd zodra het bedrijf niet meer levensvatbaar is. Gelet op deze bewoordingen is sprake van een gebonden bevoegdheid. Aangezien het college gelet op het voorgaande terecht heeft geconcludeerd dat eisers bedrijf niet levensvatbaar was, had het college geen
ruimte om een belangenafweging te maken.
10. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat staat in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor een geslaagd beroep op het evenredigheidbeginsel moeten eisers aannemelijk maken dat voor hen een situatie is ontstaan, waarin het besluit niet meer evenredig is met het te dienen doel.
10.1.
In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat geen ruimte is om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, omdat geen sprake is van beleidsruimte. Aangezien de Bbz een Algemene Maatregel van Bestuur is, is er echter op grond van vaste rechtspraak wel ruimte om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft dit naar aanleiding van schriftelijke vragen door de rechtbank ook onderkend in de brief van 18 juni 2026.
De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat het college in beroep alsnog afdoende heeft gemotiveerd waarom het doel en de strekking van het Bbz in dit geval zwaarder wegen dan de door eisers aangevoerde persoonlijke en financiële belangen. Daarbij heeft het college eisers belangen kenbaar betrokken en meegewogen. Het college heeft doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het gegeven dat het Bbz bedoeld is ter ondersteuning van zelfstandigen wanneer sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Het college heeft onder verwijzing naar het advies van het IMK voldoende gemotiveerd overwogen dat eisers bedrijf niet als levensvatbaar kon worden aangemerkt. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond.
11.1.
Omdat er sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij een vergoeding voor hun proceskosten.
11.2.
Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 78f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (geldend op 9 oktober 2025)
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;
(…)
Artikel 2
1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is;
c. de zelfstandige geboren voor 1 januari 1960, wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen.
2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.
(…)
Artikel 23
1. Aan de persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt na de beëindiging van de uitkering uit hoofde van werkloosheid gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep.
2. Toekenning van algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd zodra het bedrijf of zelfstandig beroep niet meer levensvatbaar is.
3. Het college is bevoegd te onderzoeken of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is, indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat.
Zoals recent nog bevestigd door de CRvB op 26 mei 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:720).
Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 24 januari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:194), 5 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2629) en 18 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4314).
Bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5951 BBZ
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om verlenging van een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geweigerd de Bbz-uitkering van eisers te verlengen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor verlenging van een Bbz-uitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2025 (primair besluit) afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eisers. Het college is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
3. Eiser exploiteert sinds december 2023 een tweedehandshandel in bedden via internet.
3.1.
Eiser heeft in februari 2024 een Bbz-uitkering aangevraagd. Op verzoek van het college heeft [adviesbureau] naar aanleiding van deze aanvraag op 15 maart 2024 een adviesrapport uitgebracht waarin het adviseert om ze aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar was. Daarop heeft eiser laten weten zijn aanvraag in te trekken. Doordat eiser zijn bedrijf niet heeft beëindigd, werd eisers uitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 1 juni 2024 stopgezet en teruggevorderd.
3.2.
Op 15 juli 2024 heeft eiser opnieuw een melding ingediend en op 12 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een Bbz-uitkering in de vorm van inkomensondersteuning en een bedrijfskrediet.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) onderzoek gedaan naar de levensvatbaarheid van eisers bedrijf. IMK heeft in een rapport van 6 september 2024 geconcludeerd dat de onlinehandel in tweedehands bedden/meubels zoals die nu door eiser wordt uitgeoefend vooralsnog levensvatbaar is, omdat bij extrapolatie de realisatie van de taakstellende omzet op termijn mogelijk zou kunnen zijn.
Aan het college werd onder andere geadviseerd om een tijdelijke periodieke uitkering te verstrekken vooralsnog gedurende een periode van zes maanden en om, indien eiser na zes maanden verzoekt om verlenging van de uitkering, een verkort onderzoek uit te laten voeren waarbij de bedrijfsontwikkeling wordt beoordeeld. Uit dit en eventuele opvolgende onderzoeken moet blijken dat eiser minimaal het volgende groeiscenario realiseert:
Winst tweede helft 2024 minimaal € 1.250,- per maand.
Winst eerste helft 2025 minimaal € 1.500,- per maand.
Winst tweede helft 2025 minimaal € 1.750,- per maand.
Winst eerste helft 2026 minimaal € 2.000,- per maand.
