Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6639
2026-06-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448036 / JE RK 26-804
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoeken vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling contactregeling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.005 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448036 / JE RK 26-804
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral te Roosendaal,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 4 mei 2026;
de brieven van mr. Yeral van 19 mei 2026, en 8 juni 2026 met 2 bijlagen;
de aanbiedingsbrief van de GI van 4 juni 2026 met 5 bijlagen en haar brief van 9 juni 2026 met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
Op 20 mei 2025 heeft de GI in een brief aan de moeder het standpunt ingenomen dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat er niet meer kan worden gewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en diens machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 juli 2025 verlengd tot 15 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft het gerechtshof de beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2025 bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft.
2.5.
Op 4 mei 2026 heeft de GI bij deze rechtbank een verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar te verlengen. Dat verzoek wordt mondeling behandeld op 13 juli 2026. Bij brief van de Raad van 2 juni 2026 verklaart de Raad in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] na twee jaar te verlengen.
2.6.
Op 21 april 2026 heeft de GI op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek een beslissing genomen over contact tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Hierin is de volgende beslissing opgenomen:
Er vindt geen contact plaats tussen [minderjarige] en de moeder gedurende de therapie die [minderjarige] ontvangt bij [jeugdzorginstelling] . Elke drie maanden vindt er een evaluatie van de behandeling plaats. Tijdens deze evaluatie wordt er stilgestaan bij de mogelijkheden van [minderjarige] om het contact met de moeder te herstarten en welke vorm en frequentie daarbij passend is.
De omgangsregeling geldt voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten tot 14 juli 2026.
Na afloop van deze duur zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd.
Of wanneer uit evaluatie van [jeugdzorginstelling] blijkt dat het begeleid contact herstart kan worden.
De GI verwijst voor haar beslissing naar de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2026. Daarin wordt het volgende omschreven over de bezoeken:
“(…)Opbouw van de begeleide bezoeken is nu geen reële optie gezien de hevige (lichamelijke) reacties die [minderjarige] na het contact met de moeder laat zien. De wekelijkse contactmomenten zijn om die reden juist in frequentie teruggebracht naar één keer per twee weken. Door [jeugdzorginstelling] moet worden bezien of deze reactie van [minderjarige] verband houdt met een pre-verbaal trauma van [minderjarige] in de context van de opvoedsituatie.”
Uit het screeningsonderzoek vanuit [jeugdzorginstelling] is bevestigd dat er bij [minderjarige] sprake is van een overactief stress-systeem als gevolg van vroegkinderlijke chronische traumatisering. [minderjarige] laat kenmerken zien van ontwikkelingstrauma, dat wil zeggen dat de doorgemaakte stress en trauma-ervaringen impact hebben (gehad) op de verschillende ontwikkelingsdomeinen. De GI is van mening dat de omgang met de moeder, zowel vanuit hechting/interactie perspectief als vanuit traumaperspectief, op dit moment een belemmerende invloed zal hebben op zowel het effect van de behandeling vanuit [jeugdzorginstelling] als op de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] .
Namens de moeder wordt gesteld dat er geen objectief en causaal verband is vastgesteld tussen het contact met de moeder en de door de GI gestelde negatieve reacties van [minderjarige] . De GI is op haar beurt van mening dat er wel sprake is van een causaal verband die een tijdelijke stopzetting van het contact in het belang van [minderjarige] rechtvaardigen. De GI verwijst hiertoe naar het verslag van [jeugdzorginstelling] van maart 2026, waaruit blijkt dat omgang met de moeder voor nu betekent dat het brein van [minderjarige] onder stress komt te staan, doordat de moeder verbonden is aan het verleden en door contact traumalading getriggerd wordt.
Daarnaast wordt door de omgang met moeder een appél gedaan op oude interactiepatronen die voor [minderjarige] niet voldoende kalmerend en steunend zijn geweest en tevens de opbouwende hechtingsrelatie met [minderjarige] onder druk zetten.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt:
1. de schriftelijke aanwijzing van de GI van 21 april 2026 geheel vervallen te
verklaren;
2. een passende regeling vast te stellen, waarbij het contact tussen de moeder en
[minderjarige] op een veilige en verantwoorde wijze kan worden hervat, bijvoorbeeld in de
vorm van begeleide omgang, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de
rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht.
