Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6601

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/443069 / FA RK 25-6466
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/443069 / FA RK 25-6466
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verleend voor aanvraag identiteitskaart, inschrijving kinderdagverblijf een aanmelding hulpverlening. Overige verzoeken aangehouden in afwachting van onderzoek Raad voor de Kinderbescherming.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.500 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/443069 / FA RK 25-6466



datum uitspraak: 18 juni 2026




beschikking betreffende gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en verzoeken ex artikel 1:253a BW


in de zaak van





[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,



tegen





[de man] ,

hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: M. de Maaré uit Breda,



over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna: [minderjarige] .



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.





1Het procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:
- het op 17 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 11 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man, met producties;
- het op 8 mei 2026 ontvangen verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende wijziging c.q. aanvulling van de verzoeken van de vrouw met producties;
- het door mr. de Maaré op 12 mei 2026 ingediende F9-formulier, met producties.



1.2.
De verzoeken zijn mondeling behandeld tijdens de zitting van 20 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was een medewerker namens de Raad aanwezig.






2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.



2.2.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.





3De verzoeken


3.1.

De vrouw verzoekt, na wijziging c.q. aanvulling van haar verzoeken, om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tot wijziging van het gezag over te gaan en te bepalen dat de vrouw voortaan alleen met het (eenhoofdig) gezag zal zijn belast over [minderjarige] ;
II. de man het recht op omgang/contact met [minderjarige] voor de duur van twee jaar, althans een nader door de rechtbank te bepalen periode, te ontzeggen, dan wel (bij handhaving van het gezamenlijk gezag) tot het opleggen van een tijdelijk verbod aan de man om contact met [minderjarige] te hebben over te gaan;
III. de vrouw bij handhaving van het gezamenlijk gezag, bij gebreke van de toestemming van de man, vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een ID-kaart voor [minderjarige] ;
IV. de vrouw bij handhaving van het gezamenlijk gezag, bij gebreke van de toestemming van de man, (alsnog) vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] bij een kinderdagverblijf;
V. de vrouw bij handhaving van het gezamenlijk gezag, bij gebreke van de toestemming van de man, (alsnog) vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen van professionele hulpverlening voor [minderjarige] voor o.a. traumabehandeling.




3.2.
De man verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen.


Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

primair

I. een regeling vast te stellen ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeenkomstig het in het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken onder nummer 25 opgenomen schema, althans een zodanige regeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] geraden acht;
II. te bepalen dat de feestdagen en vakanties bij helfte worden verdeeld volgens een jaarlijks wisselend schema en dat beide ouders recht hebben om minimaal twee weken per jaar aaneengesloten met [minderjarige] op vakantie te gaan;
III. een informatieregeling vast te stellen, inhoudende:
- moeder informeert vader eenmaal per twee weken schriftelijk over [minderjarige] gezondheid en ontwikkeling;
- moeder informeert vader onverwijld bij ziekte, ongeval of andere calamiteiten;
- moeder verstrekt vader kopieën van verslagen van het consultatiebureau, kinderopvang en medische behandelingen;
- moeder stuurt vader eenmaal per twee weken recente foto’s en video’s van [minderjarige] ;
IV. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van;
- € 500,-- per zorgmoment dat zij niet nakomt of verhindert;
- € 250,-- per overtreding van de informatieregeling;
- met een maximum van € 25.000,--;
V. te bepalen dat de vrouw niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de man of vervangende toestemming van de rechtbank met [minderjarige] in het buitenland mag verblijven of van woonadres of woonplaats mag wijzigen;

subsidiair

VI. een voorlopige zorgregeling vast te stellen voor de duur van de procedure, inhoudende dat [minderjarige] en de man tweemaal pr week gedurende minimaal twee uur contact met elkaar hebben, zo nodig begeleid, totdat definitief op het verzoek is beslist dan wel een voorlopige regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;
VII. de Raad te verzoeken een onderzoek te verrichten naar de opvoedsituatie van [minderjarige] , waaronder ook het alcoholgebruik van moeder, de mogelijkheden van een zo spoedig mogelijk herstel van het gelijkwaardig ouderschap en of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is;