IMK adviseerde het college om de aanvraag van eiser met betrekking tot een te verstrekken Bbz-krediet af te wijzen, omdat het inkomen van eiser vanuit de huidige bedrijfsactiviteiten met een tijdelijke inkomensondersteuning toereikend wordt geacht voor de voorzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan.
Aan eiser is onder andere geadviseerd om het plan voor het starten van een fysieke kringloopwinkel niet uit te voeren, een gestructureerd commercieel plan van aanpak op te stellen/uit te voeren en op zoek te gaan naar een part-timeloondienstverband mocht er sprake zijn van een tegenvallende omzetontwikkeling.
3.3.
Met het besluit van 11 september 2024 heeft het college bijstand voor levensonderhoud aan eisers toegekend op grond van het Bbz met ingang van 15 juli 2024 tot 15 januari 2025. De bijstand voor levensonderhoud wordt aan eisers toegekend gebaseerd op de norm voor gehuwden ter hoogte van € 1.869,21 netto per maand. Op deze bijstand wordt een bedrag van € 800,- in mindering gebracht vanwege te verwachten bedrijfsinkomsten. Het college heeft daarbij eisers aanvraag voor bedrijfskapitaal afgewezen. Het college is mede tot dit besluit gekomen op basis van voorgenoemd onderzoek door IMK.
Ter toelichting merkt het college daarbij op dat het verwacht dat eisers bedrijf binnen 12 tot 18 maanden aan mogelijke bijstandverlening voor levensonderhoud levensvatbaar zal zijn. Het college acht het door IMK opgestelde groeiscenario benodigd om deze verwachting te kunnen handhaven. Eiser dient derhalve over de tweede helft van 2024 een winst te hebben behaald van minimaal € 1.250,- per maand om bij een aanvraag om verlenging van levensonderhoud na deze zes maanden van toekenning de benodigde levensvatbaarheid te kunnen handhaven, die benodigd is om opnieuw Bbz levensonderhoud te kunnen verstrekken.
3.4.
Op 15 december 2024 heeft eiser een melding ingediend voor verlenging van zijn Bbz-uitkering. Eiser heeft verzocht om inkomensondersteuning voor 12 maanden vanaf 14 januari 2025. Ook heeft eiser verzocht om een bedrijfskrediet van € 45.000,- Op 4 februari 2025 hebben eisers daartoe een aanvraag ingediend.
3.5.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft IMK een verkort onderzoek naar de levensvatbaarheid van eisers bedrijf uitgevoerd. IMK heeft in een rapport van 4 maart 2025 geadviseerd om de Bbz-aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Onder andere de navolgende conclusies en bevindingen worden in het rapport van IMK vermeld:
Eiser heeft in de afgelopen zes maanden geen aandacht besteed aan de aanbevelingen uit de vorige rapportage.
Er worden geen positieve ontwikkeling met betrekking tot de ondernemerscapaciteiten van eiser gezien.
Ondanks meerdere verzoeken ontbreekt een doorstartplan/ondernemingsplan.
Zowel de omzet als het bedrijfsresultaat over de tweede helft van 2024 waren lager dan de omzet en het bedrijfsresultaat over de eerste helft van 2024. Er is dus sprake van een negatieve ontwikkeling.
Het bedrijfsresultaat over de tweede helft van 2024 was afgerond € 875,- per maand. Dit bedrag is substantieel lager dan het bedrag dat als minimum was gesteld om voor een verlenging van de uitkering in aanmerking te kunnen komen (€ 1.250,-per maand).
3.6.
Met het primaire besluit heeft het college eisers aanvraag van 4 februari 2025 voor verlenging van inkomensondersteuning en bedrijfskapitaal afgewezen onder verwijzing naar voorgenoemd kort onderzoek door IMK, omdat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.6.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De rechtsgrond hiertoe is gelegen in artikel 23, eerste lid, van het Bbz in samenhang met artikel 1, onder c, van het Bbz, omdat het bedrijf van eiser niet als levensvatbaar wordt aangemerkt.