4De standpunten
4.1.
De moeder kan zich met de beslissing van de GI van 21 april 2026 niet verenigen en verzoekt deze aanwijzing vervallen te verklaren. Naar de mening van de moeder vormt die beslissing een te vergaande inbreuk op haar recht op contact met haar kind en daarmee op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM.
Een volledige ontzegging van omgang dient te berusten op zwaarwegende gronden en een deugdelijke, inzichtelijke motivering. Naar de mening van de moeder ontbreekt daarvoor een dergelijke onderbouwing.
De moeder voert daarbij aan dat geen sprake is van een objectief en causaal vastgesteld verband tussen het contact met haar en de door de GI gestelde negatieve reacties van [minderjarige] .
Naar de mening van de moeder kan het feit dat [minderjarige] spanningsklachten vertoont niet zonder meer worden toegeschreven aan het contact dat [minderjarige] heeft met haar. Andere mogelijke verklaringen voor zijn gedrag, zoals dat [minderjarige] zijn moeder mist, zijn in de visie van de moeder niet of onvoldoende onderzocht.
Daarnaast heeft de moeder reeds naar voren gebracht dat juist het behoud van de band en de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Naar de mening van de moeder kan het volledig ontbreken van het contact negatieve en mogelijk blijvende gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling en identiteitsvorming. Vanuit dat perspectief acht de moeder het in het belang van [minderjarige] dat de relatie met haar, in welke vorm dan ook, in stand blijft.
Ook heeft de moeder aangevoerd dat de maatregel disproportioneel is. Niet gebleken is dat de GI voorafgaand aan de beslissing serieus heeft onderzocht of minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. Zo is niet inzichtelijk gemaakt waarom vormen van begeleide omgang, omgang binnen een therapeutische setting, een gefaseerde opbouw van contactmomenten of het starten met videobelcontacten niet tot de mogelijkheden zouden behoren. Door zonder deze afweging over te gaan tot een volledige stopzetting van het contact, is naar de mening van de moeder gehandeld in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.
Volgens de moeder heeft zij zich bereid verklaard om constructief mee te werken aan iedere vorm van omgang die in het belang van de minderjarige wordt geacht, mits het contact niet volledig wordt stopgezet, maar gaat de GI daarin ten onrechte niet mee.
Hoewel de GI haar beslissing mede baseert op bevindingen van [jeugdzorginstelling] over traumatisering en hechtingsproblematiek, is de moeder van mening dat deze bevindingen onvoldoende rechtvaardigen dat ieder contact met haar per definitie schadelijk zou zijn. Naar de mening van de moeder vereist een dergelijke conclusie een concrete en op de individuele situatie toegespitste beoordeling, waarbij ook de mogelijkheden tot veilig en begeleid contact worden betrokken.
De moeder heeft ook onvoldoende vertrouwen dat een driemaandelijkse evaluatie een positieve verandering zal brengen in de situatie. Een termijn van om de drie maanden vindt de moeder, gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] , bovendien te lang.
Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, proportionaliteit en subsidiariteit en daarom niet in stand kan blijven.
4.2.
De GI heeft ter zitting gepersisteerd bij de door haar gegeven schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026. De GI acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat eerst succesvol gewerkt wordt aan het pre-verbaal trauma van [minderjarige] , voordat de moeder opnieuw bij [minderjarige] zal worden geïntroduceerd. Om beter te kunnen bezien wat daarvoor het juiste moment zal zijn, gaat gestart worden met “Floor Play”. Bekeken wordt dan of [minderjarige] interventies passief ondergaat of dat hij zelf wil bepalen en dus steeds meer zal accepteren wanneer een ander persoon de regie zal nemen. Een eerste evaluatiemoment zal plaatsvinden in augustus 2026.
4.3.
De Raad heeft verklaard te begrijpen dat de situatie pijnlijk is voor de moeder, maar dat hij de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing begrijpelijk en voldoende onderbouwd acht.
