Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6596

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447259 / KG ZA 26-197
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/02/447259 / KG ZA 26-197
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

KG. Verdeling woning; impasse na verdelingsbeslissing en vso partijen. Pp dienen verplichtingen uit verdelingsbeslissing en vso na te komen. Rechter benoemt wel andere makelaar. Dwangsom beide pp.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.195 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: C/02/447259 / KG ZA 26-197




Vonnis in kort geding van 18 juni 2026




in de zaak van





[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.C.A.C. Gubbels,



tegen





[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2026;
- de producties van de man;- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, van de vrouw;- de producties van de vrouw;- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026;- de pleitnota van de man.



1.2
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.



1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.



1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1
De man en de vrouw zijn op 30 augustus 2021 met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. Zij hebben samen een nu 10-jarige dochter. Bij beschikking van 11 februari 2025 van deze rechtbank is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 2 april 2025 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.



2.2

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer de wijze van verdeling van de echtelijke woning, gelegen aan het [adres] , gelast. De woning is onder voorwaarden aan de man toegedeeld. Voor het geval dat overdracht van de woning aan de man onder die voorwaarden niet (tijdig) tot stand komt, heeft de rechtbank als wijze van verdeling bepaald dat de woning aan (een) derde(n) wordt verkocht. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de taxatie van de woning dient te geschieden door [makelaar 1] te [woonplaats 1] , en dat in geval van verkoop van de woning voornoemde makelaar met de verkoop belast zal zijn. De beslissing van de rechtbank over de verkoop van de woning luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“- partijen zullen (…)gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan [makelaar 1] ;



- indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar – mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;


- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn


gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de staat van de woning, bepalen;


- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar ín slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;


- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;


- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;


- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden afgelost, moet het vergoedingsrecht aan de man worden betaald (zoals in rechtsoverweging 4.81 overwogen) alsmede moeten de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald en, voor zover beide partijen het daarover eens zijn, moet de restantschuld aan BNP Paribas Personal Finance B.V. worden ingelost. Het eventuele restant van de verkoopopbrengst moeten partijen bij helfte delen, dan wel -voor zover er een restschuld ontstaat- moeten zij ieder de helft daarvan dragen.”



2.3
De man heeft na taxatie van de woning afgezien van toedeling van de woning aan hem. Vervolgens hebben partijen [makelaar 1] te [woonplaats 1] gezamenlijk opdracht gegeven om tot verkoop van de woning over te gaan. De woning is per medio maart 2025 te koop aangeboden voor een bedrag van € 889.000,= kosten koper.



2.4
Kort nadien zijn geschillen ontstaan tussen de man, de vrouw en de makelaar over de prijs waarvoor de woning in de markt gezet was. Ter beslechting van hun geschil zijn partijen eind augustus 2025 een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen dat de vraagprijs van de woning wordt verlaagd naar € 849.000,= kosten koper, waarbij de laatprijs is bepaald op € 825.000,= kosten koper. Partijen hebben daarnaast afspraken gemaakt over de medewerking die zij dienen te verlenen aan het verkooptraject. Daartoe behoort ook dat beide partijen bij verkoop van de woning de koop-verkoop-overeenkomst (conform de afspraken in de vaststellingsovereenkomst) binnen één week na ontvangst tekenen en dezelfde dag aan de makelaar retourneren en dat de sleutel van de woning wordt afgegeven aan de makelaar.



2.5

[makelaar 1] heeft de man verweten toerekenbaar tekort te zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht en heeft hem schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de daardoor geleden schade. [makelaar 1] heeft de werkzaamheden met betrekking tot de verkoop van de woning (al dan niet tijdelijk) stil gelegd. De woning is nog niet verkocht en wordt op dit moment niet meer aangeboden op Funda.