Het eerdere rapport van IMK van september 2024 ging uit van een voorzichtige verwachting van levensvatbaarheid, onder de voorwaarde dat een stijgende lijn in de resultaten zichtbaar zou zijn. Daarbij werd vermeld dat eiser over de tweede helft van 2024 ten minste een winst van € 1.250,- per maand moest behalen. Uit de door eiser verstrekte cijfers blijkt dat hij in deze periode een winst behaald van € 1.038,-, met een omzetdaling van circa 9% ten opzichte van de eerste helft van 2024. Het latere rapport van IMK is gebaseerd op de feitelijke bedrijfsresultaten over de tweede helft van 2024, die aanzienlijk achterbleven bij de eerder gestelde winstprognose. Het college heeft overwogen dat het IMK daarom terecht heeft geconcludeerd dat van levensvatbaarheid geen sprake meer is.
Het college mag in beginsel afgaan op het oordeel van het IMK, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het rapport onzorgvuldig of feitelijk onjuist is. Dergelijke aanwijzingen zijn in dit geval niet gebleken. Het IMK-rapport van maart 2025 is voldoende inzichtelijk en logisch opgebouwd. Het bevat een analyse van de bedrijfsresultaten van eiser, vergelijkt deze met eerdere prognoses en verklaart waarom de winstontwikkeling achterblijft bij de verwachting. Eiser heeft geen nieuwe of objectieve gegevens overgelegd die dit rapport ontkrachten. Eiser heeft geen objectieve of bedrijfseconomische onderbouwing kunnen geven die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De feitelijke ontwikkeling van zijn bedrijfsresultaten bevestigt juist de bevindingen van het IMK.
Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij mocht vertrouwen op het positieve oordeel van het IMK van 6 september 2024. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. In het besluit van 11 september 2024 is duidelijk vermeld dat de positieve beoordeling voorwaardelijk was en dat bij een nieuwe aanvraag opnieuw zou worden getoetst of het bedrijf nog steeds levensvatbaar was. Daarbij is ook aangegeven dat over de tweede helft van 2024 een minimale winst van € 1.250,- per maand moest worden behaald. Omdat deze resultaten niet zijn gerealiseerd, kon geen sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen dat de bijstandsverlening zou worden voortgezet.
Eiser heeft gesteld dat het besluit onevenredig zwaar is en dat het college had moeten volstaan met een hersteltermijn of een lichtere maatregel. Het college volgt dit standpunt niet. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid is geen beleidsruimte om af te wijken. Een belangenafweging over de mate van afwijzing is daarbij niet mogelijk. Er zijn verder geen aanwijzingen dat een extra termijn de uitkomst had veranderd. De persoonlijke situatie van eiser kan niet wegnemen dat zijn onderneming op dit moment onvoldoende inkomsten genereert om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien.
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat de levensvatbaarheid reeds blijkt uit het feit dat het bedrijf nog steeds in werking is. Daarnaast is er sprake van groei in meerdere opzichten en in het geval het niet mogelijk was om de levensvatbaarheid van het bedrijf te bewerkstelligen hadden eisers deze niet aangekaart. Eisers menen dan ook dat de onderliggende rapportage van het IMK onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd inzichtelijk heeft gemaakt waarbij een realistische omzet afgezet tegen de omstandigheden waarin eiser te werk gaat, zou beargumenteren dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Dit is maatwerk en ten onrechte is verwezen naar het IMK-rapport van 2025 zonder in voldoende mate te luisteren naar de contra argumenten die eisers naar voren hebben gebracht en het feit dat het bedrijf tot op de dag van vandaag werkzaam is.
Verder doen eisers een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de belangenafweging. Anders dan het college overweegt is er wel degelijk ruimte om te komen tot een afweging van de haalbaarheid van de aanvraag alvorens over te gaat tot afwijzing daarvan.
Daarnaast hebben eisers het financieel verslag over 2025 van eisers onderneming en de winst- en verliesrekening over het eerste kwartaal van 2026 overgelegd. Eisers menen dat daaruit blijkt dat sprake is van een ondeugdelijke en ongemotiveerd besluit. Enige opstartproblemen zijn te wijten aan onder meer transportproblemen. Ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van een niet levensvatbaar bedrijf. Eisers wijzen op het feit dat er sprake is van een procentuele stijging van de winst. Daarnaast had het college feitenonderzoek moeten doen. Er is sprake van een plicht en het college had niet onder
deze omstandigheden mogen uitgaan van de rapporten waarnaar is verwezen.