Naar de mening van de Raad staat voldoende vast dat [minderjarige] te kampen heeft met een vroegkinderlijk trauma, ontstaan in de periode dat de moeder nog de verzorging en opvoeding over hem droeg, en laten zijn reacties zien dat er voor enig contact tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment (nog) geen ruimte is.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:265f, eerste lid BW kan voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel geldt een dergelijke beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW. Artikel 1:264 BW en artikel 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.2.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter kan voorts, op grond van het tweede lid van artikel 265f BW, een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Ingevolge artikel 1:264, derde lid, BW bedraagt de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken en deze vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
De rechtbank stelt vast dat de moeder haar verzoek tijdig heeft ingediend, zodat zij daarin kan worden ontvangen.
5.3.
Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid. Niet in het geding is dat aan de moeder op 9 april 2025 een vooraankondiging is verstuurd. Op 13 april 2026 heeft de advocaat van de moeder hierop een reactie gegeven. Vervolgens heeft de GI in de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 het standpunt van de moeder opgenomen. Hieruit blijkt duidelijk dat de moeder het niet eens is met de algehele stopzetting van de bezoeken tussen haar en [minderjarige] .
Naar het oordeel van de kinderrechter is er door de GI in de schriftelijke aanwijzing in voldoende mate gereageerd op hetgeen door de moeder is aangevoerd. Het besluit is naar het oordeel van de kinderrechter dan ook voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter stelt voorop dat duidelijk is dat de moeder veel om [minderjarige] geeft. De kinderrechter is ook van oordeel dat contact tussen de moeder en [minderjarige] zeer belangrijk is. Dit neemt niet weg dat hem gebleken is dat de door de GI geformuleerde schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling dient en in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Zo blijkt uit het door de GI overgelegde “Verslag Screeningsonderzoek integratieve Behandeling maart 2026” dat bij [minderjarige] sprake is van een overactief stress-systeem als gevolg van vroegkinderlijke chronische traumatisering.
[minderjarige] laat kenmerken zien van ontwikkelingstrauma. De doorgemaakte stress en trauma-ervaringen hebben impact (gehad) op zijn verschillende ontwikkelingsdomeinen.
5.5.
Naar de mening van de GI zal de omgang met de moeder, zowel vanuit hechting/interactie perspectief als vanuit traumaperspectief, op dit moment een belemmerende invloed hebben op zowel het effect van de behandeling van [jeugdzorginstelling] als op de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] . Omgang met de moeder betekent voor dit moment dat het brein van [minderjarige] onder stress zal komen te staan, doordat de moeder verbonden is aan zijn verleden en traumalading dan weer getriggerd wordt.
Deze conclusies van de GI worden ten volle ondersteund door de Raad.
Gebleken is ook dat [minderjarige] na de bezoeken van de moeder onrustig op reageerde, veel huilde, moeilijk in slaap viel en zich ging overstrekken. De GI heeft dat zo van pleegouders vernomen.
Gegeven deze feiten en omstandigheden waar de kinderrechter niet aan twijfelt, is de kinderrechter van oordeel dat er op dit moment geen contact tussen de moeder en [minderjarige] kan plaatsvinden; eerst moet [minderjarige] de ruimte worden gegeven voor therapie/behandeling in verband met zijn pre-verbaal trauma. Op een andere manier omgang zoals door de moeder betoogd, zal tot dezelfde negatieve gevolgen lijden en wordt daarom evenmin een optie geacht. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat eerst moet worden geïnvesteerd in de behandeling van [minderjarige] en het creëren van de voorwaarden die nodig zijn voor zijn emotionele en ontwikkelingsgerichte herstel.
5.6.
