Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6624

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/437861 / FA RK 25-3712 (echtscheiding) en C/02/442237 FA RK 25-
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/437861 / FA RK 25-3712 (echtscheiding) en C/02/442237 FA RK 25-
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding, kinder- en partneralimentatie en verdeling huwelijksgoederengemeenschap, huwelijk in Algerije gesloten, Nederlands recht van toepassing op de verdeling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.109 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/437861 / FA RK 25-3712 (echtscheiding) en C/02/442237 FA RK 25-6040 (verdeling)



Datum uitspraak: 18 juni 2026




Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen




in de zaak van





[de man]
,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen,



en





[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. Y.I.B. Grosfeld uit Breda.





1Het verloop van de procedure


1.1
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2025;


het verweerschrift van de vrouw met bijlagen, met daarin zelfstandige verzoeken, ontvangen op 20 oktober 2025;


het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de man, met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025;


de F9-formulieren van [persoon] van 5 augustus 2025, met bijlage, 21 mei 2026, met bijlage en 26 mei 2026, met bijlage;


de brief van [persoon] van 8 april 2026, met bijlage;


de brief van mr. Grosfeld van 24 mei 2025, met bijlagen;


de aanvullende bijlage van mr. Grosfeld op 4 juni 2026 ingediend;


de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 22 oktober 2025.





1.2
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaten.



1.3
Op 11 juni 2026 hebben zowel [persoon] als mr. Grosfeld een F9-formulier aan de rechtbank toegestuurd. Bij het F9-formulier van [persoon] is als bijlage een overzicht van de transitievergoeding van de man overgelegd. Deze F9-formulieren, met bijlage, zijn eveneens betrokken bij de beoordeling van de verzoeken.


1.4
De rechtbank heeft na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft laten weten niet op gesprek te willen komen, maar wel aan de rechter te willen meegeven dat zij het goed vindt zoals het is en niks zou willen veranderen. [minderjarige 1] heeft een brief gestuurd aan de rechter en vervolgens op 2 juni 2026 een gesprek gevoerd met de rechter.





2De feiten


2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2004 in Ghardaia (Algerije).



2.2
Partijen hebben, in ieder geval, de Nederlandse nationaliteit.



2.3
De minderjarige kinderen van partijen zijn:



[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).


Daarnaast zijn partijen ouders van het volgende jongmeerderjarige kind: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2005 in [geboorteplaats] .



2.4
In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure in de beschikking van 22 oktober 2025 beslist dat:
- [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de man en [minderjarige 2] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- de man aan de vrouw een bijdrage moet voldoen ten behoeve van [minderjarige 2] van € 288,= per maand;
- de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud moet voldoen van € 147,= per maand.





3De verzoeken


3.1
De man verzoekt:
- echtscheiding
- bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw en [minderjarige 1] bij de man, waarbij vervangende toestemming wordt verleend op grond waarvan de man de kinderbijslag voor [minderjarige 1] van het SVB kan ontvangen;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) voor [minderjarige 2] , waarbij zij 50/50 bij partijen zal verblijven met het wisselmoment op zondag, alsmede een 50/50 verdeling van de overige dagen zoals vakanties en bijzondere dagen, in onderling overleg vast te leggen voorafgaande aan het jaar waarin de omgang zal plaatsvinden;
- vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 1] waarbij hij zelf aangeeft op welke dagen van de week hij bij de vrouw wenst te verblijven, ook wat betreft de feestdagen, vakanties en overige bijzondere dagen;
- vaststelling van een door hem aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 93,= per maand, met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- bepaling dat de man gerechtigd is de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats] , over te nemen, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening, voor een bedrag van € 70.000,=, uiterlijk te voldoen drie maanden na de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon voor zover niet alle gezamenlijke goederen al zouden zijn verdeeld.