3Het geschil in conventie en in reconventie


3.1
De man vordert in conventie - samengevat – het volgende.
- De vrouw te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis samen
met de man de opdracht tot bemiddeling bij verkoop van de woning te ([adres] , te ondertekenen, welke opdracht tot bemiddeling bij verkoop zal worden afgegeven en opgesteld door [makelaar 2] , dan wel een door de rechtbank aangewezen makelaar, waarbij de makelaar zal bepalen voor welke vraagprijs de woning in de verkoop gaat.
- Te bepalen dat als de vrouw na betekening van dit vonnis en na ommekomst van
genoemde termijn van één week niet aan de verkoopopdracht haar medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de vrouw benodigd voor die rechtshandeling.
- Te bepalen dat partijen de kosten voor de makelaar ieder voor de helft zullen dragen.
- De vrouw te veroordelen op eerste verzoek van de makelaar al datgene te doen of na
te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de woning te komen en te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,= per dag verbeurt voor iedere keer dat zij na betekening van het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent, tot een maximum van € 50.000,=. Hierbij denkt de man aan het niet opzeggen van lopende abonnementen voor gas/water/licht etc., het sturen van vrienden/ familie/kennissen als ‘kijkers’ voor andere doeleinden dan verkoop van de woning etc..
- Te bepalen dat partijen binnen twee dagen na ontvangst van een bod op de woning,

dat door de makelaar als een marktconform redelijk bod wordt aangemerkt, moeten
laten weten of zij dit bod accepteren.

- Te bepalen dat, voor het geval dat partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn (twee dagen na ontvangst van een bod) overeenstemming bereiken over de
acceptatie van het daar bedoelde bod, de makelaar bindend de verkoopprijs bepaalt.
- De vrouw te veroordelen om op eerste verzoek van de makelaar mee te werken aan de totstandkoming en ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning en te bepalen dat als de vrouw niet op eerste verzoek van de makelaar hieraan haar medewerking verleent dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de vrouw benodigd voor het tot stand komen van de koopovereenkomst.
- De vrouw te veroordelen om op eerste verzoek van de notaris mee te werken aan de
levering van de woning aan de toekomstige koper(s) ten overstaan van de door de koper aan te wijzen notaris of diens plaatsvervanger en dat als de vrouw niet op eerste verzoek van de notaris aan de levering van de woning haar medewerking verleent, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de vrouw benodigd voor de notariële levering van de woning aan koper(s).
- De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.



3.2
De man legt aan de vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Doordat [makelaar 1] zich definitief heeft teruggetrokken, komt het niet tot verdeling van de woning. De man heeft bovendien geen vertrouwen (meer) in [makelaar 1] . De makelaar verwijt hem dat hij het verkoopproces heeft gefrustreerd, maar de man heeft uitvoering gegeven aan alle redelijke opdrachten om de woning verkoopklaar te maken. De makelaar is niet objectief en niet-onpartijdig en laat zich in belangrijke mate beïnvloeden door de vrouw. Het is juist de vrouw die het verkoopproces frustreert. Om tot verkoop van de woning te komen, wenst de man dat een andere makelaar benoemd wordt. De man heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij inmiddels over een andere (huurkoop)woning beschikt. Hij wil daar gaan wonen en hij wil zich bevrijden van de dubbele woonlasten die hij nu heeft. Ook wil hij de overwaarde verzilveren, zodat hij de koop van zijn nieuwe woning kan financieren.



3.3

De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. Zij vordert in reconventie - samengevat – het volgende.

Ten aanzien van het verlaten van de woning en uitschrijving van het adres:
Te bepalen dat de man en de leden van zijn gezin de woning aan het [adres]
uiterlijk op 1 juli 2026 moeten verlaten met medeneming van de eigendommen
van de man en de eigendommen van de leden van zijn gezin en dat de man en de leden
van zijn gezin zich in de gemeentelijke basisadministratie dienen uit te schrijven van
het adres, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat de
man na betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met de
uitvoering hiervan.

Ten aanzien van het verkoop klaar maken van de woning:
Te bepalen dat de man uiterlijk op 1 juli 2026 alle gebreken en aandachtspunten zoals
genoemd in de bijlage bij de brief van de makelaar d.d. 27 oktober 2025 (productie 2)
dient uit te voeren en dit uiterlijk op 2 juli 2026 met bewijsstukken (waaronder recente
foto’s) dient aan te tonen bij de vrouw en de makelaar, dit op straffe van verbeurte van
een dwangsom van € 500,= per dag dat de man na betekening van het vonnis geheel
of gedeeltelijk in gebreke blijft met de uitvoering hiervan.