Het voorgaande brengt met zich dat de kinderrechter van oordeel is dat de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 terecht en op goede gronden is gegeven. De kinderrechter gaat er van uit dat de GI, zoals toegezegd, de situatie elke drie maanden zal gaan evalueren en dat, zodra zij op enigerlei wijze mogelijkheden ziet voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , daarop zal inzetten. Dit alles maakt dat de aanwijzing voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De verzoeken van de moeder zullen daarom worden afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 vervallen te verklaren af;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448036 / JE RK 26-804
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral te Roosendaal,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 4 mei 2026;
de brieven van mr. Yeral van 19 mei 2026, en 8 juni 2026 met 2 bijlagen;
de aanbiedingsbrief van de GI van 4 juni 2026 met 5 bijlagen en haar brief van 9 juni 2026 met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
Op 20 mei 2025 heeft de GI in een brief aan de moeder het standpunt ingenomen dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat er niet meer kan worden gewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en diens machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 juli 2025 verlengd tot 15 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft het gerechtshof de beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2025 bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft.
2.5.
Op 4 mei 2026 heeft de GI bij deze rechtbank een verzoek ingediend om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar te verlengen. Dat verzoek wordt mondeling behandeld op 13 juli 2026. Bij brief van de Raad van 2 juni 2026 verklaart de Raad in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] na twee jaar te verlengen.
2.6.
Op 21 april 2026 heeft de GI op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek een beslissing genomen over contact tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Hierin is de volgende beslissing opgenomen:
Er vindt geen contact plaats tussen [minderjarige] en de moeder gedurende de therapie die [minderjarige] ontvangt bij [jeugdzorginstelling] . Elke drie maanden vindt er een evaluatie van de behandeling plaats. Tijdens deze evaluatie wordt er stilgestaan bij de mogelijkheden van [minderjarige] om het contact met de moeder te herstarten en welke vorm en frequentie daarbij passend is.
De omgangsregeling geldt voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten tot 14 juli 2026.
Na afloop van deze duur zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd.
Of wanneer uit evaluatie van [jeugdzorginstelling] blijkt dat het begeleid contact herstart kan worden.
De GI verwijst voor haar beslissing naar de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2026. Daarin wordt het volgende omschreven over de bezoeken:
“(…)Opbouw van de begeleide bezoeken is nu geen reële optie gezien de hevige (lichamelijke) reacties die [minderjarige] na het contact met de moeder laat zien. De wekelijkse contactmomenten zijn om die reden juist in frequentie teruggebracht naar één keer per twee weken. Door [jeugdzorginstelling] moet worden bezien of deze reactie van [minderjarige] verband houdt met een pre-verbaal trauma van [minderjarige] in de context van de opvoedsituatie.”
Uit het screeningsonderzoek vanuit [jeugdzorginstelling] is bevestigd dat er bij [minderjarige] sprake is van een overactief stress-systeem als gevolg van vroegkinderlijke chronische traumatisering. [minderjarige] laat kenmerken zien van ontwikkelingstrauma, dat wil zeggen dat de doorgemaakte stress en trauma-ervaringen impact hebben (gehad) op de verschillende ontwikkelingsdomeinen. De GI is van mening dat de omgang met de moeder, zowel vanuit hechting/interactie perspectief als vanuit traumaperspectief, op dit moment een belemmerende invloed zal hebben op zowel het effect van de behandeling vanuit [jeugdzorginstelling] als op de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] .
Namens de moeder wordt gesteld dat er geen objectief en causaal verband is vastgesteld tussen het contact met de moeder en de door de GI gestelde negatieve reacties van [minderjarige] . De GI is op haar beurt van mening dat er wel sprake is van een causaal verband die een tijdelijke stopzetting van het contact in het belang van [minderjarige] rechtvaardigen. De GI verwijst hiertoe naar het verslag van [jeugdzorginstelling] van maart 2026, waaruit blijkt dat omgang met de moeder voor nu betekent dat het brein van [minderjarige] onder stress komt te staan, doordat de moeder verbonden is aan het verleden en door contact traumalading getriggerd wordt.
Daarnaast wordt door de omgang met moeder een appél gedaan op oude interactiepatronen die voor [minderjarige] niet voldoende kalmerend en steunend zijn geweest en tevens de opbouwende hechtingsrelatie met [minderjarige] onder druk zetten.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt:
1. de schriftelijke aanwijzing van de GI van 21 april 2026 geheel vervallen te
verklaren;
2. een passende regeling vast te stellen, waarbij het contact tussen de moeder en
[minderjarige] op een veilige en verantwoorde wijze kan worden hervat, bijvoorbeeld in de
vorm van begeleide omgang, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de
rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht.
