Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6597
2026-06-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/440488 / FA RK 25-5114
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verwijzing Uniform Hulpaanbod, aanhouden beslissing tav gezag en zorgregeling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.175 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/440488 / FA RK 25-5114
Datum uitspraak: 18 juni 2026
beschikking over gezag en een zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 3 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 10 oktober 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof met bijlage;
het op 29 mei 2026 ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlage;
het op 1 juni 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof met bijlagen;
de pleitaantekeningen van mr. Wouters, overgelegd tijdens de zitting.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 4 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad.
2De feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [minderjarige] wordt belast.
3.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt middels een zelfstandig verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- er een zorg/omgangsregeling wordt vastgesteld tussen [minderjarige] en de man, waarbij de man de zorg heeft over [minderjarige] c.q. omgang met haar heeft:
met ingang van het eerste weekend na de uitspraak in deze zaak verblijft [minderjarige] op iedere zaterdag bij de man van 12.00 uur tot 17.00 uur. Dit voor vier zaterdagen;
vervolgens verblijft [minderjarige] , voor de duur van vier weken, per 14 dagen een weekend bij de man van zaterdag 12.00 uur tot zondagochtend 12.00 uur;
vervolgens verblijft [minderjarige] een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man;
waarbij de ouders het halen en brengen zullen delen, in die zin dat de ouder waar [minderjarige] verblijft [minderjarige] bij de andere ouder thuis zal brengen op het tijdstip waarop die andere ouder zorg heeft over [minderjarige] ;
- dan wel subsidiair een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader
4.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het
gezamenlijk gezag, zoals bedoeld in artikel 1:252 lid 1 BW, beëindigen, indien de
omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of
onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders
voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.2
Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van de laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt, indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de minderjarige klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.3
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. [minderjarige] en de man hebben immers al een langere periode geen contact meer met elkaar. Om die reden wordt de vrouw ontvangen in haar verzoek.
4.4
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In lid 2 van dit artikel staat vervolgens dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststelt over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.5
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat het partijen als gezaghebbende ouders niet lukt om constructief met elkaar te communiceren, afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Verder zijn er bij [minderjarige] signalen waaruit lijkt te blijken dat zij last heeft van de onduidelijkheid tussen partijen. Zo heeft zij snel last van spanningen en onzekerheden en slaapt zij slechter. Partijen hebben voorts een andere visie op het verleden en de huidige situatie van de man, met name met betrekking tot zijn middelengebruik. Ook heeft de man al een langere tijd geen contact meer met [minderjarige] en wensen partijen dit contact binnen een hulpverleningstraject te herstellen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, gelet op het voorgaande, nodig dat voor de ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.6
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.7
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.8
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.9
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
4.10
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.11
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.12
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen de ouders en ziet het er niet naar uit dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren, of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke zorg- c.q. omgangsregeling (aard, duur en frequentie) tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van de minderjarige?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Het staat de Raad vrij om, indien zij hiertoe aanleiding ziet, bovengenoemd onderzoek ambtshalve uit te breiden tot een kinderbeschermingsmaatregelenonderzoek.
4.13
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.14
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.15
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Aanhouding beslissingen
4.16
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Raad geadviseerd nu een beslissing ten aanzien van het gezag te nemen en het verzoek van de vrouw af te wijzen. Op die manier ontstaat op dat punt tussen partijen duidelijkheid. De Raad heeft, samengevat, toegelicht dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is. Er is onvoldoende aangevoerd om af te wijken van dit uitgangspunt. Partijen spelen allebei een rol in het ontbreken van een constructieve samenwerking en communicatie. Het is de Raad (nog) niet gebleken dat dit tot grote problemen heeft geleid voor [minderjarige] . De man kan zich in dit advies van de Raad vinden. De vrouw kan zich hier niet in vinden, gelet op haar forse zorgen ten aanzien van de situatie van de man. De vrouw vindt het belangrijk dat het Uniform Hulpaanbod traject wordt afgewacht, zodat meer zicht komt op de situatie van de man.