3.2
De vrouw verzoekt:
- echtscheiding;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 274,= per maand;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage ten behoeve van haar levensonderhoud van € 297,= per maand;
- de omvang en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, dan wel de verdeling te gelasten op de wijze zoals is verzocht onder punt 7 en 9 tot en met 14 van haar verweerschrift;
- de verdeling van de echtelijke woning (zoals omschreven onder punt 8 van haar verweerschrift) te gelasten, inhoudende te bepalen:

a) dat de man, binnen een week na deze beschikking, akkoord moet gaan met taxatie van de woning door een door partijen in onderling overleg te benoemen NVM makelaar, die wordt belast met de taxatie van de woning per peildatum, binnen een termijn van een maand na deze beschikking;
b) dat de vrouw en de man gezamenlijk aanwezig zullen zijn bij de taxatie door de aangewezen makelaar;
c) dat de man 4 weken nadat het taxatierapport is opgemaakt, de gelegenheid krijgt om de vrouw schriftelijk te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de door de makelaar vastgestelde taxatiewaarde, waarbij de man de helft van de netto overwaarde bij de notariële overdracht aan de vrouw voldoet;
d) dat, indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden, de levering van de woning aan de man moet plaatsvinden binnen een maand nadat de man de vrouw binnen de onder c) gestelde termijn schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen en de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek;
e) dat de kosten van het notariële transport voor rekening komen van de man;
f) dat, indien de man er niet in slaagt de woning onder de hiervoor genoemde voorwaarden en termijnen over te nemen, de woning vervolgens te koop zal worden aangeboden bij de makelaar die de woning heeft getaxeerd;
g) dat indien de man en de vrouw niet binnen 2 weken na de opdrachtverlening aan die makelaar erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een bindende marktconforme vraagprijs zal vaststellen;
h) dat de man en de vrouw in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens de man en de vrouw, gelet op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is;
i) dat in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, de makelaar dit bindend zal kunnen bepalen;
j) dat indien de verkoopprijs bindend is vastgesteld de man en de vrouw verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering, waarbij de levering niet later plaatsvindt dan zes maanden na ondertekening van de verkoopovereenkomst, tenzij de man en de vrouw hier uitdrukkelijk samen overeenstemming over bereiken;
k) dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld;
l) dat de man en de vrouw ieder de helft van de verkoopkosten (kosten makelaar en overige kosten ter zake de verkoop en levering, zoals notariskosten), zullen dragen;
m) dat wanneer de man niet meewerkt aan hetgeen hiervoor is verwoord, de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,= per dag, of gedeelte daarvan, met een maximum van € 50.000,=.






4De beoordeling



Echtscheiding


Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht



4.1
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, omdat op het moment van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond (artikel 3 sub a onder (i) Brussel IIter Verordening).



4.2
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).



Ontvankelijkheid




4.3
Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding ook een ouderschapsplan bevatten. Partijen hebben beiden geen ouderschapsplan overgelegd. Dit kan aanleiding zijn om hen niet-ontvankelijk te verklaren in hun echtscheidingsverzoek. De rechtbank acht de door partijen aangevoerde omstandigheden echter van dien aard dat zij alsnog worden ontvangen in hun echtscheidingsverzoek. Hoewel partijen het grotendeels eens zijn over de regelingen voor de kinderen, met uitzondering van de kinderalimentatie, lukt het hen door de verstoorde verstandhouding tussen hen niet om deze afspraken vast te leggen in een ouderschapsplan.



Erkenning van het huwelijk




4.4
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, moet de rechtbank ambtshalve eerst de vraag beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.



4.5
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW). Op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit.



4.6

De rechtbank is van oordeel dat uit het overgelegde afschrift van de Algerijnse huwelijksakte volgt dat rechtsgeldig een huwelijk is gesloten op [datum] 2004 in Ghardaia (Algerije), welk huwelijk op grond van artikel 10:31 lid 1 BW ook in Nederland moet worden erkend.

Inhoudelijke beoordeling




4.7
Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.



Hoofdverblijf, zorgregeling en vervangende toestemming


Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht




4.8
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot bepaling van hun hoofdverblijf en vaststelling van een zorgregeling. (artikel 7 lid 1 Brussel IIter Verordening).