Ten aanzien van de verkoop / levering van de woning

Primair:
de vrouw te machtigen tot het te gelde maken, althans om al het nodige te doen voor
de verkoop en levering van de onroerende zaak gelegen te [adres]
, door de woning met behulp van [makelaar 1] te koop aan te
blijven bieden tegen een vraagprijs van € 849.000,= kosten koper en tegen een prijs
van tenminste € 825.000,= kosten koper te verkopen en te leveren aan een derde,
waarbij het vonnis in de plaats treedt van de medewerking en/of toestemming en/of
wilsverklaring en/of handtekening van de man aan de verkoop en (notariële) levering
van de woning, alsmede;
Subsidiair:
de man te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak te
wijzen vonnis, medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de onroerende
zaak gelegen te [adres] , inhoudende dat:

- de man aan de makelaar schriftelijk toestemming verleent voor het (opnieuw) te koop aanbieden van de woning en plaatsen van de woning op Funda tegen een vraagprijs van € 849.000,= kosten koper, alsmede;
- de man de aanwijzingen van [makelaar 1] in verband met (bespoediging van) de verkoop dient op te volgen, alsmede;
- de man op aangeven van de makelaar meewerkt aan bezichtigingen van de woning, alsmede;
- de man instemt met verkoop en levering van de woning bij een uitgebracht bod op de woning van tenminste € 825.000,=, alsmede;
- de man bij verkoop van de woning de koop-verkoop-overeenkomst zal ondertekenen, zonder het stellen van nadere voorwaarden, alsmede;
- de man medewerking zal verlenen aan (notariële) levering van de woning via een door de kopers aan te wijzen notaris, alsmede;
- de man alle gegevens en stukken dient te verstrekken die nodig zijn voor het opstellen van de notariële akte door de notaris, alsmede;
- de man mee dient te werken aan alle andere handelingen waarvan de makelaar en/of de notaris aangeven dat deze noodzakelijk zijn ten behoeve van een verkoop van de woning tegen een minimale verkoopprijs van € 825.000,= kosten koper, alsmede;
- dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat de man na betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met de uitvoering hiervan.

Voor zover de man uiterlijk op 1 juli 2026 niet een begin heeft gemaakt van het
subsidiair gevorderde de vrouw te machtigen om zelf al datgene te bewerkstelligen dat
leidt tot de verkoop en notariële levering van de woning tegen een prijs van tenminste € 825.000,= kosten koper, met de bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats
komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de
man.

- De man te veroordelen in de kosten van deze procedure.



3.4

De vrouw legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. De man heeft op alle mogelijke manieren het verkoopproces gefrustreerd. Dit heeft er zelfs toe geleid dat de makelaar in maart jl. een factuur van ruim € 5.000,= aan de man heeft gestuurd wegens toerekenbare tekortkoming in het verkoopproces. Bovendien heeft de makelaar zijn werkzaamheden tijdelijk opgeschort. Het verkoopproces van de woning dient zo spoedig mogelijk hervat te worden door [makelaar 1] , waarbij de vrouw gemachtigd dient te worden tot het te gelde maken van de woning, zodat de man dit proces niet langer kan frustreren of vertragen. Zij verzet zich tegen de vordering van de man om [makelaar 2] te benoemen als makelaar, want de bij dat bedrijf werkende makelaar [persoon] is een bekende van de man.
De man heeft aangekondigd per 1 juli 2026 te gaan verhuizen, dus wat de vrouw betreft moet de woning op dat moment ontruimd zijn. Op dat moment kan de vrouw ervoor zorgen dat de woning verkoopklaar wordt gemaakt. De man heeft derden, te weten zijn partner en haar kinderen in de woning laten wonen zonder haar toestemming. Ook deze personen dienen de woning te verlaten. De vrouw maakt zich zorgen over de uitblijvende verkoop van de woning, omdat de man in het verleden meermaals een hypotheekachterstand heeft laten ontstaan. Ten slotte voert de vrouw aan dat de man zich moet laten uitschrijven van het adres in [woonplaats 1] . Zij stelt dat zij dan weer in aanmerking kan komen voor toeslagen.