4.17
De rechtbank zal, in tegenstelling tot het advies van de Raad, de beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden voor de duur van negen maanden in afwachting van het Uniform Hulpaanbod traject. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat partijen geen contact met elkaar hebben. De vrouw lijkt contact met de man te vermijden en de man heeft zelf ook geen stappen ondernomen om het contact met de vrouw op te pakken. Partijen zijn derhalve niet in staat om constructief met elkaar te communiceren, afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] . De rechtbank vindt dit zorgelijk, zeker nu [minderjarige] hierdoor al een langere tijd geen contact meer met de man heeft en last lijkt te hebben van de situatie tussen partijen. Partijen zullen echter in het kader van het in te zetten hulpverleningstraject gaan samenwerken aan diverse doelen. Middels dit traject zal dan ook inzicht ontstaan in de wijze waarop partijen in staat zijn om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Voorts kan middels het hulpverleningstraject meer duidelijkheid worden verkregen over de situatie van de man. De rechtbank acht het dan ook van belang dat de resultaten van het Uniform Hulpaanbod traject worden afgewacht. Gelet hierop ligt een op dit moment te nemen beslissing op het verzoek met betrekking tot het gezag niet in de rede.
4.18
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de zorg- c.q. omgangregeling eveneens voor de duur van negen maanden aanhouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject. Als partijen in onderling overleg vooraf en/of tijdens het Uniform Hulpaanbod traject een vorm van (al dan niet begeleid) contactherstel tussen de man en [minderjarige] met elkaar overeenkomen, dan staat het partijen vrij om het contactherstel op die wijze vorm te geven.
4.19
Op verzoek van het loket en/of de gemeente kan de rechtbank de termijn van negen maanden verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlening wordt toegestaan, dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.20
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op 23 maart 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.12 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
stelt partijen, na een onderzoek of interventie van de Raad, in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop;
5.8
houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorg c.q. omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/440488 / FA RK 25-5114
Datum uitspraak: 18 juni 2026
beschikking over gezag en een zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 3 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 10 oktober 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof met bijlage;
het op 29 mei 2026 ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlage;
het op 1 juni 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Maat-Oldenhof met bijlagen;
de pleitaantekeningen van mr. Wouters, overgelegd tijdens de zitting.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 4 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad.
2De feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [minderjarige] wordt belast.
3.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt middels een zelfstandig verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- er een zorg/omgangsregeling wordt vastgesteld tussen [minderjarige] en de man, waarbij de man de zorg heeft over [minderjarige] c.q. omgang met haar heeft:
met ingang van het eerste weekend na de uitspraak in deze zaak verblijft [minderjarige] op iedere zaterdag bij de man van 12.00 uur tot 17.00 uur. Dit voor vier zaterdagen;
vervolgens verblijft [minderjarige] , voor de duur van vier weken, per 14 dagen een weekend bij de man van zaterdag 12.00 uur tot zondagochtend 12.00 uur;
vervolgens verblijft [minderjarige] een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man;
waarbij de ouders het halen en brengen zullen delen, in die zin dat de ouder waar [minderjarige] verblijft [minderjarige] bij de andere ouder thuis zal brengen op het tijdstip waarop die andere ouder zorg heeft over [minderjarige] ;
- dan wel subsidiair een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader
4.1
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het
gezamenlijk gezag, zoals bedoeld in artikel 1:252 lid 1 BW, beëindigen, indien de
omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of
onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders
voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.2
Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van de laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt, indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de minderjarige klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.3
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. [minderjarige] en de man hebben immers al een langere periode geen contact meer met elkaar. Om die reden wordt de vrouw ontvangen in haar verzoek.