4.9
De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).



Inhoudelijke beoordeling




4.10
Partijen zijn het erover eens dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man. Ook zijn zij het erover eens dat [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw verblijft en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op zondag is. Tot slot zijn partijen het erover eens dat [minderjarige 1] zelf kan aangeven wanneer hij naar de vrouw wil gaan.



4.11
De rechtbank acht de afspraken tussen partijen over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de overeengekomen zorgregeling in het belang van de kinderen. [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek bevestigd dat de afgesproken regeling voor hem passend is. De rechtbank zal de verzoeken van de man betreffende het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.



4.12
Wat betreft het verzoek tot vervangende toestemming voor de aanvraag van kinderbijslag is ter zitting gebleken dat de man deze bijslag tot op heden niet heeft aangevraagd en de vrouw deze ook niet heeft ontvangen. Het ligt op de weg van de man om deze bijslag, voor zover mogelijk met terugwerkende kracht, aan te vragen en de rechtbank gaat ervan uit dat als daarbij de medewerking van de vrouw nodig is, zij die medewerking zal verlenen. Het verzoek tot vervangende toestemming zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.



Kinder- en partneralimentatie


Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht




4.13
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partner- en kinderbijdrage kennis te nemen, omdat dit verzoek een nevenvoorziening betreft bij echtscheiding en de Nederlandse rechter ook bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.



4.14
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigden (de vrouw en [minderjarige 2] ) hun gewone verblijfplaats hebben van toepassing. Omdat de vrouw en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland, is het Nederlands recht van toepassing op deze verzoeken.



Inhoudelijke beoordeling




4.15
De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat zij en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.



4.16
De man voert verweer. Hij stelt dat hij geen draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen voor [minderjarige 2] , maar wel de door hem verzochte bijdrage. Hij heeft geen draagkracht om dan nog een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.



4.17
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.



Kinderalimentatie


Behoefte




4.18
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in 2025 € 844,= per maand bedroeg. Inclusief wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2026 dan € 882,= per maand, oftewel € 441,= per maand per kind.



Ingangsdatum




4.19
De man heeft onweersproken verzocht de verplichting tot betaling van de hierna vast te stellen kinderbijdrage in te laten gaan op de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, zodat de rechtbank dat zal volgen.



Draagkracht van de vrouw




4.20
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.



4.21
De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van haar draagkracht moet worden uitgegaan van haar huidige inkomen bij [bedrijf] . Zij werkt daar 25 uur per week. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat er bij haar werkgever niet meer uren beschikbaar zijn voor haar. Daarnaast is zij drie jaar geleden geopereerd aan een dubbele hernia in haar rug en is zij nog steeds onder behandeling van therapeuten. Zij doet veel staand werk, en dagen van 5,5 uur zijn het maximaal haalbare op dit moment in verband met haar gezondheid.



4.22
De man heeft ter zitting aangevoerd dat van een hogere verdiencapaciteit moet worden uitgegaan aan de zijde van de vrouw. Zij moet in staat worden geacht om in ieder geval 30 uur te werken.



4.23
De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw voldoende is toegelicht dat zij op dit moment niet meer dan 25 uur per week kan werken. Gelet daarop zal de rechtbank uitgaan van haar huidige inkomen. Zij ontvangt een inkomen van € 2.330,47 per maand, oftewel € 27.960,= per jaar, te vermeerderen met vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering. Daarnaast ontvangt zij een kindgebonden budget. Door de vrouw is een berekening overgelegd waarin is uitgegaan van deze inkomensgegevens. Deze is door de man niet weersproken, zodat de rechtbank die zal volgen, met dien verstande dat de rechtbank zal uitgaan van de tarieven van 2026. Rekening houdend met die financiële gegevens heeft de vrouw een NBI van € 2.859,= per maand en een draagkracht van € 445,= per maand volgens de formule.