Verweerschrift
5. In reactie op de beroepsgronden en in aanvulling op het bestreden besluit heeft het college overwogen dat de levensvatbaarheid moet worden beoordeeld naar de situatie waarop het primaire besluit is genomen. Ten tijde van het primaire besluit was geen sprake van een positieve ontwikkeling, maar juist van achterblijvende resultaten. Eventuele latere ontwikkelingen of het feit dat het bedrijf nadoen is voortgezet kunnen daarom niet leiden tot een ander oordeel. De beroepsgrond dat het IMK-rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen, onvoldoende inzichtelijk is en niet deugdelijk gemotiveerd is, volgt het college niet. Dit rapport is gebaseerd op de door eiser aangeleverde financiële gegevens, bevat een analyse van de gerealiseerde omzet en winst, vergelijkt deze met eerdere prognoses en motiveert waarom de resultaten achterblijven bij de verwachting. Het college heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken bij de beoordeling. Deze omstandigheden waren echter niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. De feitelijke bedrijfsresultaten bevestigen juist de conclusie van het IMK. Eiser heeft ook geen objectieve financiële gegevens of een contra-expertise overgelegd die het IMK-advies weerleggen.
In een brief van 18 juni 2026 heeft het college ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel onderkend dat ook bij een gebonden bevoegdheid aanleiding kan bestaan om te beoordelen of de toepassing van een wettelijke norm in het concrete geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met die norm te dienen doelen. Echter, ook met inachtneming van dit toetsingskader is het college van oordeel dat het bestreden besluit niet onevenredig is. Erkend wordt dat de gevolgen van de afwijzing voor eisers ingrijpend zijn. Tegenover deze belangen staat echter het doel en de strekking van het Bbz. Deze regeling is bedoeld om zelfstandigen te ondersteunen wanneer sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Uit het IMK-advies volgt dat de onderneming van eiser niet als levensvatbaar kan worden aangemerkt. Gelet hierop wegen het doel en de strekking van het Bbz in dit geval zwaarder dan de door eisers aangevoerde persoonlijke en financiële belangen.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Is eiseres ontvankelijk in haar beroep?
7. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift en de gronden van bezwaar enkel eiser als bezwaarmaker wordt genoemd en niet eiseres. Eisers waren wel beiden aanwezig bij de hoorzitting in bezwaar en het beroep is mede namens eiseres ingediend.
Partijen hebben zich desgevraagd beiden op het standpunt gesteld dat beide eisers bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank kan de overweging van het college volgen dat moet worden aangenomen dat eisers beide bezwaar hebben gemaakt, gelet op het karakter van de Bbz-uitkering als gezinsbijstand, de inhoud en strekking van het bezwaar en de wijze waarop de procedure is gevoerd. Beide eisers zijn dan ook ontvankelijk in hun beroep.
Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?
8. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college op goede gronden de aanvraag van eiser om verlenging van een uitkering op grond van de Bbz heeft afgewezen, omdat zijn bedrijf niet levensvatbaar is.
De rechtbank merkt op dat eisers in beroep hebben aangegeven dat het beroep niet (langer) gericht is op (de afwijzing van) hun verzoek om bedrijfskrediet.
8.1.
Nu het hier gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op eisers. Op grond van het Bbz kan er recht bestaan op algemene bijstand en bijstand voor bedrijfskapitaal als een bedrijf levensvatbaar is. Het moet dan gaan om een naar verwachting toereikend inkomen, na bijstandsverlening, voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, daaronder begrepen de lening op grond van het Bbz, dat voldoende middelen beschikbaar dienen te zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.
Een bijstandverlenend orgaan kan zich bij zijn besluitvorming inzake vragen over levensvatbaarheid van bedrijven baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als IMK. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van het advies van het IMK. IMK heeft de door eiser verstrekte (financiële) gegevens bij de rapportage betrokken en de rechtbank ziet geen aanwijzingen dat deze gegevens onvoldoende zijn betrokken bij de oordeelsvorming van het IMK. De conclusies van het IMK zijn voldoende onderbouwd. Het college heeft dit advies dan ook ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming.
Uit de eerdere IMK-rapportage van 6 september 2024 blijkt dat voor blijvende levensvatbaarheid, en dus voor verlenging van de uitkering, de winst over de tweede helft 2024 minimaal € 1.250,- per maand dient te bedragen (oftewel € 7.500,- in die periode van zes maanden). Uit de door eiser overgelegd winst- en verliesrekening blijkt dat de nettowinst over de tweede helft 2024 € 1.038,- bedraagt. Dit bedrag is dus aanzienlijk lager dan het door IMK vastgestelde groeiscenario om te spreken van een levensvatbaar bedrijf. Eisers hebben ook niet betwist dat uit de door hen aangeleverde gegevens blijkt dat dit minimum niet is behaald. In de IMK-rapportage wordt ook verder voldoende onderbouwd waarom eisers bedrijf niet levensvatbaar is.
Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf in weerwil van het IMK-advies wel levensvatbaar is. Met het college is de rechtbank van oordeel dat eisers geen objectieve financiële of bedrijfseconomische gegevens hebben overgelegd die reden vormen om te twijfelen aan de IMK-rapportage. Dat het bedrijf in december 2025 nog in werking was, wil niet zeggen dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf als bedoeld in de Bbz. Bovendien is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag van belang. Om die reden kunnen het door eisers overgelegde financieel verslag 2025 en winst- en verliesrekening over het eerste kwartaal van 2026 ook niet afdoen aan het bestreden besluit. Overigens blijkt uit die stukken dat ook het bedrijfsresultaat over 2025 achterblijft bij het door IMK opgestelde groeiscenario, waarbij opvallend is dat volgens het financieel verslag 2025 het resultaat over het voorgaande jaar (dus gedurende het gehele jaar 2024) slechts € 519,- was .
Eisers hebben ter zitting betoogd dat er bijstand voor 12 of 18 maanden diende te worden verstrekt, omdat het college met het besluit van 11 september 2024 heeft overwogen dat verwacht wordt dat eisers bedrijf binnen 12 tot 18 maanden levensvatbaar zal zijn. Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het college mocht aan de hand van het door IMK opgestelde groeiscenario periodiek beoordelen of de daadwerkelijke resultaten overeen kwamen met de verwachtingen.
Slaagt het beroep van eisers op een belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel?
9. Uit de tekst van artikel 23, tweede lid, van de Bbz volgt dat de Bbz-uitkering wordt beëindigd zodra het bedrijf niet meer levensvatbaar is. Gelet op deze bewoordingen is sprake van een gebonden bevoegdheid. Aangezien het college gelet op het voorgaande terecht heeft geconcludeerd dat eisers bedrijf niet levensvatbaar was, had het college geen
ruimte om een belangenafweging te maken.
10. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat staat in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor een geslaagd beroep op het evenredigheidbeginsel moeten eisers aannemelijk maken dat voor hen een situatie is ontstaan, waarin het besluit niet meer evenredig is met het te dienen doel.
10.1.
In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat geen ruimte is om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, omdat geen sprake is van beleidsruimte. Aangezien de Bbz een Algemene Maatregel van Bestuur is, is er echter op grond van vaste rechtspraak wel ruimte om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft dit naar aanleiding van schriftelijke vragen door de rechtbank ook onderkend in de brief van 18 juni 2026.
De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat het college in beroep alsnog afdoende heeft gemotiveerd waarom het doel en de strekking van het Bbz in dit geval zwaarder wegen dan de door eisers aangevoerde persoonlijke en financiële belangen. Daarbij heeft het college eisers belangen kenbaar betrokken en meegewogen. Het college heeft doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het gegeven dat het Bbz bedoeld is ter ondersteuning van zelfstandigen wanneer sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Het college heeft onder verwijzing naar het advies van het IMK voldoende gemotiveerd overwogen dat eisers bedrijf niet als levensvatbaar kon worden aangemerkt. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond.
11.1.
Omdat er sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij een vergoeding voor hun proceskosten.
11.2.
Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 78f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10 tot en met 10h, 11, 17, 31, 32, 34, 34a, 34b, 35, 40, 41, 43a, 44, 44a, 45, 58, 69, 77, 83 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (geldend op 9 oktober 2025)
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;
(…)
Artikel 2
1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is;
c. de zelfstandige geboren voor 1 januari 1960, wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen.
2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.
(…)
Artikel 23
1. Aan de persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt na de beëindiging van de uitkering uit hoofde van werkloosheid gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep.
2. Toekenning van algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd zodra het bedrijf of zelfstandig beroep niet meer levensvatbaar is.
3. Het college is bevoegd te onderzoeken of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is, indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat.
Zoals recent nog bevestigd door de CRvB op 26 mei 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:720).
Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 24 januari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:194), 5 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2629) en 18 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4314).
Bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190).