4De standpunten
4.1.
De moeder kan zich met de beslissing van de GI van 21 april 2026 niet verenigen en verzoekt deze aanwijzing vervallen te verklaren. Naar de mening van de moeder vormt die beslissing een te vergaande inbreuk op haar recht op contact met haar kind en daarmee op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM.
Een volledige ontzegging van omgang dient te berusten op zwaarwegende gronden en een deugdelijke, inzichtelijke motivering. Naar de mening van de moeder ontbreekt daarvoor een dergelijke onderbouwing.
De moeder voert daarbij aan dat geen sprake is van een objectief en causaal vastgesteld verband tussen het contact met haar en de door de GI gestelde negatieve reacties van [minderjarige] .
Naar de mening van de moeder kan het feit dat [minderjarige] spanningsklachten vertoont niet zonder meer worden toegeschreven aan het contact dat [minderjarige] heeft met haar. Andere mogelijke verklaringen voor zijn gedrag, zoals dat [minderjarige] zijn moeder mist, zijn in de visie van de moeder niet of onvoldoende onderzocht.
Daarnaast heeft de moeder reeds naar voren gebracht dat juist het behoud van de band en de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Naar de mening van de moeder kan het volledig ontbreken van het contact negatieve en mogelijk blijvende gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling en identiteitsvorming. Vanuit dat perspectief acht de moeder het in het belang van [minderjarige] dat de relatie met haar, in welke vorm dan ook, in stand blijft.
Ook heeft de moeder aangevoerd dat de maatregel disproportioneel is. Niet gebleken is dat de GI voorafgaand aan de beslissing serieus heeft onderzocht of minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. Zo is niet inzichtelijk gemaakt waarom vormen van begeleide omgang, omgang binnen een therapeutische setting, een gefaseerde opbouw van contactmomenten of het starten met videobelcontacten niet tot de mogelijkheden zouden behoren. Door zonder deze afweging over te gaan tot een volledige stopzetting van het contact, is naar de mening van de moeder gehandeld in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.
Volgens de moeder heeft zij zich bereid verklaard om constructief mee te werken aan iedere vorm van omgang die in het belang van de minderjarige wordt geacht, mits het contact niet volledig wordt stopgezet, maar gaat de GI daarin ten onrechte niet mee.
Hoewel de GI haar beslissing mede baseert op bevindingen van [jeugdzorginstelling] over traumatisering en hechtingsproblematiek, is de moeder van mening dat deze bevindingen onvoldoende rechtvaardigen dat ieder contact met haar per definitie schadelijk zou zijn. Naar de mening van de moeder vereist een dergelijke conclusie een concrete en op de individuele situatie toegespitste beoordeling, waarbij ook de mogelijkheden tot veilig en begeleid contact worden betrokken.
De moeder heeft ook onvoldoende vertrouwen dat een driemaandelijkse evaluatie een positieve verandering zal brengen in de situatie. Een termijn van om de drie maanden vindt de moeder, gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] , bovendien te lang.
Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, proportionaliteit en subsidiariteit en daarom niet in stand kan blijven.
4.2.
De GI heeft ter zitting gepersisteerd bij de door haar gegeven schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026. De GI acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat eerst succesvol gewerkt wordt aan het pre-verbaal trauma van [minderjarige] , voordat de moeder opnieuw bij [minderjarige] zal worden geïntroduceerd. Om beter te kunnen bezien wat daarvoor het juiste moment zal zijn, gaat gestart worden met “Floor Play”. Bekeken wordt dan of [minderjarige] interventies passief ondergaat of dat hij zelf wil bepalen en dus steeds meer zal accepteren wanneer een ander persoon de regie zal nemen. Een eerste evaluatiemoment zal plaatsvinden in augustus 2026.
4.3.
De Raad heeft verklaard te begrijpen dat de situatie pijnlijk is voor de moeder, maar dat hij de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing begrijpelijk en voldoende onderbouwd acht.