3.5
De man voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van de vrouw in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich, gelet op de nauwe samenhang, voor een gezamenlijke behandeling.



4.2
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



Spoedeisend belang





4.3
De voorzieningenrechter stelt vast dat sinds de echtscheidingsbeschikking, waarin een beslissing is genomen over de wijze van verdeling van de woning, inmiddels 15 maanden zijn verstreken. De woning heeft al geruime tijd te koop gestaan. Partijen zijn met betrekking tot de verkoop van hun woning in een impasse geraakt. Zij hebben over en weer onweersproken en onderbouwd gesteld dat zij beiden belang hebben bij een spoedige verkoop van de woning. Het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende komen vast te staan.



Inhoudelijke beoordeling





4.4
De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking een zogenaamd “spoorboekje” opgenomen voor de verdeling van de woning. Niet in geschil is dat de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde. Beide partijen vorderen dat in kort geding voorzieningen worden gegeven die op onderdelen (deels) afwijken van de beslissing die de bodemrechter over de wijze van verdeling heeft gegeven.



4.5
De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis of een beschikking in de hoofdzaak heeft gewezen of gegeven, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel. Dit zal het geval kunnen zijn als het vonnis of de beschikking van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, en ook als sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. (HR 19 mei 2000, NJ 2001/407).



4.6
De bodemrechter heeft beslist dat het verkooptraject door [makelaar 1] zal worden begeleid. Gebleken is dat er inmiddels een geschil is ontstaan tussen [makelaar 1] en de man. Dat geschil heeft er toe geleid dat de makelaar al geruime tijd geen werkzaamheden voor partijen verricht en dat het huis uit de verkoop is gehaald. Daardoor bevinden partijen zich momenteel in een impasse. Uit de stukken is de voorzieningenrechter gebleken dat de verhoudingen tussen de makelaar en de man ernstig verstoord zijn, en dat de makelaar in het geheel niet reageert op de brieven die de advocaat van de man aan hem heeft geschreven. Verkoop van de woning door [makelaar 1] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij deze stand van zaken geen reële optie meer. Aldus is sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat als de bodemrechter destijds van deze situatie op de hoogte was geweest, hij tot een andere beslissing zou zijn gekomen over de makelaar die met verkoop van de woning wordt belast.



4.7

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat een andere makelaar aangewezen moet worden die de verkoop van de woning op zich zal nemen.
De vrouw heeft over de door de man in de dagvaarding genoemde [makelaar 2] aangevoerd dat deze niet objectief en niet onafhankelijk is, gelet op de relatie tussen de man/zijn familie en (een medewerker van) [makelaar 2] . Op zitting heeft de vrouw een andere makelaar voorgesteld: [makelaar 3]. De man heeft op zitting verklaard geen bezwaren te hebben tegen benoeming van die makelaar. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat deze makelaar niet is aangesloten bij NVM. De voorzieningenrechter zal daarom beslissen dat [makelaar 3] belast zal zijn met de verkoop van de woning en bepalen dat partijen binnen een week na betekening van dit vonnis deze makelaar de opdracht dienen te geven tot het verkopen van de woning.




