Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6687

2026-07-21 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/10378
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/10378
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM, ongegrond, vergoeding IMSV en PKV.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.449 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/10378


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 1.360 (de naheffingsaanslag).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] . [inspecteur 2] .




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten


3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC 250 4MATIC met VIN [nummer] (de auto), en een bedrag van € 6.901 aan Bpm voldaan.



3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 38.165. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.370 en daarvan € 6.746 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.



3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende tevens de inkoopfactuur overgelegd. De inkoopfactuur vermeldt een bedrag van € 33.264,56 exclusief omzetbelasting. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.



3.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. In het DRZ-rapport is daarover het volgende opgemerkt: “Alle opgegeven schadeposten zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruiksschade worden aangemerkt.” De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.261 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.




Motivering


4. Belanghebbende stelt dat door de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode de geregistreerde CO2 uitstoot hoger is dan het geval is bij de NEDC1 testmethode. Dit leidt tot een hogere heffing, waardoor sprake is van strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Verder betoogt belanghebbende dat ten onrecht niet of nauwelijks schade is gecalculeerd.




WLTP/NEDC2



4.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 geoordeeld dat hetgeen in rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest van 3 april 2020 is geoordeeld, geen betekenis heeft voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die van 27 juni 2017 tot en met 30 juni 2020 in artikel 9, leden 11 en 12, van de Wet Bpm was neergelegd (de transitieregeling). Voor die toetsing sluit het arrest van 3 april 2020 daarom niet uit dat personenauto’s, waarvan de verschillen in CO2-uitstoot worden verklaard door het gebruik van verschillende methoden van vaststelling ervan, als gelijksoortig worden beschouwd.



4.2.
Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat de CO2-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is.



4.3.

Tot slot heeft de Hoge Raad geoordeeld:

“5.9.2 Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.

De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”





4.4.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de datum van de eerste toelating van de auto in de periode tussen 1 september 2018 en 1 september 2019 ligt, namelijk op 25 februari 2019. Belanghebbende heeft een lijst met technische gegevens van de auto en een referentieauto aangeleverd. De datum van de eerste toelating van de referentieauto is 16 juli 2018. Daarmee voldoet de referentieauto niet aan de voorwaarde dat deze auto in dezelfde periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 in nieuwe staat is geregistreerd. Daarnaast is de typegoedkeuring niet in het overzicht opgenomen en is sprake van een afwijkende variantcode en milieuklasse. De referentieauto heeft tot slot een gecombineerde CO2-uitstoot van 159 g/km NEDC, terwijl de auto een gecombineerde CO2-uitstoot heeft van 173 g/km NEDC. Het voorgaande betekent dat er niet slechts een verschil in uitstoot is door een verschil in meetmethode. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat sprake is van gelijksoortige auto’s en dat daarmee deze beroepsgrond van belanghebbende niet slaagt.



Afschrijvingsmethode




4.5.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.



Schade




4.6.
Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem gestelde schade aan de auto. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.370 en daarvan € 6.746 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.



4.7.
De inspecteur betwist dat sprake is van schade aan de auto waarmee ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.



4.8.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.



4.9.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar het taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds ongeveer anderhalf jaar oud was en 10.479 kilometer had gereden. Dat betekent dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast.



Tussenconclusie




4.10.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.



Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn




4.11.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.



4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 22 december 2020 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 12 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 43 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 4.000. Van deze vergoeding komt € 2.604,65 (28/43 deel) voor rekening van de inspecteur. Het resterende bedrag van € 1.395,35 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.



5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur moet die kosten vergoeden.



5.2.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Op die datum was de redelijke termijn reeds verstreken. De inspecteur moet daarom ook het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.395,35;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.604,65;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.


Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561.


Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.


Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.