Naar de mening van de Raad staat voldoende vast dat [minderjarige] te kampen heeft met een vroegkinderlijk trauma, ontstaan in de periode dat de moeder nog de verzorging en opvoeding over hem droeg, en laten zijn reacties zien dat er voor enig contact tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment (nog) geen ruimte is.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:265f, eerste lid BW kan voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel geldt een dergelijke beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW. Artikel 1:264 BW en artikel 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.2.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter kan voorts, op grond van het tweede lid van artikel 265f BW, een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Ingevolge artikel 1:264, derde lid, BW bedraagt de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken en deze vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
De rechtbank stelt vast dat de moeder haar verzoek tijdig heeft ingediend, zodat zij daarin kan worden ontvangen.
5.3.
Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid. Niet in het geding is dat aan de moeder op 9 april 2025 een vooraankondiging is verstuurd. Op 13 april 2026 heeft de advocaat van de moeder hierop een reactie gegeven. Vervolgens heeft de GI in de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 het standpunt van de moeder opgenomen. Hieruit blijkt duidelijk dat de moeder het niet eens is met de algehele stopzetting van de bezoeken tussen haar en [minderjarige] .
Naar het oordeel van de kinderrechter is er door de GI in de schriftelijke aanwijzing in voldoende mate gereageerd op hetgeen door de moeder is aangevoerd. Het besluit is naar het oordeel van de kinderrechter dan ook voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter stelt voorop dat duidelijk is dat de moeder veel om [minderjarige] geeft. De kinderrechter is ook van oordeel dat contact tussen de moeder en [minderjarige] zeer belangrijk is. Dit neemt niet weg dat hem gebleken is dat de door de GI geformuleerde schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling dient en in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Zo blijkt uit het door de GI overgelegde “Verslag Screeningsonderzoek integratieve Behandeling maart 2026” dat bij [minderjarige] sprake is van een overactief stress-systeem als gevolg van vroegkinderlijke chronische traumatisering.
[minderjarige] laat kenmerken zien van ontwikkelingstrauma. De doorgemaakte stress en trauma-ervaringen hebben impact (gehad) op zijn verschillende ontwikkelingsdomeinen.
5.5.
Naar de mening van de GI zal de omgang met de moeder, zowel vanuit hechting/interactie perspectief als vanuit traumaperspectief, op dit moment een belemmerende invloed hebben op zowel het effect van de behandeling van [jeugdzorginstelling] als op de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] . Omgang met de moeder betekent voor dit moment dat het brein van [minderjarige] onder stress zal komen te staan, doordat de moeder verbonden is aan zijn verleden en traumalading dan weer getriggerd wordt.
Deze conclusies van de GI worden ten volle ondersteund door de Raad.
Gebleken is ook dat [minderjarige] na de bezoeken van de moeder onrustig op reageerde, veel huilde, moeilijk in slaap viel en zich ging overstrekken. De GI heeft dat zo van pleegouders vernomen.
Gegeven deze feiten en omstandigheden waar de kinderrechter niet aan twijfelt, is de kinderrechter van oordeel dat er op dit moment geen contact tussen de moeder en [minderjarige] kan plaatsvinden; eerst moet [minderjarige] de ruimte worden gegeven voor therapie/behandeling in verband met zijn pre-verbaal trauma. Op een andere manier omgang zoals door de moeder betoogd, zal tot dezelfde negatieve gevolgen lijden en wordt daarom evenmin een optie geacht. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat eerst moet worden geïnvesteerd in de behandeling van [minderjarige] en het creëren van de voorwaarden die nodig zijn voor zijn emotionele en ontwikkelingsgerichte herstel.
5.6.
Het voorgaande brengt met zich dat de kinderrechter van oordeel is dat de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 terecht en op goede gronden is gegeven. De kinderrechter gaat er van uit dat de GI, zoals toegezegd, de situatie elke drie maanden zal gaan evalueren en dat, zodra zij op enigerlei wijze mogelijkheden ziet voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , daarop zal inzetten. Dit alles maakt dat de aanwijzing voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De verzoeken van de moeder zullen daarom worden afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 21 april 2026 vervallen te verklaren af;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).