meer subsidiair

VIII. een bijzonder curator te benoemen voor [minderjarige] ex artikel 1:250 BW.




3.3.
De vrouw verzoekt de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in die verzoeken.





4De standpunten en het advies van de Raad


4.1.
Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoeken en in verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Tijdens de relatie van partijen is sprake geweest van verbaal en fysiek geweld van de man richting de vrouw. De vrouw betwist dat er bij haar sprake was van alcoholmisbruik. Van betrokkenheid van de man bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is geen sprake geweest. In de nacht van 18 op 19 juli 2025 zijn de vrouw, [minderjarige] en haar zoon [persoon] opnieuw slachtoffer geworden van fors huiselijk geweld, gepleegd door de man. De man heeft de arm van [minderjarige] daarbij gebroken, de vrouw niet fataal gewurgd en [persoon] mishandeld, aldus de vrouw. De man is verdachte en is uit de voorlopige hechtenis geschorst met als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod. De strafzaak loopt nog en moet nog voor de inhoudelijke behandeling op zitting worden gepland. De vrouw heeft naar aanleiding van het incident intensieve begeleiding ontvangen van de [hulpverlening] . Door het incident heeft [minderjarige] naast fysieke gevolgen ook trauma opgelopen. De vrouw heeft [minderjarige] daarom aangemeld voor traumaverwerking. Ook heeft zij hem aangemeld bij een kinderdagverblijf. Zij is als hoofdopvoeder afhankelijk van professionele opvang vanwege haar fulltime baan. De vrouw heeft de aanmelding en de inschrijving gedaan terwijl de toestemming van de man daarvoor ontbrak. Zij verzoekt de rechtbank daarom alsnog om vervangende toestemming. De vrouw heeft grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en haar eigen veiligheid. Bij instandhouding van gezamenlijk gezag komt hun veiligheid verder in het geding. De man stelt de belangen van [minderjarige] niet voorop en frustreert de vrouw in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vrouw verzoekt ook de man het contact met [minderjarige] te ontzeggen. Daarnaast wil zij op geen enkele wijze rechtstreeks contact hebben met de man. Gelet op de omstandigheden kan niet van haar worden verwacht dat zij de man over [minderjarige] informeert. Indien de rechtbank nog geen beslissing kan nemen ten aanzien van de verzoeken over gezag, contact en een informatieregeling, is een onderzoek door de Raad aangewezen.



4.2.
Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn verweer en zelfstandige verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hadden een overwegend stabiele relatie. Wel zorgde het bovenmatig alcoholgebruik van de vrouw voor onrust, strijd en ruzie. Vanaf de geboorte van [minderjarige] heeft de man een groot aandeel gehad in zijn verzorging en opvoeding. Op 19 juli 2025 is er een incident geweest waarna partijen over en weer aangifte tegen elkaar hebben gedaan. De man heeft nooit de intentie gehad om [minderjarige] te schaden en heeft hem enkel geprobeerd te beschermen. Het strafrechtelijk onderzoek loopt nog. Sinds het incident op 19 juli 2025 heeft de man [minderjarige] niet meer gezien en is hun hechtingsrelatie plots verbroken. Daarna zijn Veilig Thuis en het Centrum voor Jeugd en Gezin enige tijd betrokken geweest. Aangezien de moeder niet wilde meewerken aan begeleide omgang is dit niet van de grond gekomen. Uit de voorgeschiedenis blijkt niets dat wijst op onveiligheid van de man jegens de vrouw en [minderjarige] . Ook heeft de man de afgelopen periode gedaan wat van hem verwacht wordt, zo werkt hij mee met de reclassering en houdt hij zich aan het contact- en locatieverbod. De man wil zo spoedig mogelijk weer contact met [minderjarige] en toewerken naar een gelijkwaardige verdeling van het ouderschap. Ook wil hij geïnformeerd worden over [minderjarige] . Hij is al sinds 19 juli 2025 niet meer op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] . Verder verzet de man zich niet principieel tegen de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige] . Wel maakt hij zich zorgen en wil hij dat de rechtbank nadrukkelijk bepaalt dat de vrouw niet zonder zijn toestemming met [minderjarige] naar het buitenland mag reizen. De man is akkoord met een raadsonderzoek. Van belang is wel dat niet wordt voortgeborduurd op de onjuiste bevindingen van Veilig Thuis.