Draagkracht van de man




4.24
De man stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van de WW-uitkering die hij op dit moment ontvangt. Ter zitting heeft de man toegelicht dat hij werkzaam was als docent op een school. Na twee jaar ziek gemeld te zijn geweest bij zijn werkgever wegens gezondheidsklachten (depressie, migraineaanvallen, hoge bloeddruk, hernia) is zijn dienstverband recent beëindigd. Hij heeft daarbij een transitievergoeding ontvangen. Sindsdien ontvangt hij een WW-uitkering. De man heeft een sollicitatieplicht en hij solliciteert ook, maar het is hem tot nu toe niet gelukt om werk te vinden passend bij zijn (gezondheids)situatie.



4.25
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn laatste inkomen uit arbeid. Mocht de rechtbank toch uitgaan van zijn inkomen uit een WW-uitkering dan stelt de vrouw zich subsidiair op het standpunt dat bij die uitkering dan ook de door de man ontvangen transitievergoeding moet worden opgeteld. Ter zitting is door de vrouw toegelicht dat het onduidelijk is waarom de man niet zijn oude inkomen zou kunnen verdienen. Hij werkt al 21 jaar in het onderwijs en de vrouw is, ondanks haar gezondheidssituatie, ook aan het werk. Dat kan volgens haar van de man ook worden verwacht.



4.26
Tussen partijen staat vast dat het dienstverband van de man recentelijk is beëindigd en dat hij op dit moment een WW-uitkering ontvangt. Tussen hen is in geschil of van dat inkomen moet worden uitgegaan of van zijn oude inkomen. De man heeft ter zitting erkend dat hij een sollicitatieplicht heeft vanuit het UWV. Of de man voldoet aan deze sollicitatieplicht wordt door het UWV gecontroleerd. Als hij daaraan niet voldoet wordt zijn uitkering beëindigd. Gelet daarop en de toelichting van de man ter zitting over zijn gezondheidssituatie gedurende de afgelopen twee jaar en de gevolgen daarvan op zijn werk, is de rechtbank van oordeel dat de man op dit moment niet zijn oorspronkelijke inkomen kan verwerven en dat het ook niet redelijk is om dit van hem te verlangen. In beginsel zal de rechtbank daarom uitgaan van het huidige inkomen dat de man ontvangt, namelijk de WW-uitkering. Ter zitting is echter gebleken dat de man een transitievergoeding zal ontvangen na het beëindigen van zijn dienstverband. Zoals door de vrouw is aangevoerd, is deze transitievergoeding onder meer bedoeld om het huidige inkomen van de man aan te vullen tot het inkomen zoals dat voor het ontslag werd ontvangen ter overbrugging naar een nieuwe baan. Met die transitievergoeding kan de man zijn huidige inkomen voorlopig aanvullen tot zijn oude inkomen. Dat betekent dat de rechtbank uit zal gaan van het oude inkomen van de man. De vrouw heeft een berekening gemaakt rekening houdende met dat inkomen. Deze is door de man verder niet weersproken en de rechtbank zal deze volgen, met dien verstande dat zal worden uitgegaan van de tarieven van 2026. Hieruit volgt een NBI van € 4.428,= per maand en een draagkracht van € 1.214,= per maand.




Draagkrachtvergelijking




4.27

De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.214 / € 1.659 x € 441 = € 323,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 445 / € 1.659 x € 441 = € 118,=




Zorgkorting




4.28
Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 35% moet worden toegepast. Gelet op de behoefte van [minderjarige 2] van € 441,= per maand, bedraagt de zorgkorting afgerond € 154,= per maand.



4.29
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 169,= per maand.



Partneralimentatie


Behoefte van de vrouw




4.30
Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte in 2025 € 2.215,= netto bedroeg. Inclusief wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2026 dan afgerond € 2.317,= per maand.



4.31
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen.



4.32
De rechtbank zal bij de berekening hiervan uitgaan van de gegevens zoals hiervoor vermeld onder rechtsoverweging 4.23. Aan de hand van die uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw in het kader van de partneralimentatie op een bedrag van € 2.299,= per maand. Haar aanvullende behoefte bedraagt gelet daarop € 18,= netto per maand. Dit komt neer op € 35,= bruto per maand.