4.8
Vervolgens komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de overige vorderingen. De voorzieningenrechter zal hierna eerst de meest verstrekkende vordering bespreken, zijnde de primaire vordering van de vrouw om haar te machtigen tot het te gelde maken van de woning. Een machtiging te gelde maken is een vergaande bevoegdheid, waarmee de andere partij buiten spel wordt geplaatst, en waarvoor uitsluitend plaats is als sprake is van een gewichtige reden of als te gelde making nodig is voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld. Hoewel onweersproken is gesteld dat er achterstanden zijn in de betaling van de verschuldigde hypothecaire maandtermijnen, is niet gebleken dat de schuld uit hoofde van de hypothecaire leningen volledig opeisbaar is. Hetgeen overigens is aangevoerd kwalificeert naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende als gewichtige redenen voor een machtiging te gelde maken. De voorzieningenrechter ziet in de stukken weliswaar aanwijzingen dat de man niet in alle opzichten de adviezen van de makelaar heeft opgevolgd - zo heeft de man de sleutels van de woning terug gehaald, heeft hij niet onverkort alle adviezen tot verbetering of afwerking van de woning opgevolgd, heeft hij het verkoopbord bij de woning weggehaald en heeft hij zelf -buiten de makelaar om- een open dag georganiseerd – maar onvoldoende is komen vast te staan dat het stilvallen van het verkoopproces volledig op het conto van de man kan worden geschreven. Zo kan de makelaar worden verweten dat hij niet reageert op de correspondentie van de advocaat van de man en is onduidelijk gebleven waarom de makelaar partijen in het kader van de verkoop op verschillende verbeterpunten - waaronder schilderwerkzaamheden - van de woning wijst, terwijl dezelfde makelaar in zijn taxatierapport betreffende de woning genoteerd heeft dat op de korte termijn geen (onderhouds)werkzaamheden aan de woning te verwachten zijn. Ook is gebleken dat van de man verwacht werd dat hij alle kosten gemoeid met het verkoopklaar of afwerken van de woning voor zijn rekening zou nemen of in ieder geval zou voorschieten. De vrouw lijkt tot nu toe niet bereidwillig te zijn geweest om ook alvast haar aandeel in die kosten te nemen. Daarnaast zijn er ook praktische bezwaren die aan het verlenen van een machtiging van de vrouw in de weg staan. De dochter van partijen woont met de man in de woning en het is de vrouw niet toegestaan onbegeleid contact met de dochter te hebben. Dit betekent dat de vrouw de (omgeving van de) woning niet kan betreden zolang de dochter daarin woonachtig is, terwijl wel feitelijke handelingen ten behoeve van de verkoop en levering in en rondom de woning moeten worden verricht. De voorzieningenrechter zal de gevorderde machtiging te gelde maken afwijzen. Dit betekent dat partijen samen tot verkoop van de woning zullen moeten komen.



4.9
Beide partijen hebben verschillende voorzieningen gevorderd met betrekking tot de (medewerking van de ander aan de) verkoop van de woning. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bodemrechter al in de echtscheidingsbeschikking onder rechtsoverweging 4.79 bij wijze van “spoorboekje” de nodige beslissingen heeft gegeven over hetgeen dient te geschieden bij het uitblijven van medewerking van een van de partijen aan het verkooptraject. Zo geldt op grond van de echtscheidingsbeschikking dat als binnen de geldende termijn geen gezamenlijke opdracht aan de makelaar wordt gegeven, ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is deze makelaar – mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven. In aanvulling op het door de bodemrechter gegeven “spoorboekje” hebben partijen in hun vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt, zoals over de vraag- en laatprijs en dat zij beiden zullen meewerken aan alles wat de makelaar en notaris nader van hen zullen vragen. Geen van partijen heeft gesteld of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de door hen gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst niet meer hebben te gelden. Het door de bodemrechter gegeven “spoorboekje” en de afspraken in de vaststellingsovereenkomst zijn nog steeds van kracht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om andere voorzieningen te treffen dan de beslissingen die de bodemrechter reeds heeft genomen en de afspraken die partijen zelf reeds hebben gemaakt. Daarom zullen partijen veroordeeld worden tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de verdelingsbeslissing van de bodemrechter, en wordt het anders of meer gevorderde afgewezen.



4.10
Beide partijen vorderen om aan de onverkorte medewerking door de andere partij een dwangsom te verbinden. Het is de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat in deze zaak beide partijen een serieuze prikkel nodig hebben om hun volledige medewerking te verlenen aan het verkoop- en leveringsproces, en in dat verband al hetgeen te doen of na te laten wat de makelaar en de notaris nodig achten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor een eigen beoordeling van partijen over wat al dan niet nodig is om tot vlotte verkoop van de woning te komen, geen ruimte meer is. De aanwijzingen van de makelaar en de notaris dienen onverkort te worden opgevolgd. Als aan bepaalde door de makelaar opgedragen (herstel)werkzaamheden aan de woning kosten verbonden zijn, dienen deze door beide partijen te worden gedragen. Dit vraagt ook van de makelaar dat als hij een bepaald handelen of nalaten noodzakelijk vindt voor de verkoop, hij dat als duidelijke, specifiek beschreven opdracht bij partijen weglegt. De gevorderde dwangsommen van € 500,= per dag met een maximum van € 50.000,= worden toegewezen zoals hierna vermeld.