4.3.
De Raad adviseert de rechtbank om een onderzoek door de Raad te gelasten waarbij wordt gekeken naar het gezag en een contact- en informatieregeling. Op voorhand kan de Raad al aangegeven dat dit onderzoek zal worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Wat er ook precies gebeurd is, vaststaat dat er een heftig incident heeft plaatsgevonden waarvan [minderjarige] slachtoffer is geworden. De veiligheid van [minderjarige] staat ten alle tijden voorop. Een voorlopige contactregeling of een informatieregeling is onder deze omstandigheden niet aan de orde. De Raad verwacht het onderzoek medio oktober 2026 af te kunnen ronden.





5De beoordeling



Vervangende toestemming aanvraag identiteitskaart




5.1.
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag voor een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de Paspoortwet geeft de rechtbank onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



5.2.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat voor hem een identiteitskaart kan worden aangevraagd. In het algemeen is het in het belang van een kind dat hij of zij en/of zijn ouder vrijelijk kan beschikken over een geldig identiteitsbewijs. Er kunnen zich immers situaties voordoen, waarbij om een identiteitsbewijs van het kind wordt gevraagd. Indien een kind dan niet geïdentificeerd kan worden, kan daarmee stagnatie in de zorg en opvoeding van het kind ontstaan. Dit is niet in het belang van de minderjarige. Het kunnen beschikken over een geldig identiteitsbewijs - ook voordat de minderjarige de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt - is niet slechts noodzakelijk voor een eventuele vakantie naar het buitenland, maar ook voor het verkrijgen van zorg in Nederland. De identificatieplicht in de zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geldt voor iedereen, ook voor kinderen die de leeftijd van [minderjarige] hebben.



5.3.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw sub III toewijzen en aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming verlenen voor het aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart voor [minderjarige] .



5.4.
De man heeft in dit kader verzocht uitdrukkelijk te beslissen dat het de vrouw niet is toegestaan om zonder zijn toestemming naar het buitenland te reizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man geen belang bij dit verzoek. Aangezien ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen, heeft de vrouw voor een reis naar het buitenland altijd de toestemming van de man nodig. Daarover kan geen twijfel bestaan. Een eventueel geschil in de toekomst kan zo nodig op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) alsdan aan de rechtbank worden voorgelegd.



Vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf en hulpverlening





5.5.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



5.6.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat de vrouw [minderjarige] al, ondanks het ontbreken van de toestemming van de man, heeft ingeschreven bij een kinderdagverblijf en hulpverlening heeft ingeschakeld ten behoeve van [minderjarige] . De vrouw heeft de rechtbank verzocht haar voor deze beslissingen alsnog vervangende toestemming te verlenen. De rechtbank overweegt dat de inschrijving en aanmelding door de vrouw, zonder de vereiste toestemming van de man, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende waarborgen biedt voor de continuïteit van de opvang van [minderjarige] op het kinderdagverblijf en de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dan ook belang bij een beslissing op deze verzoeken.



