Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6669
2026-07-20
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/3167
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak. Het college heeft het gebrek niet hersteld. Omgevingsvergunning voor een bandenservicebedrijf.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.318 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3167
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. K.G.A.P. Boemaars),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.
Als derde-partijen hebben deelgenomen: [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) en [persoon] , uit [plaats] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan [bedrijf] voor het uitvoeren van een bandenservicebedrijf aan de [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om een in het besluit geconstateerd gebrek te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college het gebrek niet voldoende heeft hersteld. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 16 december 2024, verzonden op 19 december 2024 (primair besluit), heeft het college een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit van het uitvoeren van een bandenservicebedrijf verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens het college. Namens de derde-partijen zijn [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [persoon] verschenen.
2.3.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Is het gebrek hersteld?
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat uit artikel 1.101 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’ dat de nevenactiviteit moet worden uitgevoerd naast een agrarische hoofdactiviteit. Dit bestemmingsplan maakt tijdelijk deel uit van het ter plaatse geldende omgevingsplan van de gemeente Hulst. Uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt uitsluitend dat door [bedrijf] toestemming wordt gevraagd voor het vestigen van een bandenservicebedrijf. Nu uit de aanvraag niet blijkt van een agrarische hoofdactiviteit en het college dit ook niet inzichtelijk aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
4.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door [bedrijf] in de gelegenheid te stellen de aanvraag schriftelijk aan te vullen met een toelichting waaruit blijkt dat het ter plaatse gaat om een agrarische hoofdactiviteit en welke omvang en inhoud deze heeft. Het college kon vervolgens de aangevulde aanvraag beoordelen en hier een standpunt over innemen.
4.2.
Het college heeft op 31 maart 2026, verzonden op 1 april 2026, een aanvullende motivering gegeven. Het college heeft hiermee de omvang en inhoud van de agrarische hoofdactiviteit nader toegelicht. Ter onderbouwing heeft het college een kopie van de gegevens van [eenmanszaak] uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingediend. Daarnaast heeft het college de bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ingediende Gecombineerde Opgave 2024 en 2025 bijgevoegd. Tenslotte heeft het college een Rapportage Milieucontrole [eenmanszaak] overgelegd.
4.3.
Eisers hebben met een brief van 19 mei 2026 op de herstelpoging gereageerd. Eisers blijven bij het standpunt dat er geen agrarische activiteiten zijn. Zij wijzen onder meer op een recente foto waaruit volgens eisers volgt dat de ter plaatse aanwezige bedrijfsgebouwen te koop staan. Volgens eisers is er geen enkele agrarische binding met het bandenservicebedrijf [bedrijf] . Daarom is het volgens hen niet mogelijk om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de herstelpoging het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de tussenuitspraak is in de vergunningenprocedure niet van belang wat het (huidige) feitelijke gebruik inhoudt, maar wat is aangevraagd op basis waarvan de vergunning door het college is verleend. Het college heeft weliswaar gemotiveerd wat de omvang en inhoud van de hoofdactiviteit is – en eisers hebben dit betwist – maar daarmee blijkt uit de aanvraag nog steeds niet dat een bandenservicebedrijf is aangevraagd bij een agrarische hoofdactiviteit. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt niet dat de aanvraag door [bedrijf] na de tussenuitspraak schriftelijk is aangevuld met een toelichting waaruit blijkt dat het ter plaatse gaat om een bandenservicebedrijf bij een agrarische hoofdactiviteit. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank expliciet bepaald dat dit nodig was om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen, maar hieraan hebben het college en [bedrijf] geen uitvoering gegeven.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat in de tussenuitspraak het bestreden besluit als gebrekkig is beoordeeld en het college dit gebrek onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat daarvoor een nieuwe bestuurlijke afweging nodig is. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 20 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3167
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. K.G.A.P. Boemaars),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.
Als derde-partijen hebben deelgenomen: [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) en [persoon] , uit [plaats] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan [bedrijf] voor het uitvoeren van een bandenservicebedrijf aan de [adres] in [woonplaats] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om een in het besluit geconstateerd gebrek te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college het gebrek niet voldoende heeft hersteld. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 16 december 2024, verzonden op 19 december 2024 (primair besluit), heeft het college een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit van het uitvoeren van een bandenservicebedrijf verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens het college. Namens de derde-partijen zijn [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [persoon] verschenen.
2.3.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Is het gebrek hersteld?
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat uit artikel 1.101 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’ dat de nevenactiviteit moet worden uitgevoerd naast een agrarische hoofdactiviteit. Dit bestemmingsplan maakt tijdelijk deel uit van het ter plaatse geldende omgevingsplan van de gemeente Hulst. Uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt uitsluitend dat door [bedrijf] toestemming wordt gevraagd voor het vestigen van een bandenservicebedrijf. Nu uit de aanvraag niet blijkt van een agrarische hoofdactiviteit en het college dit ook niet inzichtelijk aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
4.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door [bedrijf] in de gelegenheid te stellen de aanvraag schriftelijk aan te vullen met een toelichting waaruit blijkt dat het ter plaatse gaat om een agrarische hoofdactiviteit en welke omvang en inhoud deze heeft. Het college kon vervolgens de aangevulde aanvraag beoordelen en hier een standpunt over innemen.
4.2.
Het college heeft op 31 maart 2026, verzonden op 1 april 2026, een aanvullende motivering gegeven. Het college heeft hiermee de omvang en inhoud van de agrarische hoofdactiviteit nader toegelicht. Ter onderbouwing heeft het college een kopie van de gegevens van [eenmanszaak] uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingediend. Daarnaast heeft het college de bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ingediende Gecombineerde Opgave 2024 en 2025 bijgevoegd. Tenslotte heeft het college een Rapportage Milieucontrole [eenmanszaak] overgelegd.
4.3.
Eisers hebben met een brief van 19 mei 2026 op de herstelpoging gereageerd. Eisers blijven bij het standpunt dat er geen agrarische activiteiten zijn. Zij wijzen onder meer op een recente foto waaruit volgens eisers volgt dat de ter plaatse aanwezige bedrijfsgebouwen te koop staan. Volgens eisers is er geen enkele agrarische binding met het bandenservicebedrijf [bedrijf] . Daarom is het volgens hen niet mogelijk om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de herstelpoging het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de tussenuitspraak is in de vergunningenprocedure niet van belang wat het (huidige) feitelijke gebruik inhoudt, maar wat is aangevraagd op basis waarvan de vergunning door het college is verleend. Het college heeft weliswaar gemotiveerd wat de omvang en inhoud van de hoofdactiviteit is – en eisers hebben dit betwist – maar daarmee blijkt uit de aanvraag nog steeds niet dat een bandenservicebedrijf is aangevraagd bij een agrarische hoofdactiviteit. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt niet dat de aanvraag door [bedrijf] na de tussenuitspraak schriftelijk is aangevuld met een toelichting waaruit blijkt dat het ter plaatse gaat om een bandenservicebedrijf bij een agrarische hoofdactiviteit. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank expliciet bepaald dat dit nodig was om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen, maar hieraan hebben het college en [bedrijf] geen uitvoering gegeven.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat in de tussenuitspraak het bestreden besluit als gebrekkig is beoordeeld en het college dit gebrek onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat daarvoor een nieuwe bestuurlijke afweging nodig is. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 20 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.