4.4
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In lid 2 van dit artikel staat vervolgens dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststelt over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.5
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat het partijen als gezaghebbende ouders niet lukt om constructief met elkaar te communiceren, afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Verder zijn er bij [minderjarige] signalen waaruit lijkt te blijken dat zij last heeft van de onduidelijkheid tussen partijen. Zo heeft zij snel last van spanningen en onzekerheden en slaapt zij slechter. Partijen hebben voorts een andere visie op het verleden en de huidige situatie van de man, met name met betrekking tot zijn middelengebruik. Ook heeft de man al een langere tijd geen contact meer met [minderjarige] en wensen partijen dit contact binnen een hulpverleningstraject te herstellen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, gelet op het voorgaande, nodig dat voor de ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.6
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.7
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.8
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.9
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
4.10
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.11
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.12
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen de ouders en ziet het er niet naar uit dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren, of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke zorg- c.q. omgangsregeling (aard, duur en frequentie) tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van de minderjarige?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Het staat de Raad vrij om, indien zij hiertoe aanleiding ziet, bovengenoemd onderzoek ambtshalve uit te breiden tot een kinderbeschermingsmaatregelenonderzoek.
4.13
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.14
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.15
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Aanhouding beslissingen
4.16
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Raad geadviseerd nu een beslissing ten aanzien van het gezag te nemen en het verzoek van de vrouw af te wijzen. Op die manier ontstaat op dat punt tussen partijen duidelijkheid. De Raad heeft, samengevat, toegelicht dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is. Er is onvoldoende aangevoerd om af te wijken van dit uitgangspunt. Partijen spelen allebei een rol in het ontbreken van een constructieve samenwerking en communicatie. Het is de Raad (nog) niet gebleken dat dit tot grote problemen heeft geleid voor [minderjarige] . De man kan zich in dit advies van de Raad vinden. De vrouw kan zich hier niet in vinden, gelet op haar forse zorgen ten aanzien van de situatie van de man. De vrouw vindt het belangrijk dat het Uniform Hulpaanbod traject wordt afgewacht, zodat meer zicht komt op de situatie van de man.
4.17
De rechtbank zal, in tegenstelling tot het advies van de Raad, de beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden voor de duur van negen maanden in afwachting van het Uniform Hulpaanbod traject. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat partijen geen contact met elkaar hebben. De vrouw lijkt contact met de man te vermijden en de man heeft zelf ook geen stappen ondernomen om het contact met de vrouw op te pakken. Partijen zijn derhalve niet in staat om constructief met elkaar te communiceren, afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] . De rechtbank vindt dit zorgelijk, zeker nu [minderjarige] hierdoor al een langere tijd geen contact meer met de man heeft en last lijkt te hebben van de situatie tussen partijen. Partijen zullen echter in het kader van het in te zetten hulpverleningstraject gaan samenwerken aan diverse doelen. Middels dit traject zal dan ook inzicht ontstaan in de wijze waarop partijen in staat zijn om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Voorts kan middels het hulpverleningstraject meer duidelijkheid worden verkregen over de situatie van de man. De rechtbank acht het dan ook van belang dat de resultaten van het Uniform Hulpaanbod traject worden afgewacht. Gelet hierop ligt een op dit moment te nemen beslissing op het verzoek met betrekking tot het gezag niet in de rede.
4.18
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de zorg- c.q. omgangregeling eveneens voor de duur van negen maanden aanhouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject. Als partijen in onderling overleg vooraf en/of tijdens het Uniform Hulpaanbod traject een vorm van (al dan niet begeleid) contactherstel tussen de man en [minderjarige] met elkaar overeenkomen, dan staat het partijen vrij om het contactherstel op die wijze vorm te geven.
4.19
Op verzoek van het loket en/of de gemeente kan de rechtbank de termijn van negen maanden verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlening wordt toegestaan, dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.20
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.2
verzoekt het loket om uiterlijk op 23 maart 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.3
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.4
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.5
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.12 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.6
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.7
stelt partijen, na een onderzoek of interventie van de Raad, in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop;
5.8
houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorg c.q. omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.