5.7.
Voor de rechtbank staat voldoende vast dat hulpverlening voor [minderjarige] noodzakelijk is. Gebleken is dat de man zich op dit moment niet tegen deze hulpverlening verzet. Tussen partijen bestaat echter onduidelijkheid over de vraag of de man ook daadwerkelijk zijn toestemming heeft verleend. Wat daar ook van zij, partijen hebben geen door hen beiden ondertekend aanmeldingsformulier overgelegd en de vrouw heeft gesteld dat zij [minderjarige] zonder de vereiste toestemming van de man heeft aangemeld voor traumaverwerking. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen en continueren van de noodzakelijke hulpverlening ten behoeve van [minderjarige] . Op die wijze wordt gewaarborgd dat de hulpverlening zonder onderbreking kan worden voortgezet.



5.8.
De rechtbank acht het ook in het belang van [minderjarige] om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving bij het kinderdagverblijf. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van [minderjarige] dat hij naar de kinderdagopvang kan blijven gaan. De vrouw draagt op dit moment de volledige dagelijkse zorg voor [minderjarige] , terwijl zij fulltime werkt. De vrouw heeft weliswaar mogelijkheden om thuis te werken, maar anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat dit niet maakt dat zij op die momenten beschikbaar is voor [minderjarige] en voor hem kan zorgen. Het is bovendien niet aan de man om te beslissen hoe de vrouw de opvoeding van [minderjarige] vorm geeft als [minderjarige] bij haar verblijft. Weliswaar geeft de man aan dat hij voor [minderjarige] kan en wil zorgen, maar de rechtbank zal - zoals hierna zal worden overwogen - geen voorlopige zorgregeling vaststellen, hetgeen betekent dat de man voorlopig niet mede de dagelijkse zorg voor [minderjarige] zal dragen. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank ook de verzoeken sub IV en sub V van de vrouw toewijzen.



Raadsonderzoek





5.9.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op de overige verzoeken van partijen. De rechtbank ziet aanleiding een onderzoek door de Raad te gelasten en overweegt daartoe als volgt.



5.10.
Zoals ter zitting is gebleken kan de Raad de rechtbank op dit moment nog niet adviseren over de overige verzoeken. De rechtbank constateert dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. De verstandhouding tussen partijen is ernstig verstoord en partijen beschuldigen elkaar over en weer. De door partijen overgelegde stukken, zoals de processen- verbaal, schetsen een zeer complexe situatie waarvoor de rechtbank haar ogen niet kan sluiten en die haar veel zorgen baart als het gaat om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] . De rechtbank acht de beschikbare informatie niet voldoende om te kunnen beoordelen welke beslissingen recht doen aan de situatie en bovenal het meest in het belang van [minderjarige] zijn.



5.11.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad zal verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
2. Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
3. Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
4. Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
5. Zijn er contra-indicaties voor contact? Zo ja, in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
6. Welke informatieregeling past het beste bij de belangen van de ouders en van [minderjarige] ?
7. Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?




5.12.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] voorop dienen te staan. Zolang er onvoldoende duidelijkheid is over de omstandigheden die van belang zijn om te kunnen beoordelen hoe het contact tussen de man en [minderjarige] vorm moet krijgen, acht de rechtbank vaststelling van een voorlopige contactregeling niet in het belang van [minderjarige] .



5.13.
De rechtbank zal in afwachting van de rapportage en het advies van de Raad de behandeling van de verzoeken aanhouden voor de duur van vier maanden. Na binnenkomst van het rapport zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daar binnen twee weken op te reageren en aan te geven wat het gewenste verdere procesverloop is.



5.14.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.




6De beslissing


De rechtbank



6.1.
verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart voor de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024;



6.2.
verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming om hulpverlening in te schakelen voor de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024;



6.3.
verleent aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - toestemming voor de inschrijving bij een kinderdagverblijf van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024;



6.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.11. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;


6.5.
houdt de verzoeken van de vrouw onder I en II en de verzoeken van de man onder I tot en met VIII aan tot dinsdag 27 oktober 2026 PRO FORMA, een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.13.;



6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.


Deze beschikking is gegeven door mr. Pellikaan, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van Noort, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:




door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.