4.11
Uit voornoemde echtscheidingsbeschikking volgt dat alle kosten met betrekking tot de verkoop en levering van de woning tussen partijen worden gedeeld. Er is daarom geen reden om daarvoor nu in kort geding een (andere) voorziening te treffen. Hetgeen daarover is gevorderd, wordt op die grond afgewezen.



4.12
Omdat partijen zichzelf in hun vaststellingsovereenkomst hebben opgelegd volledig mee te werken aan verkoop en levering van de woning en aan alles wat de makelaar en notaris van hen vragen en omdat hieraan in dit vonnis een dwangsom wordt verbonden, ziet de voorzieningenrechter thans geen reden voor beslissingen in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. De vorderingen daartoe worden daarom afgewezen.



4.13
De vordering van de vrouw dat de man en zijn gezinsleden de woning dienen te verlaten, zal worden afgewezen. De man heeft, net als de vrouw, als deelgenoot recht op gebruik van de woning op grond van artikel 3:169 BW. Dat de man heeft aangekondigd per 1 juli 2026 een andere woning te zullen betrekken, maakt dat niet anders. De vrouw heeft niet (als gebruiksregeling in de zin van artikel 3:168 lid 2 BW) gevorderd om te bepalen dat alleen zij de woning mag gebruiken. Dit leidt tot het oordeel dat de man niet gedwongen kan worden de woning uiterlijk op 1 juli 2026 te verlaten. Zoals tijdens de zitting is besproken, komt het gebruiksrecht van de woning niet toe aan de partner van de man en haar kinderen, omdat de vrouw niet met bewoning door derden heeft ingestemd. Maar omdat de partner van de man niet in dit kort geding is betrokken, is om die reden de ontruimingsvordering van de vrouw jegens de partner en haar kinderen niet toewijsbaar.



4.14
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw dat de man en zijn gezinsleden zich in de BRP uit dienen te schrijven van het adres van de woning, ook afwijzen. Wanneer sprake is van een woonadres – en dus de verplichting tot inschrijving/uitschrijving van de man en zijn gezinsleden op een adres –, wordt bepaald op grond van de wet BRP (artikel 1.1 aanhef en onder o Wet BRP). Tegen besluiten gegrond op voornoemde wet staat de bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep open. De voorzieningenrechter ziet geen grond om hierover in een civiel kort geding een voorziening te treffen.



4.15
De vordering van de vrouw over het verkoopklaar maken van de woning wordt eveneens afgewezen. Zoals eerder overwogen, zijn de man en de vrouw gehouden de opdrachten van de – nieuw benoemde - makelaar uit te voeren, op straffe van een dwangsom.



4.16
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1
veroordeelt de man en de vrouw om binnen een week na betekening van dit vonnis “ [makelaar 3] ” samen met de ander de opdracht te geven tot het verlenen van diensten in verband met de verkoop van de woning, gelegen aan het [adres], en op eerste verzoek van [makelaar 3] over te gaan tot ondertekening van de Opdracht tot Dienstverlening;



5.2
veroordeelt de man en de vrouw tot nakoming van alle op hen rustende verplichtingen als bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2025, rechtsoverweging 4.79, en als beschreven in de vaststellingsovereenkomst van partijen van augustus 2025 – met dien verstande dat waar in de beschikking of vaststellingsovereenkomst wordt gesproken over “ [makelaar 1] ”, gelezen dient te worden: “ [makelaar 3] ”, en in dat verband al hetgeen te doen en/of na te laten wat de makelaar en/of de notaris in verband met de verkoop en levering van de woning noodzakelijk acht, zulks op verbeurte van een aan de andere partij te verbeuren dwangsom van € 500,= (vijfhonderd euro) voor iedere dag of deel daarvan dat hij of zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,= (vijftigduizend euro);



5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.4
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Bollen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.