Draagkracht van de man




4.33
Voor de becijfering van de draagkracht van de man om in de behoefte van de vrouw te voorzien gaat de rechtbank uit van de in rechtsoverweging 4.26 vermelde gegevens. Aan de hand van die uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI in het kader van de partneralimentatie op € 4.106,= per maand. Rekening houdend met de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , heeft de man nog draagkracht beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie van € 260,= netto per maand, oftewel € 416,= bruto per maand. De man is daarmee in staat volledig te voldoen in de aanvullende behoefte van de vrouw.



Conclusie kinder- en partneralimentatie




4.34
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdragen met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand vaststellen op € 169,= per maand ten behoeve van [minderjarige 2] en € 35,= per maand ten behoeve van de vrouw. De verzoeken van partijen worden in zoverre toegewezen.





Aanhechten van berekeningen




4.35
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.



Verdeling huwelijksvermogen


Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht




4.36
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2004, zodat het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensrecht Verdrag 1978 (hierna: HHV 1978).



4.37
Door de man is onweersproken gesteld dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt voor sluiting van hun huwelijk. In dat geval geldt ingevolge artikel 4 HHV 1978 in beginsel dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het interne recht van de staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat enkele weken na de huwelijkssluiting partijen samen in Nederland zijn gaan wonen. De rechtbank stelt gelet daarop vast dat de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting in Nederland was. Daarom is het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijkse vermogen van partijen.



Inhoudelijke beoordeling




4.38
Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.



Peildatum




4.39
De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 10 juli 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.



4.40
De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.



Samenstelling van de gemeenschap




4.41
De gemeenschap bestond op de peildatum van 10 juli 2025, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:
a. de woning gelegen aan [adres] , te [woonplaats] en de daarop rustende hypothecaire geldlening;
b. de saldi op bank- en spaarrekeningen;
c. inboedelgoederen;
d. twee auto’s (Mercedes en Opel Agila)
e. de schuld bij de gemeente Breda ter zake inrichtingskosten huurwoning en huurlasten eerste huur;
f. de schuld bij de gemeente Breda ter zake verleende bijstand op basis van een lening.


4.42
In de stukken hebben partijen aangegeven dat er nog een schuld zou zijn bij LOI. Ter zitting is gebleken dat deze schuld voor de peildatum al is afgelost, zodat de rechtbank daar niet meer over hoeft te beslissen.



Ad. a. de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening




4.43
Tijdens schorsing van de zitting is het partijen gelukt afspraken te maken over de verdeling van de echtelijke woning, deze afspraken luiden als volgt:
- de woning zal worden toebedeeld aan de man, tegen een bedrag van € 470.000,=, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire geldlening;
- dat bedrag is opgebouwd uit de getaxeerde waarde van de woning van € 490.000,= minus € 8.000,= aan slechts door de man gedane aflossingen sinds augustus van vorig jaar minus € 12.000,= ter zake een bedrag dat de man binnen twee jaar aan de vrouw zal voldoen;
- de man zal maandelijks een bedrag van € 500,= aan de vrouw voldoen ter aflossing van het bedrag van € 12.000,= startend vanaf de datum van levering van de woning aan de man. Verder geldt een rentepercentage van 2,5% over het bedrag van € 12.000,=;
- deze maandelijkse aflossing zal niet worden meegenomen in een (toekomstige) draagkrachtberekening van de man in het kader van kinder- en partneralimentatie;
- in het geval het de man niet lukt de woning over te nemen zal de woning worden verkocht aan (een) derde(n). Vanaf het moment dat duidelijk is dat de woning niet kan worden overgenomen door de man, zal de woning binnen twee maanden te koop worden gezet;
- partijen zullen beiden alle medewerking verlening aan dat verkooptraject;
- de verkoopprijs, minus de resterende hypothecaire schuld en de verkoopkosten, zal bij verkoop van de woning bij helfte tussen partijen worden verdeeld.



4.44
Omdat partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van de woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening, is voor de rechtbank geen taak meer weggelegd op grond van artikel 3:195 BW om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken van partijen die zien op de woning zullen daarom worden afgewezen. Dit betekent niet dat deze afspraak tussen partijen niet moet worden nagekomen.



Ad. b. de saldi op de bank- en spaarrekeningen




4.45
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat ieder van hen de bank- en spaarrekening(en) houdt die op zijn of haar naam staan, zonder verdere verrekening van de saldi op de peildatum op die rekeningen.



4.46
Gelet op de overeenstemming van partijen over de banksaldi is, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.44 is overwogen, ook wat betreft dit bestanddeel geen taak meer weggelegd voor de rechtbank, zodat het deel van de verzoeken dat hierop ziet ook wordt afgewezen.



Ad. c. en e. de inboedelgoederen en de schuld bij de gemeente Breda ter zake inrichtingskosten huurwoning en huurlasten eerste huur




4.47
De vrouw heeft in juli 2024 de woning van partijen verlaten, waarbij zij enkel de wasmachine en de droger heeft meegenomen. De man heeft verder alle inboedelgoederen behouden na vertrek van de vrouw uit de woning. De vrouw schat de waarde daarvan op € 9.000,=. Daarnaast heeft de vrouw haar nieuwe huurwoning moeten inrichten. Daarvoor heeft zij een lening afgesloten bij de gemeente Breda, alsmede een lening voor de huurlasten van haar eerste huur. Die lening valt in de gemeenschap van partijen en de man is volgens de vrouw draagplichtig voor de helft van die lening. Door de vrouw is aangevoerd dat ofwel de man de helft van de waarde van de inboedelgoederen uit de echtelijke woning aan de vrouw moet voldoen, dan wel de helft van de lening voor de inrichtingskosten.



4.48
De man stelt zich op het standpunt dat alle goederen bij het vertrek van de vrouw uit de woning al verdeeld zijn. De vrouw heeft per juli 2024 een deel van de inboedelgoederen al meegenomen, waaronder de wasmachine, droger, bedden, speelgoed, springboxen, bestek, badkamerbenodigdheden, administratie en diverse andere spullen. De man is ervan uitgegaan dat de vrouw geen andere goederen wenste te ontvangen omdat zij haar woning opnieuw heeft ingericht. Mocht zij nog wel iets willen ontvangen dan kan dat in onderling overleg worden besproken. Hij stemt er niet mee in dat hij nog een bedrag aan haar moet betalen ter zake de inboedelgoederen. Daarnaast staan ook inboedelgoederen bij de vrouw en wenst de man in dat geval ook daar aanspraak op te maken. Wat betreft de schuld vanwege inrichtingskosten stelt de man dat die schuld niet voor zijn rekening kan komen. Hij was er namelijk niet van op de hoogte dat de vrouw die schuld is aangegaan en dit is niet met hem besproken.



4.49
De rechtbank stelt vast dat voor de peildatum door de vrouw de lening voor inrichtingskosten en haar eerste huurtermijn is aangegaan. Daarnaast zijn de inboedelgoederen, zowel die bij de man in de woning staan, als de inboedelgoederen die in de huurwoning van de vrouw staan, aangeschaft voor de peildatum. Dit betekent dat al die inboedelgoederen in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld ter zake de inrichtingskosten en de eerste huur van de vrouw. De rechtbank zal de inboedelgoederen zo verdelen dat ieder de goederen die hij of zij onder zich houdt zal behouden. Op basis van de informatie van partijen over die goederen, gaat de rechtbank ervan uit dat hiermee de inboedelgoederen van partijen bij helfte zijn verdeeld. Daarnaast zal de rechtbank, op grond van artikel 1:100 BW, bepalen dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij de gemeente Breda ter zake de inrichtingskosten en de eerste huurtermijn van de vrouw.



Ad. d. de auto’s




4.50
Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de man de auto van het merk Opel zal verkopen en dat de opbrengst tussen partijen bij helfte wordt gedeeld. De auto van het merk Mercedes houdt de man, zonder nadere verrekening van de waarde met de vrouw vanwege de geringe waarde van die auto.



4.51
Gelet op de overeenstemming van partijen over de auto’s is, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.44 is overwogen, ook wat betreft dit bestanddeel geen taak meer weggelegd voor de rechtbank, zodat het deel van de verzoeken dat hierop ziet wordt afgewezen.



Ad. f. schuld bij de gemeente Breda ter zake verleende bijstand op basis van een lening




4.52
De vrouw heeft een bijstandsuitkering gehad die aan haar is verstrekt op basis van een lening omdat de vrouw voor de helft eigenaar is van de koopwoning. De bijstand zal daarom aan de gemeente moeten worden terugbetaald. Deze schuld valt volgens de vrouw in de gemeenschap en de man moet hiervan de helft voor zijn rekening nemen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij met de gemeente heeft afgesproken dat bij de verdeling van de woning dit bedrag aan de gemeente zal worden terugbetaald.



4.53
De man voert aan dat hij niet op de hoogte was van deze schuld en dat er geen overleg met hem is geweest. Deze schuld kan daarom niet ten laste komen van de man. Ter zitting heeft de man verder aangevoerd dat het de keuze van de vrouw is geweest om niet te werken, waardoor zij een uitkering heeft moeten aanvragen en dit nu moet terugbetalen. Dit kan volgens hem niet in de gemeenschap vallen. Daarnaast is de man vanaf september 2024, nog voor de indiening van het echtscheidingsverzoek, begonnen met het betalen van € 350,= per maand aan de vrouw. Hij heeft daarmee dus al zijn bijdrage geleverd in haar onderhoud. Ook heeft hij de volledige kosten van het mediationtraject van partijen voldaan.



4.54
De rechtbank stelt voorop dat voor zover deze schuld bij de gemeente Breda ziet op perioden voor de peildatum, deze in de gemeenschap valt en partijen in beginsel beiden voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. De rechtbank ziet echter aanleiding te bepalen dat enkel de vrouw draagplichtig is voor deze schuld en overweegt daartoe als volgt. De door de vrouw ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet betrof een uitkering ten behoeve van haar levensonderhoud. Totdat door de rechtbank voorlopige voorzieningen zijn bepaald, waaronder partneralimentatie, betaalde de man een bedrag van € 350,= per maand in het levensonderhoud van de vrouw. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij daarmee destijds akkoord is gegaan. Als de vrouw meende een ander bedrag nodig te hebben dan had het op haar weg gelegen eerder een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen in te dienen en een ander voorlopig bedrag te verzoeken. De rechtbank acht het niet redelijk dat de man nu alsnog, via de terugbetaling van de uitkering op grond van de Participatiewet aan de gemeente, in feite een hoger bedrag aan levensonderhoud aan de vrouw moet voldoen.



Conclusie




4.55
De rechtbank zal de verzoeken van partijen toewijzen overeenkomstig het voorgaande. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.



Bevel verdeling




4.56
De man heeft ter zitting zijn verzoek de verdeling te bevelen, met benoeming van een notaris en onzijdige personen, ingetrokken. Dat verzoek kan daarom niet meer worden onderzocht en zal worden afgewezen.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2004 in Ghardaia (Algerije) met elkaar gehuwd;



5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , zijn hoofdverblijf heeft bij de man;



5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;



5.4
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw en genoemde minderjarige [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de minderjarige zelf aangeeft op welke momenten hij bij de vrouw wenst te verblijven;



5.5
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week gedurende een volledige week, waarbij het wisselmoment op zondag plaatsvindt, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, nader in onderling overleg door partijen te regelen;



5.6
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 169,= (honderdnegenenzestig euro) per maand;



5.7
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 35,= (vijfendertig euro) per maand;



5.8
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de volgende wijze:


5.8.1
bepaalt dat ieder van partijen de inboedelgoederen houdt die hij of zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met elkaar;



5.8.2
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij de gemeente Breda ter zake de inrichtingskosten van de huurwoning van de vrouw en de eerste huurtermijn van de huurwoning van de vrouw;



5.8.3
bepaalt dat enkel de vrouw draagplichtig is voor de schuld bij de gemeente Breda ter zake verleende bijstand op basis van een lening;




5.9
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 18 juni 